RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/5972 WAO uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2023 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. I.E. Mussche), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (verweerder) (gemachtigde: mr. L. Ritsma). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 november 2019 op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In het besluit van 17 september 2019 (het primaire besluit), voor zover hier van belang, heeft verweerder besloten tot verlaging van de WAO-uitkering vanaf 18 november 2019 (na een uitlooptermijn van twee maanden na de aanzegging) naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%. Met het bestreden besluit van 29 september 2020 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2021 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. Totstandkoming van het bestreden besluit 1. Eiseres heeft een WAO-uitkering sinds 1994, na uitval als metrobestuurder, met psychische en fysieke klachten. De mate van arbeidsongeschiktheid voor de WAO was, na een aantal tussentijdse aanpassingen, in 2014 65-80%. De inkomsten die eiseres in die tijd had uit tijdelijke werkzaamheden als tramconductrice (voor 12 uur per week) werden met toepassing van artikel 44 van de WAO op de uitkering gekort en de uitkering werd uitbetaald als ware de mate van arbeidsongeschiktheid 35-45%. Op 11 juli 2014 is eiseres uitgevallen vanwege het gaan volgen van een intensief revalidatietraject. Per 11 juli 2014 is de mate van arbeidsongeschiktheid voor de WAO vastgesteld op 80-100%. Van 1 december 2016 tot 1 augustus 2017 heeft eiseres gewerkt als account coördinator klachtenservice. De inkomsten hieruit werden met toepassing van artikel 44 van de WAO op de uitkering gekort en die werd uitbetaald als ware de mate van arbeidsongeschiktheid 45-55%. Zij heeft zich op 4 september 2017 vanuit de WW ziekgemeld, waarop een ZW-uitkering is toegekend, die werd verrekend met de WAO-uitkering. Per einde wachttijd 1 september 2019 vindt dan een herbeoordeling plaats van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO (omdat zij een WAO-uitkering had en opnieuw is uitgevallen in ander werk). 2. Eiseres is gezien door een verzekeringsarts op 3 september 2019. De verzekeringsarts concludeert dat eiseres (uitgaande van de diagnosen fibromyalgie, ADHD, borderline persoonlijkheid, hypothyroïdie, slaapapneu en PDS) beperkingen heeft in alle zes de rubrieken van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige komt vervolgens na het selecteren van voor eiseres geschikte (theoretische) voorbeeldfuncties (van besteller post/pakketten, gezinshulp, bejaardenverzorger, medewerker tuinbouw) tot een mate van arbeidsongeschiktheid voor de WAO van 74,32% (= klasse 65-80%). Er volgen dan op 17 september 2019 twee besluiten, tot indeling in en uitbetaling naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100% vanaf 2 september 2019 en tot verlaging van de WAO-uitkering vanaf 18 november 2019 (na een uitlooptermijn van twee maanden na de aanzegging) naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%. Eiseres maakt bezwaar tegen de verlaging van haar WAO-uitkering per 18 november 2019. Zij acht zich, kort gezegd, meer beperkt en niet in staat de geduide functies te verrichten. 3. In bezwaar vindt een heroverweging plaats. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres gezien op de hoorzitting en een onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt (uitgaande van de diagnosen fibromyalgie, emotionele instabiele/borderline persoonlijkheid, ADHD, gereguleerde hypothyroïdie, slaapapneu en PDS) dat eiseres niet voldoet aan de criteria van GBM (geen duurzaam benutbare mogelijkheden) zoals die staan in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, en dat daarom terecht een FML is opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat eiseres psychische en lichamelijke aandoeningen heeft en dat de beperkingen daaruit elkaar overlappen. Ook concludeert zij dat haar niet is gebleken van een wezenlijke verandering in het psychische beeld, ondanks nadere behandeling en dat de beperkingen zoals die bij de WAO-beoordeling in 2014 zijn aangenomen nog steeds van toepassing zijn. Daarbij tekent zij aan dat de psychosociale omstandigheden een negatieve rol spelen bij de psychische belastbaarheid van eiseres, maar dat die bij de WAO-beoordeling buiten beschouwing dienen te worden gelaten. De lichamelijke belastbaarheid wordt door meerdere aandoeningen bepaald. Bij het eigen onderzoek zegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen evidente afwijkingen in de functie van het bewegingsapparaat te hebben gevonden. De diagnosen fibromyalgie, chronische aspecifieke rugklachten en artrose leiden niet tot vérgaande beperkingen. Die geven wel aanleiding zwaardere activiteiten te beperken, maar dat is al in de FML opgenomen. Zij past de FML wel aan ten aanzien van frequent buigen en boven