Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/5579 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2022 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats 1] (voorheen [woonplaats 2] ), eiseres, en de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 6 maart 2021 heeft verweerder de definitieve berekening herzien van de toeslagen waarop eiseres voor het jaar 2018 recht heeft. Het kindgebonden budget heeft verweerder daarbij aangepast van € 1.152 tot € 94 en de huurtoeslag van € 4.045 tot € 0. Dit resulteert in een terugvordering van € 1.058 kindgebonden budget, vermeerderd met € 57 rente, en € 4.045 huurtoeslag, vermeerderd met € 218 rente, oftewel € 5.378 in totaal. Verweerder heeft het hiertegen gemaakte bezwaar bij beslissing op bezwaar van 11 oktober 2021 ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2022 te Haarlem. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres stond in 2018 samen met de heer [naam] en hun in 2012 geboren dochter in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres] te [plaats 1] . 2. Eiseres had in 2018 slechts looninkomsten (van de [werkgever] ). De heer [naam] had in 2018 een kledingzaak in [plaats 2] . 3. Uitgaande van een geschat toetsingsinkomen van eiseres van € 21.483 en van de heer [naam] van € 0, heeft verweerder op 22 januari 2018 voorschotten verleend aan eiseres voor kindgebonden budget van € 1.082 en voor huurtoeslag van € 3.850. 4. Eiseres en de heer [naam] hebben hun relatie eind november 2018 definitief beëindigd. De heer [naam] heeft vanaf dat moment het adres [adres] te [plaats 1] verlaten. Vanaf 23 februari 2019 staat hij ook niet meer op dat adres in de BRP ingeschreven. 5. In december 2018 is een hennepkwekerij aangetroffen onder de kledingzaak van de heer [naam] in [plaats 2] . Daarover heeft [omroep] op 13 december 2018 bericht naar aanleiding van een twitterbericht van het account ‘ [account] ’ van dezelfde dag. 6. Op 1 mei 2020 heeft verweerder het kindgebonden budget en de huurtoeslag van eiseres definitief berekend en vastgesteld op € 1.152 en € 4.045. Daarbij is verweerder uitgegaan van een in de basisregistratie inkomen (BRI) geregistreerd inkomen van eiseres van € 23.892 en van de heer [naam] van € 8.087 negatief. Dat leidt tot een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 15.805. Het inkomensgegeven van de heer [naam] heeft de belastinginspecteur op basis van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting vastgesteld. 7. Op 3 februari 2021 heeft verweerder een nieuw inkomensgegeven voor de heer [naam] voor het jaar 2018 ontvangen uit de BRI van € 12.228. Deze melding gaat uit van de definitieve aanslag inkomstenbelasting van de heer [naam] . 8. Met het nieuwe inkomensgegeven van de heer [naam] komt het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiseres en hem in 2018 uit op € 36.120 (€ 23.892 + € 12.228). Met dat toetsingsinkomen heeft verweerder op 6 maart 2021 de definitieve berekening van het kindgebonden budget en de huurtoeslag van eiseres herzien. Daarbij is het gehele bedrag dat volgens de herziene berekening te veel aan eiseres is uitbetaald (€ 5.103), vermeerderd met rente van haar teruggevorderd. Geschil 9. Eiseres bestrijdt de terugvordering van het kindgebonden budget en de huurtoeslag van haar. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de terugvordering verband houdt met het achteraf positief gebleken inkomen van de heer [naam] door de hennepkwekerij die in december 2018, oftewel na het eindigen van hun relatie, onder zijn kledingzaak in [plaats 2] is gevonden. Totdat eiseres een bericht uit de media over die vondst onder ogen kreeg, wist zij niet beter dan dat de heer [naam] een verlieslatende kledingzaak had. De belastinginspecteur heeft het inkomen van de heer [naam] bij zijn definitieve aanslag geschat vanwege de vondst van de hennepkwekerij, zo heeft eiseres achteraf van de heer [naam] vernomen. 10. Verder heeft eiseres aangevoerd dat de relatie tussen haar en de heer [naam] al langer slecht was. In 2016 zijn zij eerder uit elkaar gegaan. Later dat jaar hebben zij hun relatie toch nog een kans gegeven omwille van het welzijn van hun dochter. Vanaf dat moment heeft de heer [naam] weer bij eiseres en haar dochter gewoond. De kosten van de huishouding, de huur en de kosten voor het onderhouden van hun dochter heeft eiseres steeds volledig betaald uit haar salaris van de [werkgever] , omdat de heer [naam] geen (positief) inkomen zou hebben. De heer [naam] is veel van huis geweest, zeven dagen per week naar zijn verlieslatende kledingzaak en naar vrienden, en is vooral thuisgekomen om te slapen. 11. Verweerder heeft verklaard het verhaal van eiseres te geloven. Toch acht hij de terugvordering van eiseres terecht. De heer [naam] was namelijk het gehele jaar 2018 de toeslagpartner van eiseres. Niet gebleken is dat een adresonderzoek naar de heer [naam] voor 1 december 2018 is aangevraagd. Verder moet van de inkomensgegevens in de BRI worden uitgegaan en dient in eerste instantie van eiseres te worden teruggevorderd, en niet van de heer [naam] . Tot slot heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die reden zijn de terugvordering te matigen of daarvan af te zien. Ter zitting is toegelicht dat een bijzondere omstandigheid om van volledige terugvordering af te zien, naar de opvatting van verweerder vergelijkbaar moet zijn met de bijzondere omstandigheden die zijn genoemd in het Verzamelbesluit Toeslagen (Stcrt. 