RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/5554 (tijdelijke paardenbak) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2023 in de zaak tussen [eiser] ., uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. P.G. Muller), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder (het college), (gemachtigden: mr. A. Braams en B.C. Stuifbergen). Als derde-partij neemt aan het geding deel [vergunninghouder] te [plaats] (de vergunninghouder), (gemachtigde: mr. C.A. Blankenstein). Procesverloop In het besluit van 28 januari 2021 (primair besluit) heeft het college aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een paardenbak voor de duur van twee jaar op het perceel [adres 1] in [plaats] . In het besluit van 14 september 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep was niet alleen ingesteld door [eiser] , maar ook door [naam 1] en [naam 2] . De gemachtigde heeft op 2 december 2022 laten weten dat [naam 3] is overleden, dat diens erfgenamen de procedure niet voortzetten en dat [naam 2] het beroep intrekt. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor het college zijn mr. A. Braams en B.C. Stuifbergen verschenen en voor de vergunninghouder vennoten [naam 4] en [naam 5] en haar gemachtigde. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen. Overwegingen 1. Eiser woont op het adres [adres 2] in [plaats] . Aan de achterkant van zijn woning, aan de andere kant van het spoor, bevindt zich het agrarisch bedrijf van vergunninghouder op het adres [adres 1] in [plaats] . Procesbelang 2.1 De rechtbank heeft allereerst de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het gaat om een omgevingsvergunning voor 2 jaar, die is afgegeven op 28 januari 2021 en ten tijde van deze uitspraak niet meer geldt. Bovendien is op 19 oktober 2021 een omgevingsvergunning verleend voor een permanente paardenbak. 2.2 De gemachtigde van eiser heeft hierover op zitting verklaard dat er nog steeds belang is omdat niet is uit te sluiten dat de omgevingsvergunning voor een permanente paardenbak wordt vernietigd en dat het college dan wellicht wil voortborduren op de tijdelijke omgevingsvergunning. 2.3 Onder verwijzing naar de uitspraak in (onder meer) eisers beroep tegen de omgevingsvergunning voor een permanente paardenbak met zaaknummer HAA21-6448, welk beroep ongegrond is verklaard, is de rechtbank van oordeel dat in de hiervoor genoemde omstandigheden geen belang meer kan zijn gelegen bij beoordeling van eisers beroep tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een tijdelijke paardenbak. 2.4 Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser ook verklaard dat het procesbelang is gelegen in een veroordeling in de proceskosten in de bezwaarprocedure. 2.5 Naar het oordeel van de rechtbank is hierin procesbelang gelegen. Daarom wordt het beroep hierna inhoudelijk beoordeeld. Inhoudelijke beoordeling 3.1. Partijen zijn het met elkaar eens dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is rekening gehouden met de verplaatsing van het bedrijf van vergunninghouder naar het huidige [adres 1] . Daarbij is ook rekening gehouden met realisering van een paardenbak. Om dit mogelijk te maken is een ontheffingsregeling in de zin van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen in artikel 16 van het bestemmingsplan. De op de plankaart ingetekende gebiedsaanduiding ‘wro-zone – ontheffingsgebied’, is per abuis te klein ingetekend met als gevolg dat de paardenbak grotendeels buiten deze zone komt te liggen. Voor dat gedeelte is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. 3.2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, uitvoeren van een werk en strijdig gebruik. Verweerder heeft voor het deel van de paardenbak dat buiten het bouwvlak ligt afgeweken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 2 van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Verder is ook het Wabo Afwijkingenbeleid Velsen 2020 van toepassing. 3.3. Eiser stelt dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die onder 3.2 is omgeschreven. Volgens eiser is het besluit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.