RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 9487233 \ CV EXPL 21-5030 Uitspraakdatum: 26 oktober 2022 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] wonende te [plaats] de eisende partij gemachtigde: mr. H.G.M. Bouwhuis tegen 1 [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] beiden wonende te [plaats] de gedaagde partijen niet verschenen 1De verdere procedure 1.1. Bij tussenvonnis van 6 juli 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten. Dat heeft zij gedaan bij akte van 3 augustus 2022. 2De verdere beoordeling 2.1. De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen. Achterstallige huurpenningen 2.2. De eisende partij heeft een bedrag van € 1.450,00 gevorderd aan openstaande huur over september 2021. Omdat deze vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de kantonrechter deze toewijzen. Boetebeding 2.3. De kantonrechter heeft de eisende partij in haar tussenvonnis opgedragen om aan te geven waarom zij van mening is dat het boetebeding waarop zij zich beroept niet als onredelijk bezwarend dient te worden aangemerkt. 2.4. De eisende partij heeft gesteld dat het boetebeding niet onredelijk bezwarend is omdat de boete is gemaximeerd tot een bedrag van € 4.000,00. In deze maximalisatie ligt volgens de eisende partij de redelijkheid en billijkheid besloten. De gedaagde partijen hebben willens en wetens de huurachterstand van september 2021 in stand gehouden en daarmee een hogere boete geaccepteerd, aldus de eisende partij. 2.5. De kantonrechter overweegt als volgt. De gevorderde boete voor één maand huurachterstand bedraagt € 600,00, toenemend met € 20,00 per dag dat de huurachterstand niet wordt voldaan. De gevorderde boete bedraagt 40% van de maandhuur en kan oplopen tot ruim 2,5 keer de maandhuur. Dit staat niet in verhouding tot de door de eisende partij geleden schade. Op basis van het bovenstaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat artikel 11.1a van de huurovereenkomst als een oneerlijk beding dient te worden aangemerkt. Dit betekent dat het beding buiten toepassing moet blijven, wat tot gevolg heeft dat de door de eisende partij gevorderde boete wordt afgewezen. 2.6. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling dat de gedaagde partijen de huurachterstand willens en wetens in stand houden en daarmee een hoge(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.