2022, 17645). Beoordeling van het geschil Samenvatting van de uitspraak 12. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de herziene berekening van 6 maart 2021 van het kindgebonden budget en de huurtoeslag juist is. Verweerder mag alleen niet het gehele bedrag van eiseres terugvorderen dat te veel is toegekend. Dat is in dit bijzondere geval namelijk onevenredig. In zoverre krijgt eiseres gelijk. De rechtbank vermindert het bedrag dat van eiseres kan worden teruggevorderd tot € 997 en de rente over dat bedrag. Hierna is een en ander nader uitgewerkt en gemotiveerd. Herziene berekening 13. Vastgesteld kan worden dat de heer [naam] het gehele jaar 2018 de toeslagpartner van eiseres was. Zij en de heer [naam] waren toen namelijk op hetzelfde adres in de BRP ingeschreven en hebben samen een kind. Zelfs als eiseres op 5 december 2018 een adresonderzoek naar de heer [naam] heeft aangevraagd (dat is in bezwaar onderwerp van discussie geweest), dan kan met zijn verhuizing pas per 1 januari 2019 rekening worden gehouden (artikel 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)). Voor het kindgebonden budget en de huurtoeslag in het jaar 2018 maakt het daarom verder niet uit. 14. Verder is niet bestreden dat verweerder voor de herziene berekening van het kindgebonden budget en de huurtoeslag van 6 maart 2021 is uitgegaan van het laatste in de BRI vermelde verzamelinkomen van de heer [naam] . Ook overigens is niet aangevoerd dat die herziene berekening onjuist is. Daarom moet zij voor juist worden gehouden. Evenredigheidstoetsing bij terugvordering 15. Een andere vraag is of het verschil in uitkomst tussen de definitieve berekening en de herziene berekening volledig van eiseres kan worden teruggevorderd. In artikel 26 van de Awir is op zich bepaald dat het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. Dit neemt niet weg dat verweerder een beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van het bedrag dat wordt teruggevorderd. Bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat van terugvordering wordt afgezien of dat het terug te vorderen bedrag wordt verminderd. De nadelige gevolgen van het besluit tot terugvordering mogen voor de belanghebbende namelijk niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536, en artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De uit te voeren beoordeling gaat verder dan bezien of het besluit niet willekeurig is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, punten 7.6 en verder). Beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel 16. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, zowel in bezwaar als beroep, ligt een beroep op het evenredigheidsbeginsel besloten. Eerst en vooral komt uit het verhaal van eiseres naar voren dat zij ten tijde van het ontvangen van de voorschotten niet heeft voorzien en niet heeft kunnen voorzien dat de heer [naam] inkomsten zou genieten uit een hennepkwekerij. Van het bestaan van die hennepkwekerij is zij pas na het verbreken van haar relatie met de heer [naam] op de hoogte geraakt door een bericht in de media van medio december 2018. De hennepkwekerij is bovendien niet in of nabij het toenmalige woonhuis van eiseres en de heer [naam] in [plaats 1] aangetroffen, maar onder de kledingzaak van laatstgenoemde in [plaats 2] . In deze kledingzaak is eiseres – naar zij onweersproken heeft gesteld – slechts één of twee keer geweest. Tot het lezen van het bericht in de media wist eiseres niet beter dan dat de heer [naam] een verlieslatende kledingzaak in [plaats 2] had. Verder zijn de uit de hennepkwekerij opgekomen inkomsten, waarvan de heer [naam] het daadwerkelijke bestaan volgens eiseres ontkent, niet aan eiseres ten goede gekomen. Vanwege zijn verlieslatende kledingzaak heeft de heer [naam] meer in het algemeen niet of nauwelijks bijgedragen in de kosten waarvoor de huurtoeslag en het kindgebonden budget als een tegemoetkoming zijn bedoeld. Ten slotte is de terugvordering zowel in absoluut als relatief opzicht (ten opzichte van haar inkomen) voor eiseres een fors bedrag. Beoordeling evenredigheidsbeginsel in beslissing op bezwaar en verduidelijking standpunt verweerder in beroep 17. In bezwaar heeft verweerder het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel afgewezen. Dit is slechts gemotiveerd met de stelling dat de door eiseres uiteengezette omstandigheden niet (voldoende) bijzonder zijn. Die motivering schiet tekort voor een deugdelijke motivering van de beslissing op bezwaar. Het kan niet worden volgehouden dat de door eiseres gestelde omstandigheden evident niet bijzonder zijn. Daarom bestaat alleen al grond de verplichting om een beslissing op bezwaar van een deugdelijke motivering te voorzien (artikel 7:12 van de Awb), geschonden te achten. 18. In beroep heeft verweerder verduidelijkt dat volgens hem het algemene belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen het slechts aflegt tegen belangen van een belanghebbende in omstandigheden die strikt te vergelijken zijn met de omstandigheden die in het Verzamelbesluit Toeslagen expliciet als bijzonder zijn aangemerkt. In het kort zijn de in het besluit uitdrukkelijk benoemde bijzondere omstandigheden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.