RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/330728 / HA ZA 22-485 Vonnis in verzet van 2 augustus 2023 in de zaak van 1 [eiser/gedaagde1], te [woonplaats],2. [eiser/gedaagde2], te [woonplaats], oorspronkelijk eisers in conventie, gedaagden in verzet, gedaagden in reconventie, hierna samen te noemen: [eiser/gedaagde1] c.s. en afzonderlijk [eiser/gedaagde1] en [eiser/gedaagde2], advocaat: mr. J.W. Both te Kampen, tegen 1MOOS BEHEER B.V., te Purmerend,2. [gedaagde/eiser2], te [woonplaats], oorspronkelijk gedaagden in conventie, eisers in het verzet, eisers in reconventie, hierna samen te noemen: Moos Beheer c.s. en afzonderlijk Moos Beheer en [gedaagde/eiser2], advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt te Amsterdam, 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 1 maart 2023 - de akte uitlating na tussenvonnis met producties van [eiser/gedaagde1] c.s. - de antwoordakte met producties van Moos Beheer c.s. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie het tussenvonnis van 1 maart 2023 2.1. Bij tussenvonnis van 1 maart 2023 (hierna ook: het tussenvonnis) heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen: in conventie de vorderingen tegen Moos Beheer Moos Beheer is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst (hierna ook: de overeenkomst) en het beroep van Moos Beheer op opschorting faalt. Moos Beheer verkeerde vanaf 17 maart 2021 in verzuim en dus waren [eiser/gedaagde1] c.s. gerechtigd de overeenkomst per 13 juli 2021 te ontbinden. De gevorderde verklaring voor recht dat [eiser/gedaagde1] c.s. de aannemingsovereenkomst met Moos Beheer terecht hebben ontbonden zal daarom worden toegewezen. Als gevolg van de ontbinding ontstaan voor partijen op grond van artikel 6:271 Burgerlijk Wetboek (BW) over en weer verbintenissen tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties en moet Moos Beheer op grond van artikel 6:277 BW aan [eiser/gedaagde1] c.s. vergoeden de schade die [eiser/gedaagde1] c.s. lijden doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal de omvang van de schade in deze procedure vaststellen en zal niet verwijzen naar de schadestaatprocedure. De zaak wordt naar de rol verwezen zodat [eiser/gedaagde1] c.s zich nader kunnen uitlaten over de hoogte van de ongedaanmakingsverbintenissen en de door hen overigens geleden schade in de zin van artikel 6:277 BW, waarna Moos Beheer c.s. in de gelegenheid worden gesteld te reageren. In rechtsoverwegingen 5.16 tot en met 5.18 is de rechtbank alvast ingegaan op de bij de berekening van de waarde van de ongedaanmakingsverbintenissen te hanteren uitgangspunten. Het verrekeningsverweer van Moos Beheer c.s. (met een vermeende tegenvordering van € 60.000,00) gaat niet op en ook het beroep van Moos Beheer c.s. op eigen schuld van [eiser/gedaagde1] c.s. wordt verworpen. [eiser/gedaagde1] c.s. is verder verzocht zich bij nadere akte uit te laten over de vraag of er naast een verklaring voor recht dat de aannemingsovereenkomst terecht is ontboden ook belang bestaat bij een verklaring voor recht dat Moos Beheer onrechtmatig zou hebben gehandeld en of er naast door Moos Beheer te betalen bedragen op grond van de artikelen 6:271 en 6:277 BW nog ruimte is voor een verdere schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad. de vorderingen tegen [gedaagde/eiser2] De combinatie van de verschillende omstandigheden maakt dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde/eiser2] en dat [gedaagde/eiser2] persoonlijk onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser/gedaagde1] c.s. [gedaagde/eiser2] is in ieder geval aansprakelijk voor het gehele bedrag dat [eiser/gedaagde1] c.s. op aandringen van Moos te veel hebben betaald, welk bedrag naar het voorshands oordeel van de rechtbank in ieder geval bestaat uit het bedrag dat [eiser/gedaagde1] c.s. tot 13 juli 2021 rechtsreeks aan leveranciers en/of (onder)aannemers hebben betaald. De zaak wordt naar de rol verwezen zodat [eiser/gedaagde1] c.s. zich nader kunnen uitlaten over de hoogte van de schade die zij hebben geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagde/eiser2], waarna Moos Beheer c.s. in de gelegenheid zullen worden gesteld te reageren. in reconventie De vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen. verdere beoordeling de rechtbank komt niet terug op haar oordelen dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Moos Beheer en bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde/eiser2] 2.2. Hetgeen Moos Beheer c.s. in de inleiding van hun antwoordakte hebben aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding terug te komen op hetgeen zij in rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.20 van het tussenvonnis heeft overwogen. Gelet op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, zoals beschreven door de rechtbank in die rechtsoverwegingen, kan niet gezegd worden dat toepassing van de artikelen 5a en 5 b van de aannemingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 2.3. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding terug te komen op haar oordeel dat de combinatie van de verschillende omstandigheden van dit geval maakt dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van Moos. De rechtbank verwijst naar rechtsoverwegingen 5.25 en 5.26 van het tussenvonnis. Anders dan Moos Beheer c.s. in hun antwoordakte stellen, is het ernstige verwijt dat Moos wordt gemaakt niet gebaseerd op het enkele feit dat Moos aan [eiser/gedaagde1] c.s. heeft gezegd dat zij de leveranciers rechtsreeks konden betalen. geen belang bij gevorderde verklaring voor recht dat Moos Beheer (tevens) aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad 2.4. Naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank zich uit te laten over de vraag of er naast een verklaring voor recht dat de aannemingsovereenkomst terecht is ontboden ook belang bestaat bij een verklaring voor recht dat Moos Beheer onrechtmatig heeft gehandeld, hebben [eiser/gedaagde1] c.s. zich ermee akkoord verklaard dat dit punt wordt gelaten voor wat het is. De gevorderde verklaring voor recht dat Moos Beheer (tevens) aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen. door Moos Beheer te betalen bedragen; ongedaanmakingsverbintenissen (artikelen 6:271 en 272 BW) en schadevergoeding (artikel 6:277 BW) 2.5. Partijen verschillen van mening over de begroting van het bedrag dat Moos Beheer aan [eiser/gedaagde1] c.s. moet (terug)betalen als gevolg van de ontbinding van de aannemingsovereenkomst. 2.6. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser/gedaagde1] c.s. aldus dat zij primair voor de begroting van de schade door het niet nakomen door Moos Beheer van de overeenkomst (doordat ontbinding plaatsvindt) aansluiting zoeken bij het bij dagvaarding in het geding gebrachte taxatierapport van makelaar/taxateur mevrouw [A.] van 16 maart 2021 (inspectiedatum 5 maart 2021) (hierna ook: het taxatierapport). Volgens [eiser/gedaagde1] c.s. bestaat hun schade uit het verschil tussen de getaxeerde marktwaarde van de woning in het (fictieve) geval dat bestekconform zou zijn opgeleverd (getaxeerd op € 525.000) minus de in die situatie nog voor rekening van [eiser/gedaagde1] c.s. komende investering (€ 34.500) en minus de daadwerkelijke marktwaarde van het werk en de grond (in het taxatierapport vastgesteld op € 277.500), een en ander op 16 maart 2021. [eiser/gedaagde1] c.s. komen uit op een bedrag van € 213.000,00. In dit verband hebben [eiser/gedaagde1] c.s. aangevoerd dat in deze vergoeding verdisconteerd zit de reële marktwaardeontwikkeling en dat de fictieve positieve marktwaardeontwikkeling in redelijkheid aan [eiser/gedaagde1] c.s. toekomt. Subsidiair stellen [eiser/gedaagde1] c.s. dat Moos Beheer moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 171.898,72, zijnde het verschil tussen het door [eiser/gedaagde1] c.s. betaalde bedrag van € 213.911,68 minus de waarde van de prestatie op het tijdstip van ontvangst (nadat Moos Beheer de bouwplaats in december 2020 verliet). De waarde van de prestatie op het tijdstip van ontvangst bedraagt volgens [eiser/gedaagde1] c.s. € 42.012,96. Hierbij baseren [eiser/gedaagde1] c.s. zich op het aanvullende rapport van Top Expertise. [eiser/gedaagde1] c.s. hebben Top Expertise aanvullend laten rapporteren naar de vraag wat de waarde is die de prestatie van Moos Beheer voor [eiser/gedaagde1] c.s. op het tijdstip van ontvangst in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad. Hierbij stellen Riori c.s. de datum van ontvangst op 1 januari 2021 dan wel 2 maart 2021, omdat Moos Beheer volgens [eiser/gedaagde1] c.s. vanaf die data in verzuim is komen te verkeren. 2.7. Moos Beheer c.s. voeren ten verwere onder meer aan dat [eiser/gedaagde1] c.s. de door de rechtbank in het tussenvonnis in rechtsoverweging 5.14 uiteengezette uitgangspunten niet opvolgen en dat zij een vervangende schadevergoeding vorderen op grond van de artikelen 6:74 en 6:87 BW. Dit is volgens Moos Beheer echter niet mogelijk omdat de overeenkomst per 13 juli 2021 volledig is ontbonden. Daarom moet volgens Moos Beheer ook de door [eiser/gedaagde1] c.s. gevorderde compensatie voor eventuele prijsstijgingen worden afgewezen. Volgens Moos Beheer moeten op de waarde van de door Moos Beheer geleverde prestatie slechts de herstelkosten in mindering worden gebracht, waarna het door [eiser/gedaagde1] c.s. te veel betaalde bedrag moet worden terugbetaald. Moos Beheer c.s. komen – uitgaande van het aanvullende rapport van Top Expertise, dat zij overigens bestrijden en een door [eiser/gedaagde1] c.s. aan Moos Beheer betaald bedrag van € 129.923,67 – uit op een bedrag van € 47.714,74 dat zij [eiser/gedaagde1] c.s. moet terugbetalen. Dit verweer gaat net op. De rechtbank legt dit hieronder uit. 2.8. Zoals de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 5.14 van het tussenvonnis ontstaan als gevolg van ontbinding van een overeenkomst voor partijen op grond van artikel 6:271 BW over en weer verbintenissen tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties en moet Moos Beheer daarnaast aan [eiser/gedaagde1] c.s. vergoeden de schade die [eiser/gedaagde1] c.s. lijden doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt (art. 6:277, lid 1). Anders dan Moos Beheer kennelijk veronderstelt, zijn ongedaanmaking en bevrijding (artikel 6:271 BW) dus niet de enige gevolgen van de ontbinding. Ontbinding heeft weliswaar tot gevolg dat de door de overeenkomst tussen partijen bestaande rechtsverhouding tenietgaat, maar niet dat de toestand intreedt alsof er in het geheel geen overeenkomst was gesloten. 2.9. Om de op grond van artikel 6:277 BW verschuldigde schadevergoeding te bepalen, moeten twee vermogenssituaties van de crediteur ([eiser/gedaagde1] c.s.) worden vergeleken: enerzijds die welke zou zijn voortgevloeid uit behoorlijke wederzijdse nakoming, anderzijds die welke zou resulteren uit een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieplichten. De schadevergoeding strekt ertoe om het vermogen aan te vullen tot de hoogte waarop correcte wederzijdse nakoming het zou hebben gebracht. Deze schadevergoeding heeft betrekking op het positief contractsbelang (vgl. HR 8 juli 2011,ECLI:NL:HR:2011:BQ1684). 