RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9101978 \ CV EXPL 21-1817 Uitspraakdatum: 1 maart 2023 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [passagier sub 1] , wonende te [woonplaats] ,
- [passagier sub 2] , wonende te [woonplaats] ,
- [passagier sub 3] , wonende te [woonplaats] ,
- [passagier sub 4] , wonende te [woonplaats] ,
- [passagier sub 5] , wonende te [woonplaats] ,
- [passagier sub 6] , wonende te [woonplaats] ,
- [passagier sub 7] ,
- [passagier sub 8] ,
- [passagier sub 9] ,allen wonende te [woonplaats] eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Easyjet Airline Company Limited gevestigd te Cardiff (Verenigd Koninkrijk) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. B. Koolhaas 1Het procesverloop 1.
- De passagiers hebben bij dagvaarding van 22 december 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
- De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Londen Luton Airport (Verenigd Koninkrijk) naar Amsterdam Schiphol Airport met vlucht U2 2161 op 10 maart 2019, hierna: de vlucht. 2.
- De vlucht is geannuleerd. 2.
- De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering en het verweer 3.
- De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2019, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 408,38 dan wel € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 maart 2019 dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00 per passagier. 3.
- De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
- Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Nu gesteld, noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden en dat de (vertraging op de eindbestemming als gevolg van de) annulering, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen, niet voorkomen had kunnen worden. 4.
- De vraag die voorligt is of de vervoerder met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. 4.
- De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat de vlucht is vertraagd wegens slotrestricties afkomstig van de luchtverkeersleiding. Door deze vertraging was het niet langer mogelijk om de vlucht (vertraagd) uit te voeren zonder de nachtsluiting van de luchthaven Schiphol te schenden. De vervoerder had derhalve geen andere optie dan de vlucht in kwestie te annuleren, aldus nog steeds de vervoerder. 4.
- De passagiers stellen daarentegen dat het een operationele keuze van de vervoerder is geweest om de vlucht te annuleren. Volgens de passagiers hadden de gewijzigde slottijden niet tot een annulering hoeven leiden omdat het (ook) na 23:00 uur (lokale tijd) mogelijk was om op Schiphol te landen. Ter onderbouwing hiervan hebben de passagiers als productie 7 bij repliek een schema overgelegd waaruit blijkt dat er meerdere toestellen van de vervoerder op 10 maart 2019 na 23:00 uur lokale tijd (22:00 uur UTC) op Schiphol zijn geland. 4.
- De kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel de vervoerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door slotrestricties (hetgeen in beginsel als een buitengewone omstandigheid kan worden aangemerkt), is het bestaan van een nachtsluiting onvoldoende vast komen te staan. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook onvoldoende gebleken dat de vlucht vanwege de gewijzigde slottijden alleen kon worden geannuleerd en niet alsnog, zij het met vertraging, kon worden uitgevoerd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden faalt. 4.
- Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, worden toegewezen. 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 4.
- De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag (inclusief btw) niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagiers in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kunnen maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.658,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.250,00 vanaf 10 maart 2019 en over € 408,38 vanaf 22 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 103,83;griffierecht € 240,00;salaris gemachtigde € 464,00;vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 116,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter