RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 21/6442 en HAA 22/1047 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2022 in de zaak tussen Hoorne Vastgoed B.V., gevestigd te Uitgeest, en Vomar Voordeelmarkt B.V., statutair gevestigd te IJmuiden, eiseressen (gemachtigde: mr. R.A.M. Schram), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder (gemachtigden: B.C. Stuifbergen en drs. D. van Straten ). Procesverloop Bij verkeersbesluit 21.008 Parkeerschijfzone Kennemerlaan-Kennemerplein IJmuiden (hierna: het verkeersbesluit), gedateerd op 3 juni 2021, heeft verweerder besloten een parkeerschijfzone (hierna: de blauwe zone) in te stellen op de volgende wegdelen te IJmuiden, geldend van dinsdag t/m zaterdag van 10.00 uur t/m 17.00 uur (maximaal 2 uur parkeren): - Kennemerlaan; vanaf de Grahamstraat tot Moerbergplantsoen (westelijke aansluiting); - Kennemerlaan; vanaf de Edisonstraat tot Moerbergplantsoen (oostelijke aansluiting); - Kennemerplein: het parkeerterrein ten noorden van de Vomar (op Kennemerplein 21). Bij besluit van 17 november 2021 (hierna: het oorspronkelijke besluit op bezwaar) heeft portefeuillehouder [naam 1] in mandaat namens verweerder besloten op het bezwaar van eiseressen tegen het verkeersbesluit. Daarbij is het verkeersbesluit in stand gelaten. Eiseressen hebben tegen dit besluit op bezwaar beroep ingesteld. In de collegevergadering op 18 januari 2022 is het oorspronkelijk besluit op bezwaar door verweerder bekrachtigd (hierna: het bekrachtigingsbesluit). Eiseressen hebben tegen dit besluit eveneens beroep ingesteld. De beroepsgronden tegen het bekrachtigingsbesluit zijn identiek aan de beroepsgronden tegen het oorspronkelijke besluit op bezwaar. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de beroepen op 11 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigden van verweerder. Overwegingen Griffierecht ten onrechte geheven in zaak met zaaknummer 22/1047
- De rechtbank heeft vastgesteld dat voor het beroep dat is ingesteld tegen het bekrachtigingsbesluit griffierecht is geheven. Dit is ten onrechte gebeurd, omdat het beroep tegen het oorspronkelijke besluit op bezwaar zich ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook richt tegen het bekrachtigingsbesluit. De rechtbank gelast de griffier daarom het door eiseressen betaalde griffierecht van € 365,00 terug te betalen aan eiseressen. Gebrek in het oorspronkelijke besluit op bezwaar in zaak met zaaknummer 21/6442 2.1 De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het oorspronkelijke besluit op bezwaar ten onrechte in mandaat is genomen. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eiseressen door het gebrek niet zijn benadeeld, hetgeen ter zitting ook is bevestigd. 2.2 In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,00 en een wegingsfactor 1). 2.3 Voorts ziet de rechtbank in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding te bepalen dat verweerder het betaalde griffierecht van € 360,00 aan eiseressen vergoedt. 2.4 De rechtbank zal hierna de in beroep door eiseressen aangevoerde gronden inhoudelijk beoordelen. De rechtbank merkt daarbij het oorspronkelijke besluit op bezwaar, zoals bekrachtigd bij het bekrachtigingsbesluit, aan als het in beroep bestreden besluit. Ter beoordeling staat of verweerder daarbij het verkeersbesluit in stand mocht laten. Wie zijn eiseressen?