2.10. De restitutieverplichtingen, oftewel de ongedaanmakingsverplichtingen, worden vastgesteld aan de hand van de artikelen 6:271 en 6:272 BW. Bij ongedaanmaking die naar de aard van de prestatie niet mogelijk is, wordt de teruggaveverplichting vervangen door een waardevergoedingsverbintenis (art. 6: 272 BW). Bij prestaties die naar de aard niet kunnen worden ongedaan gemaakt gaat het niet alleen om onmogelijkheid van restitutie in strikte zin, maar ook om gevallen waarin ongedaanmaking niet op economisch zinvolle wijze tegemoetkomt aan de belangen van degene die de prestatie heeft verricht, zoals bij het bouwen van een huis. De gedachte achter art. 6:272 BW is te voorkomen dat de ontvanger van de prestatie ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Wat betreft de vaststelling van de waarde van de prestatie gaat het op grond van artikel 6:272 lid 1 BW om de (economische) waarde ten tijde van ontvangst van de prestatie, dus niet het moment van verzuim of het moment van de ontbinding. Bij een ondeugdelijke prestatie moet op grond van artikel 6:272 lid 2 BW vergoed worden de waarde die de prestatie in de gegeven omstandigheden werkelijk voor de ontvanger heeft gehad. Dit is niet de economische waarde, maar een subjectieve waarde. 2.11. De aard van de prestatie van Moos Beheer sluit uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, zodat daarvoor in de plaats treedt een waardevergoeding (art. 6:272 BW). De prestatie van Moos Beheer heeft bovendien niet beantwoord aan de verbintenis. Er is immers sprake van een toerekenbare tekortkoming van Moos Beheer in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. De waardevergoeding wordt op grond van artikel 6:272 lid 2 BW daarom bepaald op de waarde die de prestatie voor [eiser/gedaagde1] c.s. op het tijdstip van ontvangst in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad, de subjectieve waarde. Als tijdstip van ontvangst houdt de rechtbank eind december 2020 aan, toen Moos Beheer de bouwplaats heeft verlaten. Wanneer Moos Beheer in verzuim is komen te verkeren is in dit verband niet van belang. 2.12. De rechtbank zal voor het vaststellen van deze waardevergoeding aansluiting te zoeken bij het aanvullend rapport van Top Expertise. Dit is een aangevulde en aangepaste versie van het rapport van Top Expertise van 12 juli 2021 (aangehaald onder rechtsoverwegingen 3.5 en 5.18 van het tussenvonnis) en vermeldt, voor zover relevant: “Ingevolge uw aanvullende opdracht, ons verstrekt op 8 maart 2023, hebben wij een onderzoek uitgevoerd naar gereclameerde gebreken aan uitgevoerde werkzaamheden en naar wat de werkelijke waarde is van het uitgevoerde werk aan de nieuwbouwwoning van uw cliënt aan de [adres]. Hiertoe hebben wij op 19 mei 2021 een onderzoek op locatie uitgevoerd. De wederpartij was schriftelijk aangetekend uitgenodigd om ons onderzoek bij te wonen. (…) Op 19 mei 2021 heeft ons onderzoek op locatie plaatsgevonden. De wederpartij was schriftelijk aangetekend uitgenodigd om ons onderzoek bij te wonen. De wederpartij was niet aanwezig bij ons onderzoek. Na onze inspectie hebben wij nog wel kort telefonisch contact gehad met de wederpartij. Hij gaf aan ernstig ziek te zijn geweest, waardoor hij zijn werkzaamheden niet had kunnen voortzetten. (…) Op 8 maart 2023 ontvingen wij uw aanvullende opdracht waarbij u ons verzocht de volgende vragen te beantwoorden: 5. Zijn de werkzaamheden van de aannemer ongedaan te maken? 6. Zo ja, op welke wijze zouden deze werkzaamheden ongedaan te maken zijn? 7. Is het verantwoord om voort te bouwen op het geraamte zoals dat er nu staat? 