← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:11335

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 23/4224 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2024 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit Alkmaar, eiseres (gemachtigde: mr. L.A. Pronk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, verweerder (gemachtigden: mr. F. Soeltaansingh en M.T.J. Aardenburg). Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de omgevingsvergunning voor het realiseren van een gezinshuis op het adres [adres] ( [postcode] ) in Castricum. 1.2 Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 mei 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.3 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4 De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 2.1 De rechtbank beoordeelt of verweerder de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 2.2 Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.3 De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

  1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet, voor zover voor deze zaak van belang, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend op 17 oktober
  2. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven. Feiten en omstandigheden 4.1 Eiseres is actief in de regio Alkmaar en biedt begeleiding en behandeling aan jongeren en jongvolwassenen met een (licht)verstandelijke beperking en psychosociale problematiek. Eiseres biedt kwetsbare jongeren hulp om uit een ingewikkelde probleemsituatie te komen. Eén van de manieren waarop eiseres hulp biedt, is het aanbieden van woonruimte. 4.2 Op 31 mei 2022 heeft verweerder naar aanleiding van een handhavingsverzoek geconstateerd dat de woning op het perceel [adres] ( [postcode] ) in Castricum voor een woongroep wordt gebruikt. 4.3 Op dit perceel is het bestemmingsplan ‘Castricum Noord, Oost en West’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Op het perceel geldt de bestemming ‘Wonen’ zoals geregeld in artikel 19.1.1 van het bestemmingsplan. 4.4 Op 23 september 2022 heeft verweerder eiseres verzocht om een aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ na het constateren van het gebruik van de woning voor een woongroep op 31 mei
  3. 4.5 Eiseres heeft op 17 oktober 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een woonhuis op het adres. Eiseres geeft daarbij aan dat zij van mening is dat de aangevraagde situatie binnen het bestemmingsplan valt, maar dat zij de aanvraag indient in verband met het verzoek van verweerder. 4.6 Met het besluit van 8 december 2022 heeft verweerder de omgevingsvergunning voor het gebruik van de woning voor de begeleiding van jongeren met pedagogische ondersteuning op het adres geweigerd omdat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. Het plan voldoet niet aan de regels van de bestemming ‘Wonen’ en er is geen sprake van het gebruik als ‘woning’. Met het bestreden besluit van 26 mei 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Beoordeling
  4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroepsgrond heeft gericht tegen de weigering van verweerder om af te wijken van het bestemmingsplan. Dit beroep beperkt zich daarom tot de vraag of de aangevraagde situatie in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Definitie ‘wonen’ en nagenoeg zelfstandige bewoning 5.1 Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het gebruik van de woning beperkt dient te zijn tot het bewonen door één huishouden. Het standpunt van verweerder dat de bestemming ‘Wonen’ in samenhang met de begripsbepaling ‘Woning’ dient te worden beoordeeld is achterhaald. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit in haar jurisprudentie al uitgelegd en bovendien ook dat ‘wonen’ naar het algemene spraakgebruik dient te worden beoordeeld. Volgens eiseres moet de vraag dus zijn of het verblijf van de jongeren onder ‘wonen’ volgens het algemeen spraakgebruik valt. Volgens de Van Dale valt onder ‘wonen’: verblijf houden; kamers hebben; gehuisvest zijn. Hier is aan voldaan, het past dus binnen het bestemmingsplan. Er is in het bestemmingsplan geen directe koppeling gelegd tussen de bestemming ‘Wonen’ en de begripsomschrijving of planregel. Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat indien de koppeling tussen de begripsbepaling ‘wonen’ en ‘woning’ ontbreekt in het bestemmingsplan ook andere woonvormen zijn toegestaan. In haar jurisprudentie heeft de Afdeling overwogen dat ook minder traditionele woonvormen zich met een woonbestemming vereenzelvigen, mits sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een woonsituatie met nagenoeg zelfstandige bewoning of van een situatie van wonen met zorg, moet betekenis worden toegekend aan de mate van zorg (toezicht en begeleiding) die aan de bewoners van de woning wordt verleend. De Afdeling heeft geoordeeld dat wanneer enige zorg wordt geboden, niet reeds daarom geen sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. De woonfunctie moet het primaire doel zijn. Er is geen sprake van permanente behandeling of therapeutische behandelingen binnen de woning en, indien er sprake is van behandeling, dan vindt die buitenshuis plaats. Er is ook geen sprake van verplichte, aan bewoning gekoppelde zorg. De jongeren hebben dagbesteding elders, ze gaan naar hun werk of volgen een opleiding. In de woning moet een soort huiskamergevoel heersen en de gemeenschappelijke ruimte wordt gebruikt om gemeenschappelijke activiteiten te ondernemen. Ook is de huisvesting niet op dwingende basis, maar vrijwillig. De bewoners eten niet (steeds) gezamenlijk. Er is dus geen sprake van verblijf met een primaire zorgcomponent en er is (nagenoeg) zelfstandige bewoning welke past binnen het bestemmingsplan. Dat er 24 uur per dag een pedagogisch opvoeder aanwezig is, doet hier niet aan af omdat het niet gaat om zorg of begeleiding, maar om het bieden van een reguliere woonsituatie voor jongeren. De jongeren hebben een eigen kamer, maken geen gebruik van gezamenlijke voorzieningen en zijn onderling verbonden door hun problematiek. In het pand is volgens eiseres daarom sprake van een woonvorm waarin een met een gezinsverband vergelijkbaar huishouden wordt gevoerd. Tot slot heeft eiseres ter zitting toegelicht dat, anders dan door verweerder in het bestreden besluit is gesteld, er geen sprake is van een sterk wisselende samenstelling van jongeren in de woning. Verweerder is in het bestreden besluit uitgegaan van onjuiste feiten. Er is sprake van een continuïteit die past bij het begrip ‘wonen’. De jongeren blijven gemiddeld anderhalf á twee jaar in de woning wonen. 