← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2023:6853

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknummer : 10350295 \ WM VERZ 23-140 CJIB-nummer : 245626076 Uitspraakdatum : 4 april 2023 Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in de zaak van [betrokkene] 1Het verloop van de procedure 1.

  1. Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.
  2. De zaak is behandeld op de zitting van 4 april
  3. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is ook verschenen, tezamen met een getuige, [getuige]. 1.
  4. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. 2Overwegingen 2.
  5. De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: handelen ism een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C 6 bijlage I RVV
  6. 2.
  7. Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. 2.
  8. De officier van justitie heeft een aanvullend proces-verbaal laten opmaken door de verbalisant. In dit aanvullend proces-verbaal is het volgende vermeld: “(…) Betrokkene is niet in het bezit van een ontheffing en dus in overtreding. Er was eventueel een mogelijkheid geweest om een dag ontheffing aan te vragen voor € 19,60 maar omrijden kan prima. Betrokkene had de volgende route kunnen nemen A8 richting Purmerend en afslag Weidevenne en dan binnendoor naar Den Ilp….”. Bij het proces-verbaal heeft de verbalisant een locatieoverzicht van de ter plaatse aanwezige bebording en camera’s gevoegd. 2.
  9. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Ter zitting betwist betrokkene de aanwezigheid van de bebording en de gedraging dan ook niet, maar stelt dat zij en haar medepassagiers de borden over het hoofd hebben gezien. Ter zitting voert betrokkene aan dat zij ter plaatse onbekend is, zij haar bestemming had ingevoerd in de navigatie en dat het haar desondanks ter plaatse onduidelijk was waar zij moest zijn. Uiteindelijk is zij per ongeluk voorbij haar bestemming gereden en toen blijkbaar, zonder opzet en onbewust voorbij de geslotenverklaring gereden. Na verderop te zijn gekeerd en terug gereden hebben zij hun bestemming gevonden, aldus betrokkene. Betrokkene vind het oneerlijk dat zij onder deze omstandigheden een boete heeft gehad. 2.
  10. De getuige [getuige], medepassagier in de auto van betrokkene op het moment van de vermeende gedraging, stelt ter zitting dat zij destijds geen bord heeft gezien. Daarnaast stelt zij dat zij niet meer zo goed weet hoe zij precies hebben gereden omdat het al zo lang geleden is. 2.
  11. De kantonrechter overweegt dat het verweer dat betrokkene de gedraging niet opzettelijk heeft begaan, geen doel treft. Voor het opleggen van een boete bij het begaan van een dergelijke gedraging is opzet immers niet vereist. Van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat deze oplettend is op de aanwezige bebording. De kantonrechter is daarom van oordeel dat betrokkene zich had moeten vergewissen of er een bord stond en dat de omstandigheid dat betrokkene dit heeft nagelaten, voor rekening en risico van betrokkene komt. De boete is dus terecht opgelegd. 2.
  12. De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De uitspraak De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,
  13. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk. Datum toezending:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.