8. Wat is de waarde van het werk op het tijdstip van ontvangst (te stellen op december 2020)? (…) Beantwoording van de onderzoeksvragen: (…) 2. Wat is de waarde van de door wederpartij uitgevoerde werkzaamheden? Wij hebben de totale tot op heden uitgevoerde werkzaamheden gecalculeerd met prijspeil 2019. De totale bouwkosten van de tot op heden uitgevoerde werkzaamheden (exclusief de kosten voor herstel van geconstateerde gebreken) bedragen € 115.183,93 inclusief btw . Als bijlage 2 voegen wij de calculatie toe. 3. Is er sprake van gebreken in de door wederpartij uitgevoerde werkzaamheden? Zo ja, welke? Ja, er is sprake van enkele gebreken in de tot op heden uitgevoerde werkzaamheden. a. Plafonds : (…) b. Binnenspouwbladen en binnenmuren : (…) Naast de door ons geconstateerde gebreken heeft Bouwkundig Ingenieuwrsbureau Emmel uit Harderwijk in opdracht van Building Supply B.V. te Genemuiden ook diverse constructieve gebreken vastgesteld, te weten: c. Diverse ondeugdelijke verbindingen in de staalconstructie: (…) d. Diverse ondeugdelijke stabiliteitswanden: (…) e. Ondeugdelijke ondersabelde voetplaten: (…) f. Ontbrekende doorvoeren nutsvoorzieningen: (…) g. Ontbrekende kruipluiken: In de begane grond vloer zijn geen kruipluiken gemaakt. Om de kruipruimte te kunnen betreden moeten die alsnog worden gemaakt. 4. Wat bedragen de redelijke kosten voor herstel van de door u geconstateerde gebreken? In onderstaande ramingen van de kosten zijn wij uitgegaan van de huidige prijzen (prijspeil 2023). a. Plafonds : Wij ramen de (extra) kosten voor het stukadoren van de plafonds van de begane grond en de eerste verdieping op € 4.475,- - inclusief btw . b. Binnenspouwbladen en binnenmuren: Wij ramen de kosten voor het behandelen en herstellen van de binnenspouwbladen en binnenwanden op alle verdiepingen op € 2.050,-- inclusief btw . c. Diverse ondeugdelijke verbindingen in de staalconstructie: Wij ramen de kosten voor het herstellen van diverse verbindingen in de staalconstructie op € 2.150,-- inclusief btw . d. Diverse ondeugdelijke stabiliteitswanden: Wij ramen de kosten voor het verwijderen en opnieuw opmetselen van diverse (stabiliteits) wanden (totaal circa 80m2 opgenomen) op € 21.600,-- inclusief btw . e. Ondeugdelijke ondersabelde voetplaten: Wij ramen de kosten voor het opstorten van de voetplaten van de kolommen op € 550,-- inclusief btw . f. Ontbrekende doorvoeren nutsvoorzieningen: Wij ramen de kosten voor het boren van gaten in de fundering voor de doorvoeren van de nutsvoorzieningen op € 800,-- inclusief btw . g. Ontbrekende kruipluiken: Wij ramen de kosten voor het maken van twee kruipluiken in de begane grond vloer op € 1.350,-- inclusief btw. 5. Zijn de werkzaamheden van de aannemer ongedaan te maken? Ja, feitelijk zijn alle werkzaamheden die reeds door de aannemer zijn uitgevoerd ongedaan te maken. 6. Zo ja, op welke wijze zouden deze werkzaamheden ongedaan te maken zijn? De wanden en de vloeren kunnen worden gesloopt. Ook de fundering kan worden gesloopt en de palen zouden uit de grond kunnen worden getrokken, waarna de bouwkuip opnieuw kan worden gevuld met zand. 7. Is het verantwoord om voort te bouwen op het geraamte zoals dat er nu staat? Nee, gelet op de door Ingenieursbureau Emmel geconstateerde gebreken aan de staalconstructie en de stabiliteitswanden is het niet verantwoord om voort te bouwen op het geraamte zoals dat er nu staat. 8 . Wat is de waarde van het werk op het tijdstip van ontvangst (te stellen op december 2020)? De waarde van het werk in december 2020 is naar ons oordeel € 115.183,93 minus de herstelkosten van de geconstateerde gebreken, te weten in totaal € 32.975,-- = € 82.208,93 inclusief btw . Hierbij moet worden opgemerkt dat het uw cliënt tot op heden niet is gelukt om een aannemer te vinden die bereid is om de woning af te bouwen op de reeds bestaande constructie, al dan niet met de noodzakelijke aanpassingen. Een van de door uw cliënt geraadpleegde aannemers die wij ook hebben gesproken heeft gesteld dat zij de woning alleen willen afbouwen wanneer het gehele geraamte wordt gesloopt en opnieuw wordt opgebouwd. Hierbij zal dan wel gebruik gemaakt kunnen worden van de reeds geleverd en gelegde prefab vloerplaten. Wanneer wij de bouwkosten ramen van na de sloop nog overblijft, dan zou geconcludeerd