RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 22/1107 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit Purmerend, eiser (gemachtigde: mr. E.H.J. aan de Stegge), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: [verweerder]). Procesverloop Eiser ontving een WIA-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-80%. Eiser heeft zich op 24 september 2019 bij verweerder gemeld met een toename van zijn klachten. In het besluit van 2 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 3 april 2020 vastgesteld op minder dan 35%. De uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen (Wet WIA) wordt daarom per 3 juni 2020 beëindigd. In het besluit van 19 juni 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dat besluit in haar uitspraak van 11 juni 2021 vernietigd (20/3409). In het besluit van 20 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard. De WIA-uitkering wordt per 3 juni 2020 ongewijzigd voortgezet (berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 43,73%). Met ingang van 1 maart 2022 wordt eiser 35,11% arbeidsongeschikt geacht. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die via een beeldverbinding heeft deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Totstandkoming van het bestreden besluit 1.1 Eiser was werkzaam als filiaalmanager bij een bank. Op 29 juni 2009 is hij van zijn werkzaamheden uitgevallen door ziekte. Hij ontving vanaf 27 juni 2011 een WIA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 december 2016 berekend op 43,63%. Eiser heeft daartegen bezwaar en beroep ingesteld. In beroep heeft eiser rapportages overgelegd van psychiater [naam 1] en bedrijfsarts [naam 2] . De rechtbank heeft een deskundige (psychiater [naam 3] ) benoemd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de door de psychiater uitgebrachte rapportage de functionelemogelijkhedenlijst (FML) op 14 december 2018 aangepast. Dat leidde echter niet tot een wijziging van de berekende mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft de uitspraak van de rechtbank in zijn uitspraak van 4 november 2020 bevestigd. 1.2 Intussen had eiser zich op 24 september 2019 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met lichamelijke klachten. Volgens eiser is bij hem in september 2018 artrose vastgesteld. Als gevolg hiervan is er een toename van de lichamelijke klachten. Het gaat dan om pijn bij lang staan en zitten. De verzekeringsarts heeft eiser op het spreekuur van 4 maart 2020 gezien en heeft vastgesteld dat inderdaad sprake is van toegenomen (lichamelijke) beperkingen. De verzekeringsarts heeft een FML vastgesteld. Daarin zijn ten opzichte van de vorige beoordeling (forsere) beperkingen opgenomen met betrekking tot onder andere zitten en staan. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de aangepaste FML berekend op minder dan 35%. Dat leidt tot het primaire besluit en beëindiging van de WIA-uitkering 1.3 De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het bezwaar, de medische informatie en de bevindingen tijdens het spreekuur op 17 november 2021 de FML enigszins aangepast (onder meer in verband met de gehoorproblemen van eiser). Ook zijn er nog meer beperkingen opgenomen in de rubrieken 3 (fysieke omgevingseisen), 4 (dynamische handelingen) en 5 (statische houdingen). 1.4 De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de primair geduide functies niet meer geschikt zijn door de aangepaste FML. Wel zijn andere functies te duiden. Op basis van deze nieuw geduide functies berekent de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid op 35,11%. De beoordeling door de rechtbank 2.1 Eiser voert aan dat bezwaren bestonden tegen de voorgenomen beslissing op bezwaar, maar dat hij geen recht heeft gehad op inzage in het voornemen. 2.2 De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een ‘voornemen wijziging beslissing’ van 24 december 2021 bevindt, gericht aan gemachtigde van eiser, waarbij de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar gevoegd is. Het standpunt dat eiser geen recht zou hebben gehad op inzage volgt de rechtbank daarom niet. 3.1 Eiser betwist dat verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgelegd en gaat er vooralsnog vanuit dat ten onrechte is vastgelegd dat hij per 1 maart 2022 slechts voor 35,11% arbeidsongeschikt is. Verder is volgens eiser sprake van onzorgvuldig geneeskundig onderzoek, waarbij de duur en de ernst van de klachten worden onderschat. In de aanvullende gronden van 26 augustus 2022 wijst eiser op de contra-expertise van [naam 2] van 9 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.