RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 10043946 \ CV EXPL 22-3778 WD Uitspraakdatum: 19 april 2023 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, verder te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. T. Bezmalinovic tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, verder te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. L. Bijl. 1Het procesverloop 1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 3 augustus 2022 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend. 1.2. Op 27 maart 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.Voorafgaande aan de zitting zijn de volgende stukken ingekomen:van de zijde van [eiser] :- de akte overlegging producties tevens wijziging van eis;- de bij brief van 26 januari 2023 overgelegde productie 5;van de zijde van [gedaagde] :- de bij brief van 24 januari 2023 overgelegde productie 15. 2De feiten 2.1. [eiser] exploiteerde tot medio oktober 2017 een houthandel aan [adres 1] te [vestigingsplaats] . Dit pand was in eigendom van Leko Vastgoed B.V. (hierna: Leko). [eiser] had hiertoe met Leko een huurovereenkomst gesloten. 2.2. Partijen hebben op of omstreeks 10 oktober 2017 een schriftelijke huurkoopovereenkomst gesloten waarbij [eiser] zijn onderneming aan [gedaagde] heeft overgedragen tegen betaling van een som van € 200.000,00, te betalen in termijnen.Onderdeel van deze huurkoopovereenkomst was dat [eiser] de bedrijfsruimte waar deze onderneming was gevestigd zou (onder)verhuren aan [gedaagde] . De overeenkomst bevat voorts een bepaling op grond waarvan [eiser] een deel van deze bedrijfsruimte mocht blijven gebruiken. Dit deel van de bedrijfsruimte is bij partijen bekend onder de term: “de hobbyruimte”. 2.3. Op 2 december 2019 heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard en daarbij betaling gevorderd van een bedrag van € 235.856,10. [gedaagde] heeft in die zaak verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld.De door [eiser] uitgebrachte dagvaarding bevat de volgende passages:“18. De waarde van de overgedragen onderneming bedroeg EUR 200.000. [eiser] mocht een deel van het pand blijven gebruiken hetgeen een “huurwaarde” van EUR 79.200 (…) vertegenwoordigde. Of anders gezegd: indien [eiser] het betreffende deel van het pand niet verder zou hebben mogen gebruiken, was de afgesproken waarde voor de overdracht voor de onderneming EUR 279.200. Op dit bedrag dient in mindering te worden gebracht (…)19. Van het schadebedrag van EUR 279.200 dient dus te worden afgetrokken (…) hetgeen neerkomt op EUR 225.856,10.(…)MITSDIEN[eiser] de Rechtbank Noord- Holland, locatie Alkmaar verzoekt om bij vonnis (…) [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen:Ten aanzien van zowel de primaire als de subsidiaire vorderingIn hoofdsom EUR 235.856,10;” 2.4. Bij vonnis van 31 maart 2021 heeft de kantonrechter de vordering van [eiser] toegewezen tot een bedrag van € 166.279,76, te vermeerderen met rente en kosten en voor het overige afgewezen. De tegenvordering van [gedaagde] is in datzelfde vonnis afgewezen.Het vonnis bevat de volgende passages:“ 3. De vordering 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 235.856,10 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente en de kosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering- kort weergegeven - het volgende ten grondslag. [eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten, waarbij [eiser] aan [gedaagde] zijn onderneming heeft verkocht tegen betaling van een bedrag van € 200.000,00, af te betalen in maandelijkse termijnen. [gedaagde] is in gebreke met de voldoening van (meer dan twee van) de overeengekomen termijnbetalingen. Volgens [eiser] is het restant daarom direct en in zijn geheel opeisbaar. [eiser] stelt dat [gedaagde] primair tot nakoming van de overeenkomst is gehouden dan wel dat [gedaagde] , indien nakoming niet meer mogelijk is, is gehouden tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade. Subsidiair, als er van moet worden uitgegaan dat de overeenkomst is ontbonden, maakt [eiser] aanspraak op voldoening van een ongedaanmakingsverbintenis dan wel, indien dat niet meer mogelijk is, op vervangende schadevergoeding. (…) 6. De beoordeling (…) 6.11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] nog steeds geldt. [eiser] beroept zich dan ook terecht op nakoming daarvan. (…) 6.18. Alles overziend is [gedaagde] een bedrag van € 163.866,10 (…) aan [eiser] verschuldigd. Dit bedrag zal worden toegewezen. (…) 7De beslissing (…) 7.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 166.279,76 (…) 7.4. wijst de vordering voor het overige af.” 2.5. Op 25 mei 2022 heeft [eiser] ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd onder de Volksbank N.V., onder de Rabobank U.A. en op een aan [gedaagde] toebehorende onroerende zaak. 3Het geschil de vordering 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 78.736,23. 3.2. [eiser] voert daartoe, kort gezegd, aan dat [eiser] ondanks de in de overeenkomst opgenomen afspraak, de hobbyruimte nooit heeft kunnen gebruiken als gevolg van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] . [eiser] heeft hierdoor een schade geleden ter hoogte van het bedrag € 71.400,00. [gedaagde] is gehouden deze schade aan [eiser] te vergoeden.Daarbij komt dat [gedaagde] in gebreke is met de betaling van de verschuldigde huur. [gedaagde] heeft over drie maanden geen huur betaald. Dit terwijl [eiser] vanwege de met Leko gesloten huurovereenkomst over deze maanden de huursom wel aan Leko heeft betaald. Het alsnog door [gedaagde] te betalen bedrag is € 7.336,23. 3.3. [gedaagde] voert verweer.de tegenvordering 3.4. [gedaagde] vordert dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt tot het opheffen van de door [woonplaats 2] gelegde conservatoire beslagen. 3.5. [eiser] voert verweer 4De beoordeling de vordering en de tegenvordering 4.1. De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4.2. De vordering van [eiser] valt uiteen in twee onderdelen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.