moeten worden dat de waarde van het werk € 73.157,27 inclusief btw is ( bijlage 3 ), minus de kosten voor het slopen en demonteren van de huidige constructie, waarbij de kanaalplaatvloeren en de staalconstructie hergebruikt worden en de fundering en begane grond vloer gehandhaafd blijft. De gebreken f en g blijven in dat geval nog wel over en zullen hersteld moeten worden. In totaal bedragen die herstelkosten circa € 2.150,-- inclusief btw . De kosten voor het slopen en demonteren ramen wij op € 28.994,31,-- inclusief btw (bijlage 3) . De waarde van het werk in december 2020 is dan € 73.157,27 minus € 2.150 en € 28.994,31,-- is € 42.012,96,-- inclusief btw . De bijlage 3 waarnaar in het rapport wordt verwezen is een aanpassing van bijlage 2; in bijlage 3 zijn bepaalde posten, kennelijk van te slopen bouwdelen, weggehaald: 2.13. Afgaande op het aanvullend rapport van Top Expertise is de waarde die de prestatie van Moos Beheer voor [eiser/gedaagde1] c.s. op het tijdstip van ontvangst in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad dus € 73.157,27. Hierbij gaat het – zo maakt de rechtbank op uit de tekst van het rapport, dat na de waardevaststelling van € 82.208,93, specifiek ingaat op de specifieke omstandigheden van [eiser/gedaagde1] c.s. – om de subjectieve waarde. Het bedrag van € 82.208,93 is in de berekening van Top Expertise te beschouwen als de economische waarde van de prestatie, namelijk de waarde van het werk gebaseerd op de bouwkosten minus de herstelkosten. De waarde van € 73.157,27 is gebaseerd op de specifieke, [eiser/gedaagde1] c.s. betreffende, omstandigheden, te weten dat het [eiser/gedaagde1] c.s. niet is gelukt een aannemer te vinden die bereid is de woning af te bouwen op de bestaande constructie, en dat een van de aannemers die [eiser/gedaagde1] c.s. hebben gesproken wel bereid is de woning af te bouwen wanneer het gehele geraamte wordt gesloopt en opnieuw wordt opgebouwd, waarbij dan wel gebruik kan worden gemaakt van de al geleverde en gelegde prefab vloerplaten. Inherent aan een waardebepaling op basis van artikel 6:272 lid 2 BW is dat met dergelijke subjectieve omstandigheden rekening wordt gehouden. In dit verband overweegt de rechtbank dat [eiser/gedaagde1] c.s. onbetwist hebben gesteld dat zij bij brief van 13 oktober 2021 Moos Beheer c.s. in de gelegenheid hebben gesteld het werk over te nemen. Voor zover Moos Beheer c.s. menen dat de woning wel kon worden afgebouwd op de bestaande constructie, had het op hun weg gelegen de schade van [eiser/gedaagde1] c.s. te beperken. De door Top Expertise begrote herstel- en sloopkosten zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als schade in de zin van artikel 6:277 BW, en komen hierna aan de orde. 2.14. Moos Beheer c.s. hebben uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen gebruik van het aanvullend rapport van Top Expertise voor de vaststelling van de schade, omdat dit rapport in opdracht van uitsluitend [eiser/gedaagde1] c.s. is opgesteld en geen sprake is van een onafhankelijke andere aannemer of een aannemer die op verzoek van beide partijen is benoemd. Bovendien is Moos Beheer niet bij het onderzoek betrokken geweest en heeft zij als gevolg van ziekte niet bij het onderzoek aanwezig kunnen zijn noch haar zienswijze op de conceptrapportage kunnen geven, aldus Moos Beheer c.s. Aan Moos Beheer c.s. kan worden nagegeven dat het aanvullend rapport van Top Expertise niet is aan te merken als het rapport van een onafhankelijk deskundige. Dit neemt evenwel niet weg dat het [eiser/gedaagde1] c.s. vrij stond aan de hand van dit rapport de ongedaanmakingsverbintenis en hun schade nader te onderbouwen, zoals het Moos Beheer c.s. uiteraard vrij stond dit rapport te weerspreken, wat Moos Beheer c.s. op onderdelen ook gedaan hebben. 2.15. Uit de rapporten van Top Expertise maakt de rechtbank op dat Moos Beheer c.s voorafgaand aan het onderzoek op 19 mei 2021 aangetekend schriftelijk is uitgenodigd dit onderzoek bij te wonen en dat er na dit onderzoek telefonisch contact is geweest tussen Top Expertise en Moos. Dat Moos Beheer c.s. niet (uitgebreider) bij het onderzoek betrokken zijn geweest komt voor rekening en risico van Moos Beheer c.s. Dat er ten behoeve van het aanvullend rapport nog en nader onderzoek ter plaatse heeft plaatsgevonden blijkt niet uit de stukken. Anders dan Moos Beheer c.s. aanvoeren, maakt het gegeven dat het onderzoek dateert van 19 mei 2021 en de aanvullende rapportage van 22 maart 2023 daarom niet dat de aanvullende rapportage aantoonbaar onbetrouwbaar en onjuist zou zijn. Kennelijk vond Top Expertise het in het kader van de aanvullende vragen niet nodig nog een keer ter plaatse een onderzoek in te stellen, hetgeen gelet op de aanvullende vragen ook niet onbegrijpelijk is. Door voor de waardebepaling uit te gaan van december 2020 heeft Top Expertise een juist uitgangspunt gekozen; het gaat bij de waardebepaling immers om het moment van ontvangst van de prestatie. 2.16. Moos Beheer c.s. hebben verder aangevoerd dat het aanvullende rapport aantoonbaar onjuist is omdat daarin wordt gesteld dat er geen kruipluik zou zijn gemaakt, terwijl er wel een kruipluik is gemaakt. Moos Beheer c.s. hebben dit onderbouwd met een foto. [eiser/gedaagde1] c.s. hebben – nadat de zaak voor uitlaten ex artikel 2.14 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken (hierna: het Landelijk Procesreglement) op de rol stond – niet meer gereageerd op deze stelling van Moos Beheer c.s. De rechtbank houdt het er daarom voor dat Moos Beheer wel een kruipluik heeft gemaakt. Dit maakt evenwel niet dat de gehele aanvullende rapportage onbetrouwbaar is. De rechtbank zal de onder g van het aanvullend rapport van Top Expertise genoemde kosten van € 1.350,00 voor ontbrekende kruipluiken niet meenemen bij de schadevaststelling. 2.17. Moos Beheer c.s. hebben verder aangevoerd dat de aanvullende rapportage er ten onrechte vanuit gaat dat [eiser/gedaagde1] c.s. in oktober 2020 een bedrag van € 213.911,68 (inclusief btw) aan Moos Beheer hebben betaald. Volgens Moos Beheer c.s. hebben [eiser/gedaagde1] c.s. een bedrag van € 129.923,67 (inclusief btw) aan Moos Beheer betaald. Moos Beheer stelt verder geen zicht te hebben op de rechtstreeks aan leveranciers betaalde bedragen. Bovendien zijn [eiser/gedaagde1] c.s. de contractanten van deze aannemers en is niet gesteld en niet gebleken [eiser/gedaagde1] c.s. niets voor hun betalingen aan deze derden hebben gekregen. Indien [eiser/gedaagde1] c.s. zouden hebben besloten geen aanspraak meer te willen maken op nakoming van hun overeenkomsten met deze derden moet deze beslissing volgens Moos Beheer c.s. voor rekening en risico van [eiser/gedaagde1] c.s. komen. De rechtbank gaat aan dit verweer van Moos Beheer c.s. voorbij en legt dit hieronder uit. 2.18. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser/gedaagde1] c.s. een bedrag van € 129.923,67 rechtsreeks aan Moos Beheer hebben betaald. Verder staat in deze procedure vast dat [eiser/gedaagde1] c.s. - op grond van door partijen op 30 april 2019 gemaakte afspraken - in de periode van 12 mei 2019 tot en met 13 november 2020 een bedrag van in totaal € 83.988,01 rechtsreeks aan leveranciers en/of onderaannemers hebben betaald (zie rechtsoverweging 3.30 van het tussenvonnis). Bij elkaar opgeteld is dit € 213.911,68. Zoals overwogen in rechtsoverwegingen 5.16 en 5.17 van het tussenvonnis houdt de rechtbank het ervoor dat alle tot de datum van ontbinding van de aannemingsovereenkomst (13 juli 2021) door [eiser/gedaagde1] c.s. gedane betalingen, zowel de betalingen aan Moos Beheer als de betalingen rechtstreeks aan leveranciers en/of onderaannemers, betrekking hebben gehad op de overeengekomen (vaste) aanneemsom. Hetgeen Moos Beheer c.s. in dit verband bij antwoordakte hebben aangevoerd geeft geen aanleiding hierop terug te komen. In dit verband roept de rechtbank in herinnering dat het initiatief voor de rechtstreekse betalingen bij Moos Beheer c.s. lag en dat Moos Beheer met [eiser/gedaagde1] c.s. een vaste aanneemsom was overeengekomen. De afspraken van 30 april 2019 zagen op de wijze van betaling van deze vaste aanneemsom. 