← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2023:1419

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 22/2209 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. P.S. Folsche), en Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigde: mr. F. Hummel-Fekkes). Procesverloop In het besluit van 11 oktober 2021 (het primair besluit) heeft verweerder studiefinanciering toegekend als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) over de periode september tot en met december 2021 en januari tot en met maart

  1. Ten aanzien van overige periodes heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de nationaliteitseis. In het besluit van 10 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard voor zover het betreft de toekenning van studiefinanciering over april tot en met augustus
  2. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door een tolk en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Standpunt verweerder
  3. Hangende beroep heeft verweerder bij besluit van 7 december 2022 studiefinanciering toegekend over de periode september tot en met december 2022 en januari tot en met juni
  4. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hiermee volledig aan het beroep van eiser is tegemoet gekomen nu deze toekenning ook ziet op
  5. Standpunt eiser 2 Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij nu weliswaar recht heeft op studiefinanciering over heel 2022, maar hij heeft nog steeds procesbelang bij het handhaven van zijn beroep omdat hij een oordeel wil over verweerders uitvoeringspraktijk met betrekking tot de beoordeling van het recht op studiefinanciering van migrerende werknemers. Beoordeling rechtbank
  6. Volgens vaste rechtspraak is voor ontvankelijkheid vereist dat er een procesbelang is. Voor de vraag of sprake is van procesbelang is volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. In de enkele wens van eiser om een principiële uitspraak over verweerders uitvoeringspraktijk te verkrijgen is, in het licht van de jurisprudentie van de CRvB, geen procesbelang gelegen. Conclusie De conclusie is dat eiser geen procesbelang heeft. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 februari
  7. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. ECLI:NL:CRVB:2023:269

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.