← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2023:965

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem zaak/rolnr.: 9384188 CV EXPL 21-5424 datum uitspraak: 8 februari 2023 vonnis van de kantonrechter inzake 1 [passagier sub 1]

  1. [passagier sub 2] pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] allen wonende te [woonplaats] eisers hierna te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. B.D. van Tuil (DAS) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Air Arabia Maroc gevestigd en kantoorhoudende te Casablanca (Marokko) gedaagde hierna te noemen: Air Arabia niet verschenen 1De procedure 1.
  2. De passagiers hebben Air Arabia gedagvaard. Ter uitvoering van het tussenvonnis van 13 juli 2022 hebben de passagiers op de rol van 10 augustus 2022 een akte met producties genomen. Tegen Air Arabia is verstek verleend. 2De beoordeling 2.
  3. De kantonrechter stelt vast dat de passagiers door de kantonrechter zijn gemachtigd de onderhavige procedure namens hun minderjarige kinderen te voeren. 2.
  4. De passagiers hebben met de stukken die zij hebben overgelegd bij hun akte na tussenvonnis voldoende aannemelijk gemaakt dat de dagvaarding overeenkomstig de vereisten van het Haags Betekeningsverdrag is betekend. Als gevolg daarvan wordt tegen Air Arabia verstek verleend. Het verlenen van verstek houdt in beginsel in dat de vordering wordt toegewezen als deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. In dit geval is de vordering echter niet toewijsbaar. Daartoe wordt als volgt overwogen. 2.
  5. De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de Air Arabia de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam naar Nador (Marokko) op 16 juli 2020 (hierna: de heenvlucht) en op 28 augustus 2020 van Nador naar Amsterdam (hierna: de terugvlucht). 2.
  6. De passagiers vorderen dat Air Arabia bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 2.396,18, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2020, dan wel vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts vorderen de passagiers dat Air Arabia wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 205,50, de proceskosten en de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis. 2.
  7. De passagiers leggen artikel 5 in samenhang met artikel 8 lid 1 sub a van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) aan de vordering ten grondslag. 2.
  8. De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vluchten gehouden is tot restitutie van de vliegtickets conform artikel 5 lid 1 sub a in samenhang met artikel 8 lid 1 sub a van de Verordening. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente. 2.
  9. De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 3 van de Verordening bepaalt de werkingssfeer van de Verordening. In artikel 3 lid 1 sub b staat dat de Verordening in beginsel van toepassing is op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven, zoals bij de terugvlucht in deze zaak vanaf Nador, naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat, zoals in deze zaak Amsterdam (Schiphol). Voorwaarde bij een dergelijke vlucht is blijkens artikel 3 lid 1 sub b dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is. De vervoerder is echter geen communautaire luchtvaartmaatschappij als bedoeld in artikel 2 sub c van de Verordening. De vervoerder is immers gevestigd in Marokko en dus niet in een lidstaat. Dit betekent dat de Verordening niet van toepassing is op de terugvlucht. Voor zover de vordering betrekking heeft op de terugvlucht, zal deze daarom worden afgewezen. 2.
  10. Voor wat betreft de heenvlucht is de Verordening wel van toepassing. De passagiers kunnen zich echter niet op artikel 5 (in samenhang met artikel 8) van de Verordening beroepen, nu de passagiers stellen dat zij de heenvlucht zelf hebben geannuleerd. Artikel 2, onder l), van de Verordening definieert een annulering als “het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt”. Gesteld noch gebleken is dat de heenvlucht niet is uitgevoerd. Dit betekent dat de vordering, voor zover die betrekking heeft op de heenvlucht, eveneens zal worden afgewezen. 2.
  11. De kantonrechter zal de grondslag van de vordering niet ambtshalve aanvullen als bedoeld in artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangezien de gestelde feiten hiertoe geen aanleiding geven. 2.
  12. De passagiers worden in het ongelijk gesteld en zij zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  13. wijst de vordering af; 3.
  14. veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van Air Arabia tot en met vandaag worden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum. Coll.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.