RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 10872707 \ CV EXPL 24-467 Uitspraakdatum: 16 oktober 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1] 2. [eiser 2] beiden wonende te [plaats 1] 3. [eiser 3]wonende te [plaats 2] 4. [eiser 4]wonende te [plaats 3] eisers hierna: de passagiers gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (Stichting Claim Refund D-Reizen) tegen de vennootschap naar buitenlands rechtUnited Airlines, Inc. gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten gedaagdehierna: de vervoerder gemachtigde: mr. R.S.L.M. Pessers en mr. A. Etienne (Van Traa Advocaten N.V.) De zaak in het kort De passagiers hebben van de terugbetaling van de ticketprijzen van de vervoerder gevorderd voor een aantal geannuleerde vluchten van en naar de Verenigde Staten, op grond van de Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder stelt dat hij niet gehouden is om terug te betalen omdat hij al heeft terugbetaald aan D-Reizen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De Verordening is echter niet van toepassing op de terugvluchten van de passagiers. Daarom wordt de vordering van de passagiers gedeeltelijk toegewezen. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - het incident strekkende tot onbevoegdheid; - het vonnis van 9 mei 2023 van de rechtbank Amsterdam waarin de kantonrechter zich onbevoegd verklaart en waarin de zaak wordt doorverwezen naar de rechtbank Noord-Holland, sector kanton; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. - de mondelinge behandeling van 19 september 2024 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De passagiers hebben vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen als volgt vervoeren:- Passagiers sub 1 en sub 2 op 25 mei 2020 van Amsterdam-Schiphol Airport, via Frankfurt Airport, Duitsland, naar J.F. Kennedy, Airport, New York, Verenigde Staten, met de vluchtcombinatie UA9518 en UA8843, en:- op 31 mei 2020 van J.F. Kennedy Airport, New York, Verenigde Staten via Frankfurt Airport, Duitsland, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met de vluchtcombinatie UA8842 en UA9163;- Passagiers sub 3 en sub 4 op 25 augustus 2020 van Amsterdam-Schiphol naar George Bush International Airport, Houston, Verenigde Staten, met vlucht UA0021, en;- op 31 augustus 2020 van George Bush International Airport, Houston, Verenigde Staten, via Los Angeles Airport, Verenigde Staten, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met de vluchtcombinatie UA2361 en UA0020. 2.2. De passagiers hadden de vluchten geboekt via reisbureau D-Reizen. 2.3. De vervoerder heeft alle bovenstaande vluchten geannuleerd. 2.4. De vervoerder heeft de ticketprijzen van de passagiers in september en oktober 2020 terugbetaald aan Airtrade. Airtrade heeft de ticketprijzen terugbetaald aan D-Reizen. De passagiers hebben geen terugbetaling van D-Reizen ontvangen. 2.5. D-Reizen is op 6 april 2021 failliet verklaard. 2.6. De passagiers hebben terugbetaling van de ticketprijzen gevorderd van de vervoerder. 2.7. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.1. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 807,84 aan passagiers sub 1 en sub 2, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf zeven dagen na annulering tot aan de dag der algehele voldoening;- € 146,62 aan buitengerechtelijke incassokosten aan passagiers sub 1 en sub 2, te vermeerderen met wettelijke rente; - € 1.244,68 - aan passagiers sub 3 en sub 4, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf zeven dagen na annulering tot aan de dag der algehele voldoening; - € 225,91 aan buitengerechtelijke incassokosten aan passagiers sub 3 en sub 4, te vermeerderen met wettelijke rente- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vluchten de ticketprijzen van de vluchten moet terugbetalen (artikel 8 van de Verordening). 3.3. De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. Vast staat dat de vluchten zijn geannuleerd. Op grond van de Verordening hebben passagiers bij annulering in beginsel recht op terugbetaling van de ongebruikte vliegtickets of een alternatieve vlucht naar de eindbestemming. De vervoerder betwist dat de Verordening van toepassing is op de vluchtcombinatie UA8842 en UA9163 van New York naar Amsterdam en de vluchtcombinatie UA2361 en UA0020 van Houston naar Amsterdam (hierna: de terugvluchten). De overige vluchten zullen hierna ‘de heenvluchten’ worden genoemd. De Verordening is niet van toepassing op de terugvluchten 4.3. Het Hof heeft geoordeeld dat heen- en terugvluchten afzonderlijk van elkaar moeten worden gezien, ook als deze onderdeel zijn van één boeking. Voor de heen- en de terugvluchten moet dus afzonderlijk worden bepaald of de Verordening daarop van toepassing is. Op grond van artikel 3 lid 1 sub a is de Verordening van toepassing op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven gelegen in een lidstaat. Dit geldt voor de heenvluchten. In artikel 3 lid 1 sub b van de Verordening staat dat de Verordening alleen van toepassing is op vluchten die vertrekken vanaf een luchthaven buiten de Europese Unie naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat, als de vervoerder een ‘communautaire luchtvaartmaatschappij’ is. Dit geldt niet