RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 22/2200 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2023 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser gemachtigde: mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat te Utrecht, en de commandant van de Koninklijke Marechaussee, verweerder, gemachtigde: mr. F.D. Eftekahri, ambtenaar op het departement van Defensie. Inleiding Bij besluit van 29 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de door hem op 23 oktober 2020 verleende toestemming om eiser beveiligingswerkzaamheden op de luchthaven Schiphol te laten verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) ingetrokken. Verkort in deze uitspraak aangehaalde wetsartikelen zijn opgenomen in de bijlage bij dit proces-verbaal. Bij besluit van 10 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 8 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn verschenen de gemachtigde, vergezeld van mr. D.L.H.H. van Hout, ambtenaar der Koninklijke Marechaussee. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Motivering 1.1 Verweerder heeft aan eiser op 23 oktober 2020 toestemming verleend als bedoeld in artikel 7, tweede lid, Wpbr om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor het beveiligingsbedrijf Securitas Transport en Aviation Security op luchthaven Schiphol. 1.2 Op 25 september 2021 is eiser aangehouden voor overschrijding van de maximumsnelheid op een autosnelweg met meer dan 60 km per uur en is het rijbewijs van eiser ingevorderd. De officier van justitie heeft die invordering op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gehandhaafd. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2021 is het rijbewijs die dag aan eiser teruggegeven. De rechtbank overwoog dat het rijbewijs weliswaar terecht was ingevorderd, maar dat zij niet verwachtte dat aan eiser de bevoegdheid auto te rijden nog langer zou worden ontzegd. 1.3.1 Aan de intrekking van de toestemming heeft verweerder ten grondslag gelegd dat volgens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 december 2021 de Koninklijke Marechaussee op 8 oktober 2021 tegen eiser proces-verbaal heeft opgemaakt inzake vermoedelijke overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) (rijden met een ingevorderd rijbewijs) en dat eiser daarvoor is gedagvaard. 1.3.2 Uit de artikelen 175 en 177 Wvw volgt dat rijden met een auto terwijl het rijbewijs is ingevorderd, een misdrijf is. Uit een recent uittreksel van 19 januari 2023 blijkt dat de politierechter in de rechtbank Noord-Holland eiser voor dat feit op 7 februari 2022 heeft veroordeeld tot taakstraf van 30 uren. Die straf is inmiddels onherroepelijk. Uit dat uittreksel blijkt tevens dat de kantonrechter eiser in 2018 – inmiddels onherroepelijk – heeft bestraft voor te snel rijden op 9 december 2017 en de officier van justitie voor de snelheidsovertreding, gepleegd op 25 september 2021 – zij het nog niet onherroepelijk – een strafbeschikking heeft opgelegd. 1.4 Eiser bestrijdt niet dat hij op 8 oktober 2021 een voertuig heeft bestuurd zonder dat hij over een rijbewijs beschikte. 2.1 De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat in deze zaak om het toepassen van artikel 7, vijfde lid, en indirect het vierde lid, Wpbr. De minister van Justitie en Veiligheid heeft voor onder meer de toepassing van artikel 7 Wpbr de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Beleidsregels) opgesteld waarin hij heeft uiteengezet hoe verweerder invulling moet geven aan het toepassing van die bepaling. 2.2 De discussie spitst zich in dit geval toe op de vraag of eiser nog betrouwbaar is te achten beveiligingswerkzaamheden op Schiphol te verrichten in de zin van artikel 7, vierde lid, Wpbr. Niet in geschil is dat eiser over de vaardigheden beschikt die werkzaamheden te verrichten. De toestemming die aan eiser is verleend beveiligingswerkzaamheden te verrichten op Schiphol kan verweerder op grond van het vijfde lid van dat artikel intrekken als er twijfel is over de betrouwbaarheid van eiser. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag of eiser betrouwbaar is te achten. Die ruimte heeft de minister van Justitie en Veiligheid deels ingevuld met de Beleidsregels. 2.3 In de Beleidsregels is, anders dan eiser aanvoert, geen hardheidsclausule opgenomen. Voor zover eiser in dat kader doelt op afwijking van de terugkijktermijn in de Beleidsregels, kan hem het beroep op die beleidsregel niet baten omdat de veroordeling eerst is uitgesproken na het primaire besluit, zodat verkorten van die termijn bij de onderhavige beoordeling niet mee kan brengen dat niet meer naar die veroordeling voor rijden zonder rijbewijs wordt gekeken. 