- Hoorne Vastgoed B.V. is eigenaar van het pand aan het Kennemerplein 21 te IJmuiden. In dit pand exploiteert Vomar Voordeelmarkt B.V. een supermarkt. Het verkeersbesluit
- Van eind 2019 tot en met begin 2020 is op verzoek van een meerderheid van winkeliers aan de Kennemerlaan in IJmuiden een proef met een blauwe zone gedaan. Verweerder heeft aan deze proef medewerking verleend, omdat in het vigerend parkeerbeleid en de mobiliteitsagenda staat dat de parkeergelegenheid in winkelgebied in principe bestemd moet worden voor kort parkeren. De beproefde blauwe zone liep van Kennemerlaan 120 tot de Snelliusstraat in IJmuiden. De proef is geëvalueerd door middel van parkeertellingen, een bewoners-enquête en een winkelbezoekers-enquête. In een klankbordgroep met daarin een vertegenwoordiging van verweerder, wijkplatform IJmuiden-Noord, winkeliers van de Kennemerlaan (inclusief Vomar Voordeelmarkt B.V.) en bewoners zijn de resultaten van de parkeertellingen en de enquêtes besproken. Vervolgens is onder leiding van een onafhankelijk voorzitter geprobeerd te komen tot een definitieve breed gedragen variant voor de invoering van een blauwe zone. Een compromis voor een definitieve variant is echter niet bereikt. Verweerder heeft daarom op basis van evaluatie van de proef een variant voor vrijgave voor inspraak bepaald. De variant met een blauwe zone tussen Kennemerlaan 120 en Grahamstraat is vrijgegeven voor inspraak en ter inzage gelegd van 2 maart 2021 tot en met 13 april
- Als gevolg van de inspraak is het parkeerterrein ten noorden van de supermarkt op het Kennemerplein aan de definitieve variant voor de blauwe zone toegevoegd, omdat dat al intensief werd gebruikt door supermarktbezoekers en ook daarvoor is bedoeld. Daarnaast is de blauwe zone ingekort van de Grahamstraat tot aan de Edisonstraat, omdat zich daarbuiten vooral restaurants bevinden waarvoor een blauwe zone nauwelijks meerwaarde heeft.
- Op 3 juni 2021 is het verkeersbesluit met de publicatie in de Staatscourant in werking getreden. Op 8 juli 2021 hebben eiseressen bezwaar gemaakt, waarna zij twee notities van ir. [naam 2] (hierna: [naam 2] ), gedateerd op 20 juli 2021 en 31 augustus 2021, bij verweerder hebben ingediend. Hierop heeft verweerder op 8 september 2021 gereageerd, waarna [naam 2] op 10 september 2021 daarop heeft gereageerd.
- Op 2 september 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Hierna is het bestreden besluit genomen.
- Eiseressen zijn het niet eens met het verkeersbesluit, omdat zij vinden dat ook het parkeerterrein aan de oostzijde van de supermarkt deel moet uitmaken van de blauwe zone. Verweerder ziet daarvoor geen aanleiding, omdat hij verwacht dat ook zonder aanwijzing van dat terrein als deel van de blauwe zone voldoende parkeerplekken beschikbaar zullen zijn voor winkelbezoekers. Juridisch kader
- Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen komt een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Daarbij geldt dat het bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Beoordeling van de beroepsgronden 9.
- Eiseressen stellen zich op het standpunt dat de parkeertellingen waarop het verkeersbesluit is gebaseerd niet deugdelijk zijn verricht. De parkeertellingen geven geen representatief beeld van de werkelijke parkeerdruk. Die parkeertellingen zijn namelijk niet uitgevoerd op de juiste (piek)momenten, maar op toevallige rustige momenten. Daarbij komt dat tijdens die parkeertellingen het parkeerterrein aan de noordzijde van de supermarkt niet was ingericht als blauwe zone, waardoor langparkeerders hun auto’s ook veelal op het parkeerterrein aan de noordzijde van de supermarkt plaatsten. Echter, nu aan de noordzijde het parkeerterrein als blauwe zone is aangewezen, geldt dat de langparkeerders die daar stonden zich verplaatsen naar het parkeerterrein aan de oostzijde van de supermarkt, waardoor dit parkeerterrein nog drukker wordt. Deze gevolgen zijn niet meegenomen in de parkeertellingen, aldus eiseressen. Daarbij is ook van belang dat de parkeerplaatsen op de noordelijke helft van het oostelijke parkeerterrein als eerste bezet zullen zijn. De op de zuidelijke helft van het oostelijke parkeerterrein gelegen plaatsen liggen veel verder weg van de noordelijk gelegen ingang en zijn te ver voor het winkelend publiek dat met boodschappen naar zijn auto moet. Daarom is ook het parkeerterrein aan de zuidelijk gelegen achterkant van de supermarkt geen alternatief. Verweerder is ten onrechte eraan voorbijgegaan dat volgens het gemeentelijk beleid winkelbezoekers dicht bij de winkelvoorzieningen moeten kunnen parkeren. 