vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/337703 / KG ZA 23-125 Vonnis in kort geding van 3 mei 2023 in de zaak van 1 [eiser/gedaagde1], wonende te [woonplaats],
(5)dagen na omloop van voornoemd ladderrecht voor 30 dagen, de bekisting verwijderd te hebben, verwijderd te houden en het erf van [verweerder/eiser1] c.s. geheel en zonder schade terug te brengen in de oorspronkelijke situatie/staat, op straffe van een dwangsom van EUR 500,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat eisers hiermee in gebreke blijven, tot een maximum van EUR 50.000,--, althans een door U. E.A. rechter in goede justitie nader te bepalen dwangsom, en onder vergoeding van de schade die [verweerder/eiser1] c.s. hiervan ondervindt, te voldoen op eerste verzoek van [verweerder/eiser1] c.s. na specificatie van die schade; zowel in conventie als in reconventie: IV. [eiser/gedaagde1] c.s. c.s. te veroordelen om (des de ene presteert, de ander is gekweten), te betalen de proceskosten van [verweerder/eiser1] c.s. zoals griffierecht en salaris advocaat, alsmede eventuele nakosten. 5.
- [eiser/gedaagde1] c.s. voert verweer. 5.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 6De beoordeling in conventie en in reconventie 6.
- Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld. Spoedeisendheid 6.
- Op grond van artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. In het onderhavige geval vloeit de spoedeisendheid voort uit het feit dat [eiser/gedaagde1] c.s. niet verder kan met de bouw van de woning als voor de werkzaamheden geen gebruik kan worden gemaakt van het perceel van [verweerder/eiser1] c.s. Daarmee is de spoedeisendheid gegeven. Ontvankelijkheid 6.
- Dat [eiser/gedaagde1] c.s. niet ontvankelijk zou zijn in zijn vordering, zoals [verweerder/eiser1] c.s. heeft aangevoerd, blijkt nergens uit. Anders dan de niet-onderbouwde conclusie van [verweerder/eiser1] c.s. daartoe, heeft [verweerder/eiser1] c.s. niets aangevoerd dat niet-ontvankelijkheid tot gevolg kan hebben. Er is er dan ook geen reden om [eiser/gedaagde1] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren. Bevoegdheid 6.
- Datzelfde geldt voor de door [verweerder/eiser1] c.s. indirect betwiste bevoegdheid van de voorzieningenrechter om van het onderhavige geschil kennis te nemen. De over en weer ingestelde vorderingen hebben geen van alle betrekking op zaken die niet tot de absolute bevoegdheid van de rechtbank of deze voorzieningenrechter behoren. Zowel [eiser/gedaagde1] c.s. als [verweerder/eiser1] c.s. zijn bovendien woonachtig in [woonplaats], derhalve in het arrondissement van deze rechtbank, zodat de voorzieningenrechter ook relatief bevoegd is om dit geschil te beoordelen. Inhoudelijk 6.
- Kern van het geschil is of [verweerder/eiser1] c.s. met recht kan weigeren dat [eiser/gedaagde1] c.s. gebruik maakt van zijn perceel voor (de bekisting van de fundering van) het bijgebouw van de nieuw te bouwen woning van [eiser/gedaagde1] c.s. Voor de beoordeling van die vraag is artikel 5:56 BW van belang. Volgens dat artikel is de eigenaar van een onroerende zaak – kort gezegd – gehouden om na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling toe te staan dat daarvan gebruik wordt gemaakt, wanneer dat voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een andere onroerende zaak noodzakelijk is, behoudens gewichtige redenen. 6.
- Hoewel [verweerder/eiser1] c.s. tot zijn verweer heeft aangevoerd dat de door [eiser/gedaagde1] c.s. te verrichten werkzaamheden ongemak veroorzaken, omdat daarvoor een deel van het perceel van [verweerder/eiser1] c.s. gedurende een periode van 30 dagen opengebroken moet worden, levert dit ongemak naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen gewichtige reden op. Gesteld noch gebleken is dat de bouwwerkzaamheden op een andere (minder ingrijpende of ‘ongemak’ veroorzakende) wijze kunnen worden uitgevoerd. Met andere woorden: voor het verrichten van de werkzaamheden om de woning van [eiser/gedaagde1] c.s. te kunnen bouwen, is het noodzakelijk om tijdelijk gebruik te maken van het perceel van [verweerder/eiser1] c.s., waarbij een deel van zijn perceel wordt opengebroken. Deze werkzaamheden mogen wellicht ingrijpend zijn voor [verweerder/eiser1] c.s., maar kunnen (kennelijk) niet anders uitgevoerd worden. Precies voor een dergelijke situatie is het ladderrecht van artikel 5:56 BW bedoeld. Anders dan [verweerder/eiser1] c.s. heeft betoogd, vallen de door [eiser/gedaagde1] c.s. te verrichten werkzaamheden dus wel onder de reikwijdte van dit wetsartikel. Dat [eiser/gedaagde1] c.s. de woning ook ‘een stukje zou kunnen opschuiven’, zoals [verweerder/eiser1] c.s. ter zitting heeft aangevoerd, kan hem niet baten. Uit het eigendomsrecht van [eiser/gedaagde1] c.s., dat het meest omvattende recht is, vloeit immers voort dat hij zelf kan (en mag) bepalen hoe zijn nieuwe woning op zijn eigen grond gebouwd wordt. 6.
