← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2023:2812

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Sectie Straf Locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Uitlevering Parketnummer: 027842-22 Zittingsdatum: 20 februari 2023 Uitspraakdatum: 6 maart 2023 Tussenuitspraak van de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, aan Noord-Macedonië. 1De relevante schriftelijke stukken 1.1 Het verzoek tot uitlevering De autoriteit van de verzoekende staat heeft aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een gewaarmerkt verzoek, van 19 oktober 2022, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafexecutie (hierna: het uitleveringsverzoek). Blijkens het uitleveringsverzoek is de opgeëiste persoon op 10 januari 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd: - een authentiek afschrift van het in de Engelse taal vertaalde aanhoudingsbevel van 6 mei 2022, afgegeven door [betrokkene 1] van de primary criminal court Skopje; - een authentiek afschrift van het in de Engelse taal vertaalde strafvonnis van 10 januari 2022 dat is gewezen door rechter [buitenlandse rechter] van de primary criminal court Skopje, met daarin een uiteenzetting van de feiten; - een overzicht van de toepasselijke rechtsvoorschriften; - een individual report met kleurenfoto van de opgeëiste persoon. 1.

  1. De overige stukken van het dossier Voorts maken de navolgende stukken deel uit van het dossier: - een proces-verbaal van aanhouding van de opgeëiste persoon van 10 oktober 2022; - een bevel tot inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon van 10 oktober 2022; - een bevel tot bewaring van de opgeëiste persoon van 12 oktober 2022; - een bevel tot voortzetting van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon van 26 oktober 2022; - de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in art. 23, eerste lid van de Uitleveringswet, van 26 oktober 2022; - een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 januari 2023 van de opgeëiste persoon; - de door de officier van justitie ter zitting van 20 februari 2023 overgelegde conclusie, zoals bedoeld in art. 26, tweede lid van de Uitleveringswet; - de door de raadsman ter zitting van 20 februari 2023 overgelegde pleitnotitie. 2Het onderzoek ter zitting 2.1 De behandeling Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 20 februari
  2. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder
  3. genoemde stukken. De opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, en de officier van justitie, mr. H. Tillart, zijn gehoord. 2.
  4. De identiteit van de opgeëiste persoon. Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]) is, dat hij de Noord-Macedonische nationaliteit bezit en dat hij degene is van wie de uitlevering wordt verzocht. 2.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard. 2.4 Standpunt van de raadsman Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat er geen sprake is van dubbele strafbaarheid. Daarnaast is de opgeëiste persoon onvoldoende in de gelegenheid gesteld om zijn verdediging te voeren of om dit alsnog te doen. 3De beoordeling van het verzoek tot uitlevering 3.1 Toepasselijke wetten en verdragen Op het verzoek is naast de Uitleveringswet (hierna ook: UW het Europees Uitleveringsverdrag (hierna ook: EUV) van toepassing. 3.2 Genoegzaamheid van de stukken Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de Minister. Bij het verzoek zijn de in artikel 18 van de Uitleveringswet en artikel 12 van het Uitleveringsverdrag genoemde stukken gevoegd. De stukken zijn dan ook genoegzaam. 3.3 Dubbele strafbaarheid De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet voldaan is aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid, omdat het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, niet ook naar Nederlands recht strafbaar is. Ingevolge artikel 5, eerste lid, UW kan de uitlevering alleen worden toegestaan, als de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van vier maanden of langer wegens een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd. De rechtbank merkt op dat het daarbij niet gaat om de vraag of sprake is van (precies) overeenkomende strafbaarstellingen en/of kwalificaties; het gaat erom of de verweten gedraging in beide landen onder enige noemer een strafbaar feit oplevert en/of de delictsomschrijvingen in de kern hetzelfde rechtsgoed (in ruime zin) beschermen. De opgeëiste persoon is in de verzoekende staat veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren voor aggravated theft. Deze gevangenisstraf is in zijn geheel nog niet ondergaan door de opgeëiste persoon. Naar Nederlands recht is dit feit - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar gesteld onder artikel 45, 310 en/of 311 van het Wetboek van Strafrecht, en bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is van dubbele strafbaarheid. 3.4 Schending van fundamentele mensenrechten Door de raadsman is aangevoerd dat de opgeëiste persoon door de autoriteiten van Noord-Macedonië onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn verdediging te voeren. De rechtbank begrijpt dat de raadsman hiermee wil aanvoeren dat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces). De rechtbank overweegt daarover het volgende. Uit de stukken blijkt dat het vonnis is gewezen nadat een zitting (“public hearing”) op 10 januari 2022 heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de officier van justitie en de advocaat van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon was niet aanwezig en zijn advocaat, zo begrijpt de rechtbank, is ambtshalve toegewezen door de rechtbank. Verder begrijpt de rechtbank uit het vonnis dat bekend was dat de opgeëiste persoon in Nederland werkte en verbleef en dat hij was geregistreerd op zijn adres in Skopje, waar hij niet beschikbaar (“available”) was voor de autoriteiten. Ook blijkt uit het vonnis dat de toegewezen advocaat verklaarde dat zij niet in staat was de verdediging te voeren, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig was. De termijn om hoger beroep in te stellen bedraagt, zo blijkt uit het vonnis, acht dagen na ontvangst van het vonnis. Het vonnis is aan de toegewezen advocaat uitgereikt en aan de opgeëiste persoon “on bulletin board of the court”. Uit de stukken blijkt verder dat het vonnis op 28 februari 2022 onherroepelijk is geworden. Artikel 5, derde lid, UW bepaalt dat uitlevering ter executie van een bij verstek opgelegde straf alleen kan worden toegestaan, indien de opgeeiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gestelde om zijn verdediging te voeren. Er is in deze sprake van een imperatieve weigeringsgrond. Weigering tot uitlevering is dan slechts mogelijk op basis van schending van artikel 6, derde lid sub c EVRM, waarbij Nederland en Noord-Macedonië beide partij zijn. Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Tweede Aanvullend Protocol EUV (hierna: Protocol) kan uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis weliswaar worden geweigerd, doch niet indien de verzoekende staat "een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd". Het gaat hier om een door de uitleveringsrechter te beoordelen weigeringsgrond. Indien naar het oordeel van de uitleveringsrechter de door de verzoekende staat gegeven verzekering onvoldoende is, dient hij de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Uit de stukken van het uitleveringsdossier kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon geen contact heeft gehad met zijn advocaat in Noord-Macedonië. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon kennis droeg van de behandeling van de strafzaak in Noord-Macedonië, en evenmin van zijn veroordeling bij verstek en de mogelijkheid om een rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van de stukken die nu in het dossier zitten, niet vast dat de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat thans nog niet kan worden beslist op het uitleveringsverzoek, omdat niet duidelijk is of de opgeëiste persoon in de gelegenheid is geweest om de verdediging te voeren dan wel of de rechten van de verdediging als bedoeld in artikel 3 van het Protocol in acht zijn genomen. De rechtbank heeft behoefte aan nadere informatie van de autoriteiten van Noord-Macedonië en zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen met opdracht aan de officier van justitie om na te noemen nadere informatie bij de autoriteiten van Noord-Macedonië in te winnen. 5De beslissing. De rechtbank: Heropent het onderzoek in deze zaak en schorst het voor onbepaalde tijd met opdracht aan de officier van justitie om informatie te verstrekken van de autoriteiten van Noord-Macedonië inhoudende: - of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting; - of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de uitspraak en de mogelijkheid om daartegen een rechtsmiddel in te stellen; dan wel: - of de autoriteiten van Noord-Macedonië de verzekering geven als bedoeld in artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering.
  5. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter, mr. E.C. Smits en mr. A.R.A.R. Sitaldin, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter en uitgesproken op de openbare zitting van 6 maart 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.