9.2 Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat wel op representatieve momenten is geteld en dat uit de parkeertellingen tijdens de proef bleek dat de parkeerdruk aan de oostzijde laag was, namelijk bestaande uit een gemiddelde bezetting van 60%. De verschuiving van de langparkeerders tijdens winkeltijden aan de noordzijde zorgt er volgens verweerder daarom niet voor dat de parkeerdruk aan de oostzijde zo hoog wordt dat het invoeren van een blauwe zone daar is vereist. Bovendien kan winkelend publiek ook uitwijken naar het parkeerterrein aan de achterzijde van de supermarkt. 9.3 De rechtbank stelt vast dat tijdens de proef met de blauwe zone er op 6 verschillende dagen gedurende winkeltijden is geteld, ook op dagen waarvan aannemelijk is dat het drukke dagen zijn. Er is immers zelfs geteld op de twee werkdagen voor de kerst. Gelet op het belang om de situatie gedurende winkeltijden in kaart te brengen, ziet de rechtbank, anders dan eiseressen, niet in dat verweerder rekening had moeten houden met langparkeerders die hun auto van de avond tot in de vroege ochtend geparkeerd laten staan. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiseressen onderzoek hebben laten verrichten door [naam 2] en dat de bevindingen uit zijn onderzoek vergelijkbaar zijn met het onderzoek dat verweerder heeft verricht. Verweerder erkent dat tijdens de proef het parkeerterrein aan de noordzijde van de supermarkt niet was ingericht als blauwe zone, maar verwacht gezien de bezettingsgraad van 60% dat het parkeerterrein ten oosten van de supermarkt voldoende parkeerplekken zal behouden om kortparkeerders op te vangen die niet aan de noordzijde kunnen parkeren. De rechtbank constateert dat dit ook aansluit bij het onderzoek dat eiseressen hebben laten verrichten. Tijdens het daarin onderzochte piekmoment bevatte het oostelijke parkeerterrein voldoende vrije plekken om toen op het noordelijke parkeerterrein geparkeerde auto’s van langparkeerders op te vangen. De rechtbank ziet dan ook geen reden waarom verweerder de parkeertellingen niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het verkeersbesluit. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat verweerder de vinger aan de pols heeft gehouden door tellingen te verrichten in de maanden februari, mei en juni van het jaar 2022, dat wil zeggen na invoering van de definitieve blauwe zone. Die tellingen tonen aan dat de parkeerdruk, na invoering van de blauwe zone aan de noordzijde, nog steeds laag ligt aan de oostzijde van de supermarkt. De hoogst waargenomen parkeerbezetting was 62%. Dat de langparkeerders aan de oostzijde voor grote druk zorgen op de parkeergelegenheid volgt dus niet uit de evaluatie. De rechtbank heeft verder ter zitting vastgesteld dat niet in geschil is dat de verst van de ingang van de supermarkt gelegen parkeerplaatsen op het oostelijke parkeerterrein op ongeveer 82 meter afstand van de ingang liggen. Dit is minder dan de maximaal acceptabele loopafstand van 100 meter waarvan [naam 2] in zijn notitie van 10 september 2021 uitgaat. In het licht daarvan mocht verweerder het gehele parkeerterrein aan de oostzijde van de supermarkt als volwaardige optie voor winkelbezoekers van de supermarkt beschouwen. Daarmee is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor winkelbezoekers, zelfs als het parkeerterrein aan de achterkant van de supermarkt op een onaanvaardbare loopafstand van de ingang zou liggen, daargelaten of dat zo is. Gelet hierop is er geen strijd met het gemeentelijk beleid, zoals neergelegd in artikel 4, onder a, van het Parkeerbeleidsplan kadernota
- Daarin staat dat de parkeercapaciteit dicht bij de winkelvoorzieningen in principe wordt bestemd voor kortparkerende winkelbezoekers. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, volgt hieruit geen recht om zo dicht mogelijk bij de ingang van de supermarkt te kunnen staan. De beroepsgronden slagen niet. Conclusie
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen.
- Het beroep is ongegrond.
- Zoals hiervoor onder 2.2 en 2.3 is overwogen, is er desalniettemin aanleiding voor een proceskostenveroordeling en een vergoeding van het griffierecht. Beslissing De rechtbank in de zaak met zaaknummer 22/1047: - gelast de griffier het betaalde griffierecht van € 365,00 terug te betalen aan eiseressen. De rechtbank in de zaak met zaaknummer 21/6442: - verklaart het beroep ongegrond, - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,00 aan eiseressen te vergoeden, - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.518,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaaknummer HAA 21/
- Zaaknummer HAA 22/
- Algemene wet bestuursrecht. Staatscourant 2021 nr.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
- Wegenverkeerswet 1994.