RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9611887 \ CV EXPL 21-8945 Uitspraakdatum: 12 oktober 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] wonende te [plaats 1] eiser verder te noemen: [eiser] gemachtigde: P. de Ruijter tegen [gedaagde] wonende te [plaats 2] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] gemachtigde: M. Hoogenboom 1Het procesverloop 1.
- [eiser] heeft bij dagvaarding van 28 december 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- Op 13 september 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. 2De feiten 2.
- Op 22 juli 2021 is tussen partijen een overeenkomst gesloten waarbij [eiser] als tussenpersoon zou optreden met betrekking tot de verkoop van de recreatiewoning van [gedaagde]. 2.
- [gedaagde] heeft daartoe een machtiging aan [eiser] verstrekt. 2.
- Op 17 augustus 2021 heeft [gedaagde] de machtiging ingetrokken. 2.
- [eiser] heeft [gedaagde] op 18 augustus 2021 een rekening gezonden, welke rekening [gedaagde] niet heeft betaald. 3De vordering 3.
- [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 1.944,10 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2021, € 352,86 aan buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de proceskosten en de nakosten. 3.
- [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [eiser] heeft werkzaamheden verricht voor [gedaagde], maar [gedaagde] komt haar betalingsverplichting niet na. 4Het verweer 4.
- [gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk). Zij voert aan – samengevat – dat voor de vordering van [eiser] geen grondslag bestaat. Er bestond geen overeenkomst dat courtage verschuldigd zou zijn als de bungalow niet verkocht zou worden, geen succesvolle bemiddeling door [eiser] plaatsvond of bij intrekking van de machtiging. Courtage is een resultaatbeloning. Hier was geen resultaat. 5De beoordeling 5.
- Tussen partijen is niet in geschil dat zij op 22 juli 2021 een bemiddelingsovereenkomst hebben gesloten. De vraag die beantwoord moet worden is of [gedaagde] uit hoofde van die overeenkomst een bedrag aan [eiser] is verschuldigd. 5.
- Volgens artikel 7:426 BW heeft de opdrachtnemer recht op loon zodra door zijn bemiddeling een overeenkomst tussen de opdrachtgever en de derde tot stand is gekomen. Nu [gedaagde] de opdracht heeft ingetrokken, is de vraag of er ook in dat geval een bedrag verschuldigd is. In het e-mailbericht van 22 juli 2021 van [eiser] aan [gedaagde], waarin de overeenkomst tussen partijen wordt bevestigd, staat “Ik ga als privé persoon jouw tussenpersoon zijn teneinde de recreatiebungalow [adres] te verkopen’. Hieruit volgt dat alleen in geval van verkoop van de recreatiebungalow blijkbaar courtage is verschuldigd. Omdat verder niet is gesteld of gebleken dat partijen hier bij het sluiten van de overeenkomst of daarna andersluidende afspraken over hebben gemaakt, dient dit als uitgangspunt te worden genomen. 5.
- [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ook recht heeft op (afkoop) courtage voor de werkzaamheden die hij voor [gedaagde] heeft verricht. Uit de tekst van de door hemzelf opgestelde e-mail volgt dit evenwel niet, terwijl een dergelijke aanspraak ook niet volgt uit de wet. Dit betoog wordt daarom verworpen. 5.
- Het door [eiser] gevorderde bedrag ziet deels op door hem ten behoeve van de verkoop van de recreatiewoning van [gedaagde] gemaakte (on)kosten. [gedaagde] heeft betwist deze kosten verschuldigd te zijn, omdat [eiser] daarvan geen facturen heeft overgelegd en zij deze kosten daarom niet kan verifiëren. De kantonrechter zal de kosten om diezelfde reden, namelijk omdat deze onvoldoende onderbouwd zijn met stukken, afwijzen. 5.
- Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiser] tot betaling van € 1.944,10 aan hoofdsom wordt afgewezen. Dat betekent dat ook de vorderingen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de rente worden afgewezen. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt. Artikel 238 lid 2 Rv bepaalt dat de in het gelijk gestelde partij, die met een gemachtigde procedeert, recht heeft op een bedrag voor salaris van die gemachtigde. De wet specificeert niet wie als gemachtigde in de zin van deze bepaling geldt. Als regel vallen daaronder professionele gemachtigden, die hun werkzaamheden bij de rechtzoekende in rekening brengen. Omdat Hoogenboom zich, in zijn hoedanigheid als zoon, als gemachtigde voor [gedaagde] heeft gesteld, en dus niet als professionele gemachtigde, heeft [gedaagde] in dit geval geen recht op salaris gemachtigde. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- wijst de vordering af; 6.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter