← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:9725

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9641906 \ CV EXPL 22-384 (RH) Uitspraakdatum: 12 oktober 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht AirHelp Germany GmbH gevestigd te Berlijn (Duitsland) eiser hierna te noemen: AirHelp gemachtigde: mr. D.E. Lof (Lof Legal Services) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Lot Polish Airlines Polskie Linie Lotnicze “Lot” gevestigd te Warschau (Polen) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: K. Oplocka 1Het procesverloop 1.

  1. AirHelp heeft bij dagvaarding van 14 december 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
  2. AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven, waarbij hij nog verschillende producties heeft overgelegd. Hoewel de AirHelp daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij niet meer gereageerd op de door de vervoerder overgelegde producties. 2De feiten 2.
  3. [betrokkene] (hierna: de passagier) heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier op 13 maart 2020 diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport, via Frederic Chopin Airport, Warschau (Polen), naar Rebiechowo Airport, Gdansk (Polen). 2.
  4. De vlucht van Amsterdam naar Warschau, met vluchtnummer: LO266 (hierna: de vlucht), had als geplande vertrektijd 10:30 uur (lokale tijd) en als geplande aankomsttijd 12:25 uur (lokale tijd). De vlucht heeft vertraging opgelopen, waardoor de passagier de aansluitende vlucht naar Gdansk heeft gemist. De passagier is omgeboekt naar een alternatieve vlucht en is daarmee met een vertraging van 3 uur en 40 minuten aangekomen op de eindbestemming. 2.
  5. De passagier heeft de gepretendeerde vordering middels cessie overgedragen aan AirHelp. 2.
  6. AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.
  7. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.
  8. AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
  9. AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de compensatie te voldoen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,
  10. 4Het verweer 4.
  11. De vervoerder betwist de vordering. Hij voert aan dat de vertraging is veroorzaakt door (doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. 5De beoordeling 5.
  12. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 5.
  13. Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. Dit artikel dient volgens het Hof restrictief te worden uitgelegd omdat het gaat om een afwijking van het beginsel dat passagiers recht hebben op compensatie (Walletin-Hermann C-549/07). 5.
  14. De vraag die thans voorligt is of de vervoerder met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de langdurige vertraging van de passagier op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die hij niet had kunnen vermijden. 5.
  15. De vervoerder voert aan dat voorgaande vlucht (LO265) is vertraagd ten gevolge van ATFM-beperkingen. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de vervoerder het vluchtrapport, het SAM-bericht en de SRM-berichten van vlucht LO265 overgelegd. Uit het SAM-bericht volgt dat de luchtverkeersleiding twee uur voor de geplande vertrektijd een “Calculated Take Off Time” (hierna: CTOT) aan vlucht LO265 heeft opgelegd. Daarna heeft de vervoerder middels SRM-berichten verschillende CTOT’s ontvangen, aldus de vervoerder. Volgens de vervoerder is vlucht LO265 uiteindelijk met de CTOT van 07:48 uur (UTC) om 07:40 uur (UTC) opgestegen. De vertraging van vlucht LO265 had volgens de vervoerder drie redenen, waarvan het merendeel is ontstaan wegens de ATFM-beperkingen met vertragingscode 84, te weten een vertraging van 49 minuten. De vervoerder voert aan dat hij geen invloed heeft op het feit dat een beperking wordt opgelegd, noch op de reden waarom deze wordt opgelegd, noch op de duur ervan. Volgens de vervoerder is hij verplicht deze ATFM-beperkingen in acht te nemen. Ten aanzien van de overige vertraging van de voorgaande vlucht, doet de vervoerder geen beroep op een buitengewone omstandigheid. 5.
  16. AirHelp heeft niet betwist dat aan de voorafgaande vlucht ATFM-beperkingen zijn opgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat de opgelegde CTOT’s als een buitengewone omstandigheid kunnen worden aangemerkt. De vervoerder had immers niet de mogelijkheid om eerder te vertrekken doordat de luchtverkeersleiding een gewijzigde vertrektijd voor het toestel heeft opgelegd. Een luchtvaartmaatschappij is altijd verplicht om een CTOT op te volgen. Niet is gebleken dat de vervoerder zelf om een nieuwe CTOT heeft verzocht. Het besluit van de luchtverkeersleiding is in het onderhavige geval dan ook aan te merken als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. 5.
  17. De kantonrechter dient vervolgens te beoordelen of de buitengewone omstandigheid doorwerkt naar de vlucht in kwestie. De aankomstvertraging van de vlucht bedroeg volgens de vervoerder 1 uur en 9 minuten. AirHelp heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. AirHelp heeft weliswaar gesteld dat de vlucht in kwestie voor de duur van 1 uur en 1 minuut is vertraagd vanwege de late binnenkomst van de voorafgaande vlucht, maar onduidelijk is waarop AirHelp zich hierbij op baseert. AirHelp heeft voorts erkend dat de vlucht in kwestie is vertraagd ten gevolge van de late binnenkomst van de voorafgaande vlucht. Voor de kantonrechter is zodoende komen vast te staan dat de vertraging van de onderhavige vlucht gedeeltelijk - voor de duur van 49 minuten - het directe gevolg is van de vertraging van de voorafgaande vlucht. AirHelp heeft voorts gesteld dat de passagier heeft aangegeven dat volgens de cabin crew een technisch mankement de oorzaak was van de vertraging van de onderhavige vlucht. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, nu de vervoerder ten aanzien van de overige vertraging van de vlucht in kwestie (van 20 minuten) geen beroep doet op een buitengewone omstandigheid. 5.
  18. Gelet op het voorgaande neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat de passagier met een vertraging van 69 minuten om 13:34 (lokale tijd) zijn aangekomen te Warschau. Voorts staat vast dat de aansluitende vlucht naar Gdansk is om 13:20 uur (lokale tijd) vertrokken. Zonder (doorwerking van) de buitengewone omstandigheid van 49 minuten zou de onderhavige vlucht om 12:45 uur (lokale tijd), dus met een vertraging van 20 minuten, te Warschau arriveren. De vervoerder heeft aangevoerd dat de minimum overstaptijd te Warschau 30 minuten bedraagt. Ter onderbouwing hiervan heeft de vervoerder een uitdraai uit het “Amadeus systeem” overgelegd. AirHelp heeft dit niet betwist. Indien er geen buitengewone omstandigheid was opgetreden, dan had de passagier de aansluitende vlucht kunnen halen. Hieruit volgt dan ook dat de uiteindelijke vertraging van de passagier op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. 5.
  19. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging als gevolg van de buitengewone omstandigheid te voorkomen dan wel te beperken. De kantonrechter overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, bedraagt de minimale overstaptijd op de luchthaven van Warschau 30 minuten. Niet in geschil is dat de passagier bij de oorspronkelijke boeking een overstaptijd van 1 uur en 5 minuten had. De kantonrechter acht een buffer van 20 minuten noodzakelijk, hetgeen de vervoerder in acht heeft genomen. Voor zover AirHelp meent dat de vervoerder gehouden is tussen rotatievluchten een buffer aan te houden, houdt dit geen stand. De kantonrechter overweegt in dat verband dat de luchtvaartmaatschappij ingevolge het arrest van het Hof van 12 mei 2011 (Eglitis/Latvijas C-294/10) in een bepaalde reservetijd dient te voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden, maar dat de voorgaande (rotatie)vluchten niet gerekend kunnen worden tot de (volledige) uitvoering van de vlucht zoals bedoeld in voormeld arrest. 5.
  20. Daarnaast is de passagier volgens de vervoerder omgeboekt naar de eerst mogelijke alternatieve vlucht van de luchthaven van Warschau naar de eindbestemming, hetgeen niet door AirHelp is betwist. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. De vordering van AirHelp tot betaling van compensatie wegens vertraging van de vlucht zal dan ook worden afgewezen. 5.
  21. De proceskosten komen voor rekening van AirHelp, omdat deze ongelijk krijgt. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
  22. wijst de vordering af; 6.
  23. veroordeelt AirHelp tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 150,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.