voor de terugvluchten. Deze vertrokken weliswaar vanaf luchthavens buiten de Europese Unie (beiden in de Verenigde Staten) naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat, Amsterdam Schiphol Airport, maar de vervoerder is gevestigd in de Verenigde Staten en dus niet in een lidstaat. De conclusie is dan ook dat de Verordening niet van toepassing is op de terugvluchten. Ten aanzien van de heenvluchten overweegt de kantonrechter het volgende.Verweer vervoerder 4.4. Volgens de vervoerder hebben de passagiers uit hoofde van de Verordening geen recht op terugbetaling van de ticketprijs aan hen. De vervoerder is op grond van de Verordening weliswaar gehouden tot betaling van de ticketprijs, maar die terugbetaling moet de vervoerder doen aan zijn contractuele wederpartij, te weten Airtrade. Dat heeft de vervoerder ook gedaan. 4.5. Volgens de vervoerder hebben de passagiers uit hoofde van de Verordening geen recht op terugbetaling van de ticketprijs aan hen. De vervoerder is op grond van de Verordening weliswaar gehouden tot betaling van de ticketprijs, maar die terugbetaling moet de vervoerder doen aan zijn contractuele wederpartij, te weten Airtrade. Tussen de passagiers en de vervoerder bestaat geen overeenkomst. Dat heeft de vervoerder ook gedaan. Ten slotte stelt de vervoerder dat hij bevrijdend heeft betaald omdat de passagiers zich in deze hebben laten vertegenwoordigen door D-Reizen. De vervoerder heeft verder aangevoerd dat en waarom het arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2464 waarin deze lijn niet wordt gevolgd, niet correct is. De passagiers hebben het voorgaande gemotiveerd weersproken. De vervoerder is op grond van de Verordening verplicht om aan de passagiers terug te betalen 4.6. De vordering van de passagiers is gebaseerd op de Verordening. Deze maakt deel uit van het recht van de Europese Unie (Unierecht). Het Unierecht heeft in beginsel voorrang op nationaal recht en kan rechtstreekse werking bezitten. Bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. De Verordening is bindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk. Daar waar een rechtstreeks werkende regel van Unierecht onverenigbaar is met een regel van nationaal recht, moeten laatstgenoemde regels op grond van het Unierecht terzijde geschoven worden. 4.7. Op grond van artikel 5 van de Verordening moet de luchtvaartmaatschappij bij annulering de passagier bijstand bieden als bedoeld in artikel 8 van de Verordening. In dat laatste artikel wordt aan de passagier de keuze voor volledige terugbetaling van de ticketprijs geboden. Blijkens de considerans bij de Verordening wordt met de Verordening een hoog niveau van bescherming van passagiers beoogd. Om een effectieve toepassing van de Verordening te waarborgen, rusten alle verplichtingen uit de Verordening op de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert (of laat uitvoeren). Ook in de rechtspraak van het Hof staat een hoog niveau van bescherming van passagiers voorop, terwijl daaruit ook volgt dat alle verplichtingen uit de Verordening op de luchtvaartmaatschappij rusten. 4.8. In het licht van het voorgaande moeten de artikelen 5 en 8 van de Verordening zo worden begrepen dat de verplichting om de ticketprijs bij annulering terug te betalen, rust op de luchtvaartmaatschappij. Het is daarmee ook de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij om te bewerkstelligen dat de restitutie bij de passagier terecht komt. De luchtvaartmaatschappij moet op grond van artikel 5 van de Verordening immers bijstand aan de passagier (en niet aan enig ander) verlenen. Dat betekent dat wanneer de passagier op grond van artikel 8 van de Verordening kiest voor terugbetaling van de originele ticketprijs, die terugbetaling moet plaatsvinden aan de passagier in kwestie. Dat dit anders zou (kunnen) zijn als een passagier zijn ticket heeft geboekt via een reisbureau zoals D-Reizen, volgt niet uit de Verordening of de jurisprudentie daarover. Ook de stelling dat de vervoerder geen inzicht heeft in de achterliggende boeking en of er sprake is van een pakketreis of niet, maakt dit niet anders, nog daargelaten dat niet gesteld of gebleken is dat daar in dit geval sprake van was. 4.9. Uit het voorgaande volgt dat de passagiers op grond van de Verordening van de vervoerder kunnen verlangen dat deze aan hen de ticketprijs terugbetaalt, ook nu zij via D-Reizen de tickets hadden geboekt. Daaruit volgt ook dat de vervoerder niet aan zijn verplichtingen jegens de passagiers heeft voldaan in de situatie waarin hij via Airtrade de ticketprijs heeft terugbetaald aan D-Reizen en D-Reizen die ticketprijzen vervolgens niet heeft doorbetaald aan de passagiers. De vervoerder heeft niet bevrijdend betaald aan D-Reizen 4.10. Het verweer van de vervoerder dat hij bevrijdend heeft betaald omdat sprake is van vertegenwoordiging van de passagiers door D-Reizen, slaagt evenmin. De vervoerder kan in het licht van de Verordening slechts bevrijdend betalen aan een derde, zoals een reisagent, als de passagier heeft beoogd deze als vertegenwoordiger aan te wijzen en sprake is van een uitdrukkelijke machtiging aan deze derde om de restitutie namens de passagier(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.