- Het verweer van [verweerder/eiser1] c.s. dat de werkzaamheden onrechtmatig zijn omdat uit de bouwtekeningen zou blijken dat de fundering op de erfgrens zou worden gebouwd, wordt gepasseerd. Zowel uit de door [eiser/gedaagde1] c.s. overgelegde stukken als uit het verhandelde ter zitting blijkt immers dat [verweerder/eiser1] c.s. daarbij uitgaat van onjuiste c.q. achterhaalde feiten. Desgevraagd heeft [eiser/gedaagde1] c.s. ter zitting herhaald en bevestigd dat zowel (de zijmuur van het zijgebouw van) de woning als de fundering niet op de erfgrens maar op een afstand van circa 5 centimeter daarvandaan zullen worden gesitueerd. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter geen reden om voorshands aan te nemen dat [eiser/gedaagde1] c.s. met de beoogde woning inbreuk maakt of zal maken op het eigendomsrecht van [verweerder/eiser1] c.s. Van enige onrechtmatigheid is dan ook vooralsnog geen sprake. 6.
- Voor zover de eerste vordering in conventie is gericht op het ongehinderd toegang te verlenen van (de aannemers van) [eiser/gedaagde1] c.s. ten behoeve van het uitvoeren van de werkzaamheden – is deze toewijsbaar. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat ter zitting ook is besproken dat indien mocht blijken dat de fundering en/of de muur van de woning toch op of over de erfgrens mocht worden geplaatst, het [verweerder/eiser1] c.s. uiteraard vrij staat om een spoed kort geding aanhangig te maken, in welk geval toewijzing van een vordering tot afbraak van het (alsdan immers wél onrechtmatig te achten) bouwwerk in de rede ligt. Scheidsmuur 6.
- Dat voor de uitvoering van de werkzaamheden door [eiser/gedaagde1] c.s. verwijdering van de schutting en (een deel van) de haag vereist is, is tussen partijen niet in geschil. Wat partijen echter verdeeld houdt, is of terugplaatsing van de (oude) haag als erfafscheiding mogelijk is en ook of (al dan niet deels) in plaats daarvan de plaatsing van een houten schutting met een hoogte van twee meter kan worden afgedwongen door [eiser/gedaagde1] c.s. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. 6.
- Volgens [verweerder/eiser1] c.s. is de haag mandelig, wat volgens hem tot gevolg heeft dat die haag niet zonder zijn toestemming kan worden verwijderd. De vraag óf de haag mandelig is, kan echter in het midden blijven. Door de Hoge Raad is namelijk beslist dat een (in dat arrest: coniferen)haag geen muur is en dat de aanwezigheid van een mandelige haag niet in de weg staat aan een vordering om op grond van artikel 5:49 BW medewerking aan het bouwen van een scheidsmuur te verlangen. De Hoge Raad overweegt daartoe dat: "art. 5:49 BW ertoe strekt de eigenaren van percelen binnen de bebouwde kom van een gemeente de gewenste bescherming van hun persoonlijke levenssfeer te waarborgen. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor de opvatting dat het door art. 5:49 BW verleende recht niet meer kan worden ingeroepen als een andere erfafscheiding aanwezig is, ook al is dat geen muur die voldoet aan de eisen van art. 5:49 BW in verbinding met art. 5:43 BW. Daarom moet worden aangenomen dat de eigenaar ook in dat geval de betrokken aanspraak geldend kan maken".Dat betekent dus dat [eiser/gedaagde1] c.s. de verwijdering van de haag en het oprichten van een schutting kan eisen. Dat het uitzicht van [verweerder/eiser1] c.s. op de erfafscheiding daarmee verandert (van haag naar houten schutting), is een feit. Dat feit levert echter geen onrechtmatige hinder op als bedoeld in artikel 5:37 BW, zodat dit verweer van [verweerder/eiser1] c.s. wordt verworpen. 6.
- Gelet op het voorgaande is de vordering tot het verwijderen van de haag en het in plaats daarvan op de erfgrens oprichten van een houten schutting van twee meter hoog in beginsel toewijsbaar, met dien verstande dat dat uiteraard alleen het geval is voor zover de APV dat ook toelaat (zoals [verweerder/eiser1] c.s. terecht heeft aangevoerd). De vordering zal dan ook met die clausulering worden toegewezen. Om executiegeschillen te voorkomen zal de gevorderde termijn van drie dagen voor het verwijderen van de haag en het realiseren van de schutting worden afgewezen, omdat deze zich niet verhoudt tot de termijn die nodig is voor het realiseren van de fundering. Artikel 5:56 BW bepaalt dat de toegang moet worden verleend na behoorlijke kennisgeving. Dit betekent dat [eiser/gedaagde1] c.s. [verweerder/eiser1] c.s. tijdig moeten laten weten wanneer zij de werkzaamheden willen (laten) uitvoeren. Kosten 6.
