RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9858947 \ CV EXPL 22-2671 Uitspraakdatum: 5 oktober 2022 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidEnergiewacht B.V., krachtens juridische fusie rechtsopvolgster onder algemene titel Energiewacht N.V. gevestigd te Zwolle de eisende partij gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V. tegen [gedaagde] wonende in [woonplaats] de gedaagde partij niet verschenen 1De verdere procedure 1.1. Bij tussenvonnis 20 juli 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 17 augustus 2022 heeft gedaan. 2De verdere beoordeling 2.1. De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen. 2.2. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. De overeenkomst is gesloten buiten de verkoopruimte. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, h, i, j, o en p en 6:230t lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677). De precontractuele informatieplichten 2.3. De eisende partij heeft in de dagvaarding gesteld dat zij heeft voldaan aan de hiervoor genoemde precontractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230t lid 1 BW. Zij heeft ter onderbouwing de overeenkomst en de algemene voorwaarden voorzien van een toelichting overgelegd. 2.4. Voor wat betreft de wijze van betaling (artikel 6:230m lid 1 onder g BW) verwijst de eisende partij in haar toelichting naar haar algemene voorwaarden. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 februari 2022 (ECLI:EU:C:2022:112) mag de in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde informatie worden opgenomen in de algemene voorwaarden. De consument moet in dat geval echter wel voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst concreet worden gewezen op het bestaan van die informatie in de algemene voorwaarden en het artikel waarin die informatie te vinden is. De eisende partij heeft in dit geval niet gesteld dat zij de gedaagde partij vóór het sluiten van de overeenkomst heeft gewezen op het bestaan van die informatie in haar algemene voorwaarden en het betreffende artikel en daarvan is ook niet gebleken. 2.5. De eisende partij stelt weliswaar dat de gedaagde partij in de overeenkomst op het herroepingsrecht (artikel 6:230m lid 1 onder h BW) wordt gewezen, maar in de door haar overgelegde overeenkomst ontbreekt deze informatie. 2.6. Voor wat betreft de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230t lid 1 BW overweegt de kantonrechter dat dit artikel vereist dat de eisende partij de in artikel 6:230m lid 1 genoemde informatie in duidelijke en begrijpelijke taal en in leesbare vorm op een duurzame gegevensdrager verstrekt. Hoewel de overeenkomst kwalificeert als een duurzame gegevensdrager bevat dit stuk niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. Informatie over de wijze van betaling en het herroepingsrecht ontbreekt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat niet is voldaan aan artikel 6:230t lid 1 BW. De contractuele informatieplicht 2.7. Voor wat betreft de contractuele informatieplicht (artikel 6:230t lid 2 BW) heeft de eisende partij voldoende gesteld en onderbouwd dat deze is nagekomen. Welke sanctie hoort hierbij? 2.8. De schending van het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, doch met ten hoogste twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Nu deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomst heeft willen herroepen, zal de kantonrechter aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie verbinden. 2.9. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. 2.10. In deze zaak heeft de eisende partij de essentiële precontractuele informatieplicht(
- en)zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder g en h en 6:230t lid 1 BW geschonden. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde huurprijs. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan de artikelen 6:193b, 6:193d, 6:193f en 6:193j BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is. 2.11. De facturen van 3 april 2018, 3 juli 2018, 2 oktober 2018 en 10 januari 2019 bedragen samen (inclusief btw) € 344,88. Gelet op het voorgaande zal van deze facturen een bedrag van € 285,66 (€ 344,88 x 0.75) worden toegewezen. Schadevergoeding 2.12. Vervolgens dient de vordering tot schadevergoeding beoordeeld te worden. Met betrekking tot deze vordering doet de eisende partij primair een beroep op artikel 12.5 van haar algemene voorwaarden. 2.13. De eisende partij heeft zich, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, uitgelaten over de (on)eerlijkheid van voornoemd beding. 2.14. In de akte heeft de eisende partij gesteld dat dit beding geen onevenredig hoge schadevergoeding oplegt als bedoeld in de indicatieve lijst van de Richtlijn 93/13 EG. De eisende partij vordert de door haar geleden schade, bestaande uit de maandelijks verschuldigde huurprijs (minus service- en materiaalvervangingskosten) maal het aantal resterende maanden van de overeenkomst. De schadevergoeding omvat de gemaakte kosten van de eisende partij en de gederfde winst met betrekking tot de overeenkomst die de eisende partij nu misloopt wegens de tekortkoming door de gedaagde partij. Volgens de eisende partij is het redelijk om ook de door haar verwachte winst als schadevergoeding te vorderen omdat zij haar bedrijfsvoering afstemt op de door haar te ontvangen gelden. 2.15. De kantonrechter volgt deze stelling niet. De eisende partij heeft onvoldoende toegelicht welk nadeel zij leidt doordat de overeenkomst voortijdig is ontbonden. Zij heeft immers niet vermeld welk deel van de huurprijs bestaat uit de door haar te maken kosten en wat die kosten zijn en welk deel bestaat uit winst. Mede gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat het in rekening brengen van de gehele maandelijks verschuldigde huurprijs voor de resterende 117 maanden terwijl de overeenkomst al na 27 maanden is ontbonden, niet in redelijke verhouding staat tot het vermeende nadeel dat de eisende partij leidt. De toepassing van artikel 12.5 van de algemene voorwaarden leidt in de gegeven omstandigheden dan ook tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Gelet op het bovenstaande wordt het beding als oneerlijk aangemerkt. Het beding kan dus geen grondslag vormen voor de gevorderde schadevergoeding. 2.16. De eisende partij vordert subsidiair schadevergoeding berekend aan de hand van de verkoopprijs van de door de gedaagde partij gehuurde cv-ketel. Uit productie 8 bij dagvaarding blijkt dat de CV-/combiketel REMEHA type Tzerra M Plus 39c CW5 in 2016 bij het aangaan van de overeenkomst een verkoopwaarde had van € 1.285,00. De overeenkomst is als gevolg van de tekortkoming in de nakoming 117 maanden voor het einde van de overeenkomst ontbonden. Om de koopprijs te voldoen binnen de totale looptijd van de overeenkomst zou de gedaagde partij € 8,92 per maand moeten betalen (€ 1.285,00 : 144 (totale looptijd) = € 8,92). De geleden schade bedraagt derhalve 117 maanden x € 8,92= € 1.043,61, aldus de eisende partij. Deze vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Conclusie 2.17. Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 1.329,27 (€ 285,66 + € 1.043,61) toewijsbaar. 2.18. De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 199,39. 2.19. De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding. 2.20. De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de te nemen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte op te stellen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.528,66, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.329,27 vanaf 14 april 2022 tot aan de dag van de gehele betaling; 3.2. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: € 107,22 wegens dagvaardingskosten, € 365,00 wegens griffierecht en € 187,00 wegens salaris gemachtigde; 3.3. verklaart de veroordeling(
- en)in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter