RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknummer : 10279303 \ WM VERZ 23-31 CJIB-nummer : 241827134 Uitspraakdatum : 1 maart 2023 Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in de zaak van [betrokkene] Het verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 21 februari
- Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan. Overwegingen De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken). Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. Ter zitting voert betrokkene aan dat hij een boot in de haven heeft liggen en dat hij enkel via deze weg bij zijn boot kan komen en daarbij een klein stukje over de Dijk moet. Betrokkene stelt dat hij op zijn motor zat en stapvoets reed met beide voeten op de grond. Omdat het een dijk is die op en af loopt is het niet mogelijk om naast de motor te gaan lopen, dan valt de motor om omdat deze te zwaar is, aldus betrokkene. De kantonrechter overweegt dat betrokkene niet ontkent met zijn motorfiets door het voetgangersgebied te hebben gereden. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de betrokkene door al duwend zijn weg te vervolgen de motorfiets heeft bestuurd. De enkele omstandigheid dat degene die zich met behulp van een motorfiets over de weg verplaatst dit doet terwijl de motor niet in werking is gesteld, brengt niet mee dat hij die motorfiets niet bestuurt en niet als bestuurder daarvan in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 kan worden aangemerkt. In de onderhavige zaak was de motor overigens in werking aangezien betrokkene anders de helling van de dijk niet op zou komen. De kantonrechter stelt dan ook vast dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd is verricht en de boete terecht is opgelegd. De omstandigheid dat de betrokkene heeft geprobeerd om rekening te houden met wat het doel van het verbod is, door het voetgangersgebied stapvoets over te steken, is geen omstandigheid die aanleiding geeft de boete te matigen. Betrokkene had een andere keuze moeten maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De uitspraak De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,
- Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk. Datum toezending: Vgl. de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 april 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2022:2618.