2.4 Het misdrijf rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd en de veroordeling daarvoor, leiden volgen de Beleidsregels tot de conclusie dat eiser (thans) niet over de betrouwbaarheid beschikt voor de beveiligingswerkzaamheden. De intrekking is in zoverre in overeenstemming met het beleid. 2.5 Wel moet worden bezien of verweerder er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen niet van de Beleidsregels af te wijken. Ter zitting is gebleken dat er wel alternatieve maatregelen denkbaar zijn, waarvoor verweerder had kunnen kiezen in plaats van het intrekken van de toestemming, zoals het geven van een waarschuwing, maar er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit geval ook voor een alternatieve maatregel had behoren te kiezen. Daarvoor heeft verweerder het misdrijf in samenhang met de andere overtredingen te ernstig kunnen achten. Verweerder is er bij het nemen van het primaire besluit van uitgegaan dat er tegen eiser een verdenking lag wegens het rijden met een ingevorderd rijbewijs. Ten tijde van het bestreden besluit was eiser daarvoor al veroordeeld. Rijden met een ingevorderd rijbewijs is een misdrijf, waar eiser strafrechtelijk gezien opzet op heeft gehad. Eiser kan nu wel erkennen dat het niet slim is geweest dat hij met een ingevorderd rijbewijs is gaan rijden en aanvoeren dat hij zich niet realiseerde dat sprake was van een misdrijf, maar dat doet aan de opzettelijkheid en de bewustheid van het begaan van het misdrijf niet af. Gelet op de Beleidsregels is het begaan van voornoemd misdrijf reden voor het weigeren of intrekken van de toestemming, maar dient nog wel een afweging te worden gemaakt. Bij die afweging is betrokken dat eiser twee keer eerder in overtreding is geweest door te hard te rijden. Er was dus meer aan de hand. Op zichzelf vormde dit alles volgens de Beleidsregels voldoende reden om de eerder aan eiser verleende toestemming in te trekken. De vraag is of die omstandigheden inderdaad voldoende zijn om te concluderen dat eiser niet meer betrouwbaar is te achten. De rechtbank is van oordeel dat het voldoende is. Werkzaam zijn in een beveiligingsfunctie schurkt heel dicht aan tegen optreden als een publieke persoon die regels handhaaft. Indien iemand, zoals in het geval van eiser, aanwijzingen van een officier van justitie – de invordering van zijn rijbewijs – naast zich neerlegt, vormt dat op zichzelf reden aan te nemen dat hij niet betrouwbaar is te achten in de zin van artikel 7 Wpbr. Een en ander heeft ongetwijfeld te maken met de geringe levenservaring van eiser, maar het vormde voor verweerder toch voldoende reden om de aan eiser verleende toestemming in te trekken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder van de Beleidsregels had behoren af te wijken. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende omstandigheden. Eiser heeft inmiddels ander werk gevonden. Hij is dus op dit moment niet afhankelijk van het werk als beveiliger. Verder is niet gebleken van hele specifieke bijzonderheden. Die omstandigheden zijn ook niet vervat in het gepleegde feit zelf. Dat eiser die morgen dacht te laat te komen voor zijn werk en daarom de auto ondanks de invordering van het rijbewijs had bestuurd, is daarvoor niet voldoende. Eiser heeft daarmee een belangrijke vordering van de officier van justitie genegeerd. De vergelijking die eiser heeft gemaakt met andere zaken is niet doorslaggevend. Uiteraard waren dat zaken waarin de misstappen van de betreffende persoon vast nog veel ernstiger waren en waarin nog meer reden was voor het intrekken van de toestemming, maar dat betekent niet dat de grens in het geval van eiser niet is bereikt. Het door eiser nog aangevoerde argument dat de rechtbank zijn ingevorderde rijbewijs heeft terug doen geven voordat over het misdrijf was beslist, was ook geen reden om de intrekking van de toestemming onredelijk te achten, omdat de rechtbank – anders dan eiser aanvoert - daarbij niet heeft geoordeeld dat eisers rijbewijs geheel ten onrechte was ingevorderd. Er is aldus geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van de Beleidsregels had behoren af te wijken. Daarom blijft de intrekking van de toestemming in stand.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.