2.19. Dat Moos Beheer geen winst op het werk heeft gemaakt, zoals aangevoerd door Moos Beheer c.s., is voor de waardevergoeding niet relevant. Bij de waardevergoeding gaat het immers om de waarde die de prestatie voor [eiser/gedaagde1] c.s. op het tijdstip van ontvangst in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad. 2.20. Op grond van het bovenstaande begroot de rechtbank de waarde die de prestatie voor [eiser/gedaagde1] c.s. op het tijdstip van ontvangst in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad op € 73.157,27. Dit betekent dat de ongedaanmakingsverbintenis van Moos Beheer (€ 213.911,68 - € 73.157,27 =) € 140.754,41 bedraagt. 2.21. Zoals hiervoor overwogen zijn ongedaanmaking en bevrijding (artikel 6:271 BW) niet de enige gevolgen van de ontbinding en is Moos Beheer (wier toerekenbare tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd) bovendien verplicht [eiser/gedaagde1] c.s. de schade te vergoeden die zij lijden, doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding heeft plaats gevonden (art. 6:277, lid 1). Om de op grond van artikel 6:277 BW verschuldigde schadevergoeding te bepalen, moeten twee vermogenssituaties van de crediteur ([eiser/gedaagde1] c.s.) worden vergeleken: enerzijds die welke zou zijn voortgevloeid uit behoorlijke wederzijdse nakoming, anderzijds die welke zou resulteren uit een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieplichten. 2.22. De in het aanvullend rapport van Top Expertise onder f genoemde post van € 800,00 (inclusief btw) en de kosten voor slopen en demonteren van € 28.994,31 (inclusief btw) zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als aanvullende schade in de zin van artikel 6:277 BW. Deze kosten zouden [eiser/gedaagde1] c.s. immers niet hoeven maken indien de overeenkomst behoorlijk was nagekomen. In dit verband merkt de rechtbank op dat Moos Beheer vanaf 17 maart 2021 in verzuim verkeerde (rechtsoverweging 5.13 van het tussenvonnis), zodat prijsstijgingen van na die datum voor haar rekening en risico komen. De rechtbank begroot de door Moos Beheer op grond van artikel 6:277 BW aan [eiser/gedaagde1] c.s. te betalen schade op deze door Top Expertise genoemde bedragen, samen € 29.794,31. 2.23. Zoals hiervoor gezegd, betogen [eiser/gedaagde1] c.s. aan de hand van het taxatierapport primair dat zij (doordat ontbinding in plaats van nakoming heeft plaatsgevonden) schade hebben geleden bestaande uit het verschil tussen de getaxeerde marktwaarde van de woning in het geval bestekconform zou zijn opgeleverd minus de in die situatie nog voor rekening van [eiser/gedaagde1] c.s. komende investering en minus de daadwerkelijke marktwaarde. [eiser/gedaagde1] c.s. komen uit op een schadebedrag van € 213.000,00. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om, na afwikkeling van de uit de ontbinding voortvloeiende restitutieplichten en naast de onder 2.22 genoemde schadeposten, op grond van het taxatierapport nog een bedrag aan gederfde positieve marktwaardeontwikkeling toe te kennen aan [eiser/gedaagde1] c.s.. De rechtbank licht dit hieronder toe. 2.24. In het taxatierapport staat, voor zover van belang: “Het object is per waardepeildatum getaxeerd op: - Marktwaarde: € 277.500,- (…) De volgende getaxeerde waarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.