- De vordering tot veroordeling van [verweerder/eiser1] c.s. in de helft van de kosten die verbonden zijn aan het oprichten van de nieuwe schutting, zal worden toegewezen. Op grond van de laatste volzin van het eerste lid van artikel 5:49 BW dragen de eigenaars immers voor gelijke delen bij in de kosten van de afscheiding. 6.
- Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Ter zitting heeft (de advocaat van) [eiser/gedaagde1] c.s. met zoveel woorden gezegd dat het plaatsen van een nieuwe haag ‘ook een optie is’, alsmede dat over de verdeling van de kosten valt te praten. Gelet op het feit dat partijen buren zijn (en naar valt aan te nemen ook nog lange tijd buren zúllen zijn), geeft de voorzieningenrechter partijen mee dat zij er goed aan doen om met dit vonnis in de hand nogmaals om de tafel te gaan zitten en te kijken wat in goed overleg de meest acceptabele uitkomst voor beide partijen zou zijn. Aan de ene kant is [verweerder/eiser1] c.s. gehecht aan (het groene uitzicht op) een haag als erfafscheiding. Aan de andere kant heeft [eiser/gedaagde1] c.s. om redenen van privacy behoefte aan een minder ‘doorzichtige’ erfafscheiding dan de huidige haag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn beide belangen zowel begrijpelijk als valide. Gedacht zou dan ook kunnen worden aan het oprichten van een ‘groene scheidsmuur’, bijvoorbeeld in de vorm van een schutting waartegen (al dan niet aan beide zijden) een nieuwe haag zal worden geplaatst. De aan de uitoefening van het ladderrecht verbonden schadeloosstelling en het feit dat de bestaande haag en schutting in eerste instantie slechts moeten worden verwijderd om gebruik te maken van het perceel van [verweerder/eiser1] c.s. voor het verrichten van door [eiser/gedaagde1] c.s. gewenste bouwwerkzaamheden, zou in dat overleg kunnen worden meegenomen. 6.
- De gevorderde dwangsom zal worden beperkt op de wijze als bij de beslissing gemeld. 6.
- Gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen in reconventie worden afgewezen. Dat geldt ook met betrekking tot de vordering tot het in duur beperken van het ladderrecht, nu de toe te wijzen vordering in conventie al is beperkt tot een periode van 30 werkbare werkdagen. Proceskosten 6.
- [verweerder/eiser1] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser/gedaagde1] c.s. worden in conventie begroot op: - griffierecht 314,00 - salaris advocaat 1.079,00 Totaal € 1.393,00 In reconventie worden de kosten aan de zijde van [eiser/gedaagde1] c.s. begroot op: - salaris advocaat € 348,50 (factor 0,5 × tarief € 697,00) Totaal € 348,50 7De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 7.
- veroordeelt [verweerder/eiser1] c.s. om [eiser/gedaagde1] c.s. en de door hen ingeschakelde derden vrij en ongehinderd toegang te verlenen tot het perceel gelegen aan de [adres], teneinde de verwijdering te bewerkstelligen van de haag die als erfafscheiding dient tussen de percelen van partijen, alsmede voor het in de plaats daarvan op de erfgrens oprichten van een houten schutting met een hoogte die door de APV wordt toegestaan met een maximale hoogte van twee meter, in het verlengde van de al bestaande schutting, 7.
- veroordeelt [verweerder/eiser1] c.s. om aan [eiser/gedaagde1] c.s. een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 7.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt, 7.
- veroordeelt [verweerder/eiser1] c.s. om gedurende 30 (werkbare) dagen [eiser/gedaagde1] c.s. en de door hen ingeschakelde derden toe te laten op het perceel gelegen aan de [adres] en iedere medewerking te verlenen die nodig is ten behoeve van het realiseren van de fundering van het zijgebouw en het oprichten van het zijgebouw, waarbij [verweerder/eiser1] c.s. in ieder geval zullen moeten toestaan dat gedurende die periode de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd op of via hun perceel: het openbreken van een gedeelte van de bestrating op het perceel van [verweerder/eiser1] c.s. aan de zijde van de erfgrens met [eiser/gedaagde1] c.s., ter grootte van maximaal 50 centimeter, gerekend vanaf de erfgrens met [eiser/gedaagde1] c.s. en maximaal 9,7 meter lang, vanaf een door de aannemer vast te stellen locatie; het plaatsen van een tijdelijke betonbekisting binnen de genoemde marges als onder a. genoemd; het verwijderen van de mandelige houten schutting en het terugplaatsen daarvan; 7.
- veroordeelt [verweerder/eiser1] c.s. om aan [eiser/gedaagde1] c.s. een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 7.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt, 7.
- veroordeelt [verweerder/eiser1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser/gedaagde1] c.s. tot op heden begroot op € 1.393,00, 7.
- verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 7.
- wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 7.
- wijst de vorderingen af, 7.
- veroordeelt [verweerder/eiser1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser/gedaagde1] c.s. tot op heden begroot op € 348,50, 7.
- verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 3 mei
- HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1907, r.o. 3.1.
- Conc.: 936 Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.