← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:9427

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9363750 \ CV EXPL 21-5103 Uitspraakdatum: 10 augustus 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de besloten vennootschap Lecc Exploitatie De Horn B.V. gevestigd te Tuitjenhorn, gemeente Schagen eiseres in conventieverweerster in reconventie verder te noemen: Lecc gemachtigde: gerechtsdeurwaarder K.W.A. van der Meer tegen 1 [gedaagde 1]

  1. [gedaagde 2] beiden wonende te [plaats] gedaagden in conventieeisers in reconventie verder te noemen: [gedaagde 1] c.s. procederend in persoon 1Het (verdere) procesverloop 1.
  2. Bij tussenvonnis van 22 december 2021 heeft de kantonrechter Lecc in de gelegenheid gesteld een akte te nemen om gemotiveerd toe te lichten welke bedragen aan rente en hoofdsom nog verschuldigd zijn na de (deel-)betalingen door [gedaagde 1] c.s. op 29 maart 2016 en 28 december
  3. 1.
  4. Op 2 februari 2022 heeft Lecc een akte ingediend, waarbij ook de eis is verminderd. [gedaagde 1] c.s. heeft bij antwoord akte gereageerd. 1.
  5. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De akte van Lecc en het antwoord van [gedaagde 1] c.s. 2.
  6. Lecc heeft in haar akte van 2 februari 2022 met berekeningen toegelicht dat de verschuldigde hoofdsom thans € 669,35 bedraagt en de verschuldigde rente tot het moment van dagvaarden € 63,
  7. Verder heeft Lecc haar eis verminderd met de vordering van € 641,47 aan buitengerechtelijke incassokosten, omdat Lecc tot het inzicht is gekomen dat de betalingen die [gedaagde 1] c.s. in 2016 heeft gedaan ten onrechte niet waren meegenomen in de veertiendagen-brief van 20 februari
  8. 2.
  9. [gedaagde 1] c.s. heeft zich bij antwoord akte op het standpunt gesteld dat Lecc geen aanspraak kan maken op de gevorderde rente en op een proceskostenveroordeling. Als Lecc meteen vanaf het begin het juiste openstaande bedrag aan [gedaagde 1] c.s. had gefactureerd, dan had het volgens [gedaagde 1] c.s. namelijk niet tot een rechtszaak hoeven komen. Ten aanzien van de gevorderde rente wijst [gedaagde 1] c.s. er verder op dat Lecc in de berekening niet heeft aangegeven met welk rentepercentage is gerekend.Ten aanzien van de conventionele proceskosten voert [gedaagde 1] c.s. ook nog aan dat deze vordering door het tussenvonnis teniet is gegaan, omdat daarin zou zijn aangegeven dat [gedaagde 1] c.s. een vergoeding krijgt voor gemaakte kosten om bij de rechtszaak aanwezig te zijn. 3De (verdere) beoordeling in conventie en in reconventie 3.
  10. Vanwege de samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld. 3.
  11. De kantonrechter is van oordeel dat Lecc met haar akte voldoende gemotiveerd heeft toegelicht en onderbouwd welke bedragen - na aftrek van de deelbetalingen van [gedaagde 1] c.s. op de wijze als voorgeschreven in artikel 6:43 en 6:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW) - nu nog verschuldigd zijn. De kantonrechter leidt uit de berekeningen af dat er aan hoofdsom nog € 669,35 open staat en dat de rente tot het moment van dagvaarden € 63,29 bedraagt. Nu [gedaagde 1] c.s. verder geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de door Lecc berekende bedragen, zal van de juistheid hiervan worden uitgegaan. 3.
  12. Voor wat betreft de opmerking van [gedaagde 1] c.s. over het rentepercentage waarmee gerekend is, geldt dat uit de berekeningen kan worden afgeleid dat dit de ‘wettelijke rente voor consumententransacties (samengesteld)’ is. Dit is het bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde rentepercentage dat een schuldenaar (in dit geval [gedaagde 1] c.s.) op grond van de wet verschuldigd is aan de schuldeiser (in dit geval Lecc) bij wijze van schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom (artikel 6:119 en 6:120 BW). 3.
  13. Het verweer van [gedaagde 1] c.s. dat geen wettelijke rente verschuldigd is, omdat het aan Lecc zelf te wijten is dat zij een rechtszaak moest starten, slaagt niet. De wettelijke rente zoals die nu (met inachtneming van artikel 6:44 BW) berekend is, betreft rente over de te laat betaalde parkbijdragen. Omdat vaststaat dat [gedaagde 1] c.s. de parkbijdragen over 2012 tot en met 2016 (ruimschoots) te laat (want ver na de in de akte van levering bepaalde betalingstermijn) heeft betaald, is [gedaagde 1] c.s. in verzuim geraakt en is de wettelijke rente verschuldigd (artikel 6:83 sub a en artikel 6:119 BW). Dat [gedaagde 1] c.s. vanwege het juridische geschil tussen partijen over de omvang en indexering van de parkbijdragen gewacht heeft met betalen, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. 3.
  14. Op grond van artikel 6:109 BW is het mogelijk de wettelijke rente te matigen indien volledige toewijzing tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De kantonrechter ziet in het onderhavige geval echter geen aanleiding om te matigen. De kantonrechter is weliswaar met [gedaagde 1] c.s. eens dat Lecc onzorgvuldig heeft gehandeld door in de 14-dagenbrief van 20 februari 2017 en zelfs in de dagvaarding nog aanzienlijke bedragen te vorderen die al (grotendeels) door [gedaagde 1] c.s. waren betaald. Maar deze omstandigheid is onvoldoende om te concluderen dat volledige toewijzing van de wettelijke rente tot ‘kennelijk onaanvaardbare gevolgen’ zal leiden. 3.
  15. De conclusie is daarom dat de kantonrechter de (gewijzigde) vordering van Lecc van € 669,35 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarden tot de dag van gehele betaling, en € 63,29 aan wettelijke rente tot de datum van dagvaarding, zal toewijzen. Vordering in reconventie en proceskosten 3.
  16. De reconventionele vordering van [gedaagde 1] c.s. om Lecc te veroordelen tot vergoeding van reiskosten van € 13,52 en gemiste inkomsten van € 150,- (wegens het opnemen van een vrije dag) om op de (rol-)zitting aanwezig te zijn, betreffen in feite (in conventie) door [gedaagde 1] c.s. gemaakte proceskosten zoals bedoeld in artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze komen slechts voor vergoeding door Lecc in aanmerking, indien Lecc de partij is die in het ongelijk wordt gesteld (artikel 237 lid 1 Rv). Dat is hier niet aan de orde, nu de gewijzigde vordering van Lecc volledig wordt toegewezen. 3.
  17. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval wel aanleiding om de proceskosten te compenseren (in plaats van een proceskostenveroordeling voor [gedaagde 1] c.s.). Deze omstandigheden zijn erin gelegen dat het in de dagvaarding door Lecc gevorderde bedrag van € 2.376,62 grotendeels ongegrond bleek te zijn, doordat Lecc ten onrechte geen rekening had gehouden met al door [gedaagde 1] c.s. verrichte betalingen. Nu de door Lecc gevorderde proceskostenveroordeling niet wordt toegewezen zullen ook de gevorderde nakosten worden afgewezen. 4De beslissing De kantonrechter: 4.
  18. veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, zodat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan Lecc van € 732,64, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 669,35 vanaf 21 juli 2021 tot aan de dag van de gehele betaling; 4.
  19. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 4.
  20. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 4.
  21. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.