RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.193598.23 (P) Uitspraakdatum: 13 juni 2024 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 mei 2024 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Karakaya-Pilavci, advocaat te Leusden, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 17 juli 2021, te IJmuiden, gemeente Velsen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (heftruck), daarmede rijdende over de weg, de Egmondstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met zijn voertuig te gaan stilstaan voor het kruisende fietspad op of aan de Kromstraat en daarbij met de lepels van zijn heftruck laag boven de grond, in ieder geval in strijd met artikel 5.18.8 van de Regeling Voertuigen lager dan 2 meter en/of zonder dat daarbij de uitstekende delen waren afgeschermd, over voornoemd fietspad geheld, waardoor een op dat fietspad rijdende fietser in botsing kwam/aanreed tegen/viel over de lepels van de door verdachte bestuurde heftruck, waardoor aan die fietser (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een trauma capitis met commotioneel beeld en inprentingsstoornissen (hersneschudding)en/of een neusfractruur en/of gebroken tanden, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 17 juli 2021 te IJmuiden, gemeente Velsen als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig met beperkte snelheid), daarmee rijdende op de weg, de Egmondstraat, met zijn voertuig is gaan stilstaan en/of heeft stilgestaan voor het kruisende fietspad op of aan de Kromstraat en daarbij met de lepels van zijn heftruck laag boven de grond, in ieder geval in strijd met artikel 5.18.8 van de Regeling voertuigen lager dan 2 meter en/of zonder dat daarbij de uitstekende delen waren afgeschermd, over voornoemd fietspad geheld, waardoor een op dat fietspad rijdende fietser in botsing kwam/aanreed tegen/viel over de lepels van de door verdachte bestuurde heftruck, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Het standpunt van de raadsvrouw zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.2 Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. 3.3.3 Bewijsoverweging Bewijsverweer De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het was voor de verdachte noodzakelijk om met de heftruck door te rijden tot de haaientanden op het wegdek, waardoor de lepels van de heftruck over het fietspad uitstaken, omdat het zicht op de rijbaan van de Kromhoutstraat wordt belemmerd door de betonnen blokken die het fietspad van de rijbaan van de Kromhoutstraat scheiden. Voorts is er geen causaal verband tussen de overtreding van artikel 5.18.8 van de Regeling Voertuigen en het ongeval. Immers het afschermen van de lepels had het ongeval niet voorkomen en als de verdachte de lepels op twee meter hoogte had gezet had hij nog minder zicht gehad en een gevaarlijke situatie op de weg veroorzaakt. De verdachte heeft zich gedragen zoals van een redelijke verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Er is dan ook geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) of van een zekere mate van concreet gevaar scheppend gedrag in de zin van artikel 5 WVW. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt het volgende. In het proces-verbaal onderzoek plaats ongeval stellen de verbalisanten vast dat door de betonnen scheiding tussen het fietspad en de rijbaan van de Kromhoutstraat, de rijbaan van de Kromhoutstraat vanuit de Egmondstraat minder goed zichtbaar was (foto 27, p. 27), maar ook dat er geen zicht belemmerende obstakels of omstandigheden waren ten tijde van het ongeval (p. 13). De verbalisanten verwijzen hiervoor naar de afbeeldingen 7 tot en met 10 in het proces-verbaal. Deze afbeeldingen betreffen de reconstructiefoto’s 8, 9 en 10 (p. 14-15). Hierop, zoals ter zitting ten aanzien van afbeeldingen 9 en 10 aan de verdachte is voorgehouden, is te zien dat de auto’s op de rijbaan van de Kromhoutstraat vanaf de bestuurdersstoel van de heftruck goed te zien zijn. Dit is ook zo als de heftruck vóór het fietspad stopt op een plaats waardoor de lepels van de heftruck zich nog niet boven het fietspad bevinden. Dat de situatie ter plaatse anders zou zijn dan op de foto’s is te zien, zoals de verdachte ter zitting heeft gesteld, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank stelt dan ook vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er geen noodzaak was voor de verdachte om met de heftruck vlak voor de haaientanden te stoppen en met de lepels van de heftruck over het fietspad, omdat hij anders geen zicht zou hebben gehad op de rijbaan. De rechtbank verwerpt het daartoe strekkende verweer van de verdediging. De verdachte heeft erkend dat hij de lepels niet had afgeschermd, dan wel op minimaal twee meter hoogte had gezet, zoals artikel 5.18.8 van de Regeling Voertuigen voorschrijft. Uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer in het dossier blijkt dat zij niet had gezien dat het voertuig bij de kruising een heftruck betrof. Het vermoeden van de verbalisanten dat zij de lepels niet had gezien, wordt daardoor bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat tenminste het niet voldoen aan het voorschrift dat de lepels op twee meter hoogte hadden moeten staan causaal verband heeft met het ongeval. Als de lepels op die hoogte hadden gestaan, had het slachtoffer de lepels niet over het hoofd gezien en was er niet tegen aangereden. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte door met de vorkheftruck stil te staan voor het kruisende fietspad met de lepels van de heftruck laag boven de grond, zonder afscherming, over het fietspad geheld, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor een ongeval heeft plaatsgevonden. De fietsster, [slachtoffer] , heeft door dit ongeval aanzienlijk letsel opgelopen. De rechtbank is evenwel, met de officier van justitie, van oordeel dat het dossier onvoldoende informatie bevat over de aard van het letsel en de duur van het herstel om bewezen te achten dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de WVW heeft opgelopen. De rechtbank merkt het letsel aan als lichamelijk letsel, waardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat primair: hij op 17 juli 2021, te IJmuiden, gemeente Velsen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (heftruck), daarmede rijdende over de weg, de Egmondstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met zijn voertuig te gaan stilstaan voor het kruisende fietspad op of aan de Kromhoutstraat en daarbij met de lepels van zijn heftruck laag boven de grond, in ieder geval in strijd met artikel 5.18.8 van de Regeling Voertuigen lager dan 2 meter en zonder dat daarbij de uitstekende delen waren afgeschermd, over voornoemd fietspad geheld, waardoor een op dat fietspad rijdende fietser in botsing kwam/aanreed tegen/viel over de lepels van de door verdachte bestuurde heftruck, waardoor aan die fietser (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 900,-, bij niet betalen te vervangen door 18 dagen hechtenis. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het tijdsverloop. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit De verdachte heeft als bestuurder van een heftruck onvoldoende voorzichtigheid betracht, waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De verdachte stond met een heftruck stil voor een fietspad, waarbij de lepels van de heftruck laag boven het fietspad hingen. De lepels waren niet afgeschermd. Het slachtoffer fietste op het fietspad, heeft de uitstekende lepels niet gezien en is tegen de lepels aangereden, waardoor zij ten val is gekomen en lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. De verdachte heeft contact opgenomen met het slachtoffer, heeft er aan bijgedragen dat haar schade door de verzekering is vergoed en heeft ook ter zitting zijn medeleven betoond met het slachtoffer. De rechtbank heeft evenwel op grond van de verklaring van de verdachte ter zitting de indruk dat hij ook nu nog niet volledig de laakbaarheid van zijn handelen overziet, omdat hij zich op het standpunt stelt dat het naleven van de voorschriften in artikel 5.18.8 van de Regeling Voertuigen meer gevaar zou hebben opgeleverd dan zijn handelen op 17 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.