5.2 Verweerder is met eiseres van mening dat de bestemming ‘Wonen’ niet zomaar gekoppeld kan worden aan het begrip ‘Woning’. De afwijzing van de aanvraag is gelegen in de bijbehorende bestemmingsomschrijving zoals geregeld in artikel 19.1.1 van het bestemmingsplan. Hierin zijn de voor ‘wonen’ aangewezen gronden namelijk bedoeld voor (onder meer) het bestaande aantal woningen. In dit geval is het voor de beoordeling van de bestemming dus wel degelijk van belang welke uitleg het bestemmingsplan geeft aan het begrip ‘woning’. Volgens artikel 1 van het bestemmingsplan is een woning een ‘complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden’. Daar ziet de aangevraagde situatie niet op. Verweerder stelt dat de wisselende samenstelling van de bewoners een hulpverleningstraject doorlopen, de jongeren worden geholpen om terug te keren in de maatschappij en de bewoners staan onder professioneel 24-uurs toezicht. Dit veronderstelt een zekere mate van toezicht en begeleiding die zich slecht verhoudt tot (nagenoeg) zelfstandige bewoning; het verblijf kan niet los worden gezien van de bewoning en begeleiding. Gelet op het gestelde doel van het wonen, namelijk ondersteuning zodat de jongeren uiteindelijk terug kunnen keren in de maatschappij en zelfstandig kunnen wonen, kan geen duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het wonen en de geboden zorg, zodat geen sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. In de aangevraagde situatie zijn er geen huurcontracten, maar wordt de huisvesting betaald uit zorggelden en wordt de zorg vanuit Jeugdzorg bekostigd. Jurisprudentie van de Afdeling laat zien dat in een soortgelijke situatie, waarin het de bedoeling was dat de bewoners zoveel mogelijk zelfstandig functioneerden, en waar 24 uur per dag begeleiding aanwezig is, de Afdeling heeft geoordeeld dat geen sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. Het uitgangspunt van de huisvesting is niet het bieden van huisvesting aan wie dat wil, maar aan jongeren met ernstige gedragsproblemen of een forensische achtergrond die de aansluiting met de samenleving kwijt zijn en zelf geen hulp zoeken. Ze worden omschreven als moeilijk begeleidbare jongeren met problemen op verschillende gebieden die vaak met meerdere zorgaanbieders te maken hebben. Door de complexiteit van de doelgroep worden ze vaak afgewezen bij reguliere woonvoorzieningen. Er is geen vaste samenstelling van bewoners die een onderlinge verhouding met elkaar hebben of de bedoeling hebben voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. De continuïteit ontbreekt. Hieruit blijkt dat het hoofddoel van de bewoning het bieden van zorg is aan een specifieke groep mensen en de nadruk ligt op de zorgcomponent waardoor geen sprake kan zijn van nagenoeg zelfstandig wonen. 5.3 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, zoals de bezwaarcommissie heeft beschreven en ter zitting nader is toegelicht door verweerder, er geen sprake is van langdurige onderlinge organische verbondenheid. De woonsituatie valt daarmee niet onder het begrip huishouden. De bewoners staan 24 uur per dag onder professioneel toezicht van een pedagogisch opvoeder. Het hoofdgebruik ziet op de opvang van de jongeren en dus niet op de woonfunctie. De begeleiding door pedagogische opvoeders is gericht op het zoveel mogelijk zelfstandig (leren) leven. De rechtbank is van oordeel dat uit deze omstandigheden is af te leiden dat geen sprake is van zelfstandige dan wel nagenoeg zelfstandige bewoning: de daarvoor vereiste continuïteit ontbreekt en de zorgfunctie staat voorop. De nog ter zitting aangehaalde uitspraak van de Afdeling waarin is geoordeeld dat andere woonvormen ook zijn toegestaan indien de koppeling ontbreekt tussen de begrippen ‘woning’ en ‘wonen’, is niet van toepassing op de zaak die hier voorligt. Anders dan in die uitspraak is immers in het hier geldende bestemmingsplan wel uitdrukkelijk het begrip ‘woning’ opgenomen. De conclusie is dat de aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van een gezinshuis in strijd is met het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juli
  6. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. In de regels behorende bij het bestemmingsplan Castricum Noord, Oost en West zijn de volgende bepalingen opgenomen: Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: Woningeen complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 19.1 Bestemmingsomschrijving 19.1.1 De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a het bestaande aantal woningen, met dien verstande dat:
  7. ter plaatse van de aanduiding gestapeld, uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan; 2 ter plaatse van de aanduiding woonwagenstandplaats, uitsluitend het bestaande aantal woonwagens is toegestaan; b aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 24.1 en 24.2; c in afwijking van het bepaalde in artikel 24.1 zijn ter plaatse van de aanduiding bedrijf binnen het hele aanduidingvlak aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan; d in afwijking van het bepaalde in artikel 24.1 zijn ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van wonen - bedrijf en detailhandel binnen het hele aanduidingvlak aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan, alsmede ondergeschikte detailhandel; e mantelzorg in een afhankelijke woonruimte. met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. ECLI:NL:RVS:2018:1882, ro. 3.1 en 3.
  8. ECLI:NL:RVS:2020:
  9. ECLI:NL:RVS:2006:AZ
  10. ECLI:NL:RVS:2012:BV8034 en ECLI:NL:RVS:2012:BY
  11. ECLI:NL:RVS:2014:
  12. ECLI:NL:RBOBR:2017:
  13. ECLI:NL:RVS:2006:AZ3261.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.