RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9375589 \ CV EXPL 21-5253 Uitspraakdatum: 2 november 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiseres] gevestigd te Amsterdam eiseres verder te noemen: [eiseres] gemachtigde: mr.drs. J.J.F.M. Konings tegen [gedaagde] wonende te Aerdenhout gedaagde verder te noemen: [gedaagde] procederend in persoon 1Het procesverloop 1.
- De kantonrechter heeft op 23 februari 2022 een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van de procedure tot 23 februari 2022 wordt naar dit tussenvonnis verwezen. 1.
- [eiseres] heeft haar vordering bij akte van 20 april 2022 nader toegelicht. [gedaagde] heeft hierop bij akte van 18 mei 2022 gereageerd. 2De verdere beoordeling 2.
- De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 23 februari 2022 (hierna verder: het tussenvonnis) is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen. 2.
- De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij met de door haar bij akte gegeven toelichting en onderbouwing voldoende heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten. 2.
- De vraag die beantwoord dient te worden is of [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. Artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijke Wetboek (BW) vereist voor toewijzing van de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten dat [gedaagde] door [eiseres] vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen aanvangende de dag na aanmaning, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling (hierna: de veertiendagenbrief). Een dergelijke aanmaning is aan te merken als een verklaring als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW. Daarom heeft deze aanmaning pas werking indien deze de schuldenaar heeft bereikt. Op [eiseres] rust de bewijslast dat aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW is voldaan. Die bewijslast omvat ook dat en op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief heeft ontvangen. 2.
- De door [eiseres] overgelegde aanmaning van 31 maart 2021 (productie 4 bij dagvaarding) voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Nu [gedaagde] de ontvangst van deze veertiendagenbrief betwist dient [eiseres] feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat die brief door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] daar door [eiseres] kon worden bereikt, en op welke dag de brief daar is aangekomen (HR 25 november 2016 ECLI:NL:HR:2016:2704). [eiseres] heeft in haar conclusie van repliek geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld ten aanzien van de ontvangst van de veertiendagenbrief door [gedaagde], alleen dat zij de ingebrekestelling zowel per post als per e-mail aan [gedaagde] heeft gezonden. De kantonrechter merkt verder nog op dat het adres in de veertiendagenbrief afwijkt van het adres waarop [gedaagde] is gedagvaard. [eiseres] heeft dit verder niet toegelicht. Aldus is niet komen vast te staan dat [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal afwijzen. Gelet hierop behoeven de overige verweren van [gedaagde] geen bespreking meer. 2.
- De proceskosten komen voor rekening van [eiseres], omdat zij ongelijk krijgt. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- wijst de vordering af; 3.
- veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter