← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2023:3548

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 10426407 \ CV EXPL 23-1932 Uitspraakdatum: 19 april 2023 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht Coeo Securitisation Ltd. gevestigd te Dublin, Ierland de eisende partij gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. gerechtsdeurwaarders tegen [gedaagde] wonende te [plaats] de gedaagde partij niet verschenen 1De procedure 1.

  1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend. 2De beoordeling 2.
  2. De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 233,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 236,
  3. Daarnaast vordert zij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten. 2.
  4. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, h, i, j, o en p en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677). De precontractuele informatieplichten 2.
  5. De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW. 2.
  6. De in artikel 6:230m lid 1, onder a, e, o en p BW genoemde informatie dient op een duidelijke en in het oog springende manier en onmiddellijk voordat de consument zijn bestelling plaatst te worden verstrekt (artikel 6:230v lid 2 BW). De eisende partij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat aan deze wettelijke eis is voldaan. Hetzelfde geldt voor de verplichting die uit artikel 6:230v lid 3 BW voortvloeit. De contractuele informatieplicht 2.
  7. Voor wat betreft de contractuele informatieplicht (artikel 6:230v lid 7 BW) heeft de eisende partij nagelaten (voldoende) te stellen en onderbouwen dat deze is nagekomen. Zij heeft enkel verwezen naar de overgelegde bestelbevestiging en factuur maar deze stukken bevatten niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. Informatie over het telefoonnummer en het e-mailadres van de eisende partij ontbreekt. De stelling van de eisende partij dat de betreffende informatie (ook) is te raadplegen in het persoonlijke account van de gedaagde partij, is niet onderbouwd met stukken. Welke sanctie hoort hierbij? 2.
  8. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. 2.
  9. In deze zaak heeft de eisende partij de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW geschonden). Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan de artikelen 6:193b, 6:193d, 6:193f en 6:193j BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is. Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden 2.
  10. Het beding dat voor de beoordeling van de vordering relevant is, te weten artikel 15 lid 4, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. Wat is toewijsbaar? 2.
  11. Gelet op het voorgaande is van de oorspronkelijke hoofdsom van € 236,44, een bedrag van € 177,33‬ (€ 236,44 x 0.75) toewijsbaar. 2.
  12. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat de eisende partij de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW, waarop zij zich ter onderbouwing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten beroept, niet heeft overgelegd. Daarmee is in strijd gehandeld met artikel 85 lid 1 Rv. Het overgelegde afschrift van de e-mail is niet voldoende, nu daarin de zogenoemde header ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld of de e-mail is verstuurd en naar welk adres. De eisende partij heeft toegelicht dat de aanmaning is verstuurd vanuit een geautomatiseerd systeem. In het systeem zijn alle aan het mailadres van de gedaagde partij verzonden berichten te zien. De eisende partij heeft gesteld dat zij als onderdeel van productie 7 bij dagvaarding een schermafdruk van dit systeem heeft overgelegd. De kantonrechter ziet deze schermafdruk echter niet terug in het dossier, zodat zij aan deze stelling voorbij gaat. 2.
  13. De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding. 2.
  14. De gedaagde partij heeft na het verstrijken van de veertiendagentermijn een bedrag van € 47,00 voldaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW en wat hiervoor is overwogen, in mindering op de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 130,33 zal worden toegewezen. 2.
  15. De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  16. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 130,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 maart 2023 tot aan de dag van de gehele betaling; 3.
  17. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: € 109,27 wegens dagvaardingskosten, € 128,00 wegens griffierecht en € 39,00 wegens salaris gemachtigde; 3.
  18. verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  19. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.