schouderhoogte actief zijn. Verder zegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de hypothyreoïdie gereguleerd is en dus niet leidt tot beperkingen in de FML. De suikerwaarden zijn verhoogd, maar zij ziet geen aanwijzingen voor wezenlijke klachten/complicaties en bovendien is met de beperkingen in de FML voor lichamelijk en psychisch niet te zware activiteiten en een urenbeperking hier al rekening mee wordt gehouden. Voor de buikklachten is bij specialistisch onderzoek geen oorzaak gevonden en ook hiervoor geldt dat met de beperkingen in de FML met die klachten al rekening wordt gehouden. Door de OSAS kan vermoeidheid ontstaan, maar die wordt voldoende ondervangen door de beperkingen in de FML ten aanzien van urenbelasting en van grote lichamelijke en psychische belasting. Wel ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier aanleiding voor een aanvullende beperking voor ’s nachts werken. Haar conclusie is dat er voor buigen, traplopen en klimmen geen reden meer is om een beperking aan te nemen gezien de gestelde diagnosen en het lichamelijk onderzoek. Voor een verdergaande beperking ten aanzien van zitten ontbreekt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep het medisch substraat. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeert vervolgens na onderzoek dat ondanks de wijzigingen in de FML de primair geselecteerde functies onveranderd geschikt zijn te achten voor eiseres. Het arbeidsongeschiktheidspercentage blijft dan vastgesteld op 74,33% en indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse op 65-80%. Bij het bestreden besluit verklaart verweerder, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, de bezwaren ongegrond. Standpunt eiseres 4. Eiseres voert in beroep aan verder beperkt te zijn dan door de verzekeringsartsen aangenomen. De aannames dat de medische situatie op lange termijn wezenlijk zal verbeteren en de functionele mogelijkheden zullen toenemen acht eiseres niet deugdelijk gemotiveerd. Eiseres stelt dat uit het hele dossier en haar medische geschiedenis duidelijk is op te maken dat zij in grote mate beperkt is ten aanzien van (langdurig) zitten en lang staan. Daarbij wijst zij erop dat de beperking die op 21 november 2017 door een verzekeringsarts is opgenomen ten aanzien van zitten tijdens het werk (max 4 uur per dag) in 2019 niet meer in de FML is opgenomen. Eiseres heeft een medisch expert ingeschakeld (De Bureaus) en verwijst naar die expertise. De medisch expert vindt het vreemd en onduidelijk dat en waarom de FML van 3 september 2019, op bepaalde punten, niet overeenkomt met de FML van 13 oktober 2014, uitgaande van dezelfde fysieke problematiek. In de FML uit 2014 staan beperkingen voor traplopen, klimmen, boven schouderhoogte actief zijn en buigen. Deze beperkingen zijn zonder enige vorm van toelichting niet overgenomen in de FML uit 2019. Ook stelt de medisch expert zich te kunnen voorstellen dat er bij energetische problemen bij slaapapneu (en ook bij fibromyalgie en PDS) ook beperkingen zouden kunnen gelden voor traplopen, klimmen en buigen. Hij wijst erop dat daarvoor in 2014 wel beperkingen zijn aangenomen, op basis van met name fibromyalgie. Het is de medisch expert niet duidelijk waarom deze specifieke beperkingen nu niet meer zouden gelden, terwijl de diagnose fibromyalgie niet is veranderd. Verder voert eiseres aan zich gelet op haar klachten en (verdergaande) beperkingen niet in staat te achten de geduide functies te kunnen verrichten. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft besloten tot verlaging van de WAO-uitkering per 18 november 2019, aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nader gereageerd op de beroepsgronden. Zij stelt dan dat er geen nieuwe medische gegevens worden ingebracht en dat zij wel heeft gemotiveerd dat en waarom sommige beperkingen die in 2014 zijn gesteld niet meer gelden in 2019. Gezien de gestelde diagnosen en eigen onderzoeksbevindingen ontbreekt een medisch substraat voor het aannemen van eerder in 2014 aangenomen beperkingen ten aanzien van buigen, traplopen, klimmen en het aannemen van een verdergaande beperking voor zitten. De beperkingen voor frequent buigen, boven schouderhoogte actief zijn en ’s nachts werken, die de primaire verzekeringsarts had laten vallen, zijn wel teruggezet in de FML. 7. De rechtbank heeft na de zitting, waar verweerder zich niet heeft laten vertegenwoordigen, aan verweerder nadere vragen voorgelegd. Eiseres acht zich (ook) beperkt ten aanzien van (langdurig) zitten en lang staan, buigen, trappenlopen en klimmen. De rechtbank achtte de motivering door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op deze punten te algemeen, niet inzichtelijk en niet overtuigend/onvolledig en wilde een nadere uitgebreide toelichting en verduidelijking van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, met daarbij ook expliciet aandacht voor de (impact van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.