ECLI:NL:RBNHO:2024:11569
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 23/4002 uitspraak van de enkelvoudige douanekamer van 8 november 2024 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C.E. Tonningen-ter Huizen), en de inspecteur van de Douane, kantoor Schiphol Passagiers, verweerder.
Procesverloop Verweerder heeft met dagtekening 11 januari 2023 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt van € 505,97, zijnde een bedrag van € 52,65 aan douanerechten en € 453,32 aan omzetbelasting.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de utb gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2024 te Haarlem.
Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen tot bijstand vergezeld van [naam 1] (praktijkondersteuner). Namens verweerder is verschenen mr. [naam 2] tot bijstand vergezeld van [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .
Overwegingen Feiten 1. Eiseres, woonachtig in Nederland, is op [datum 1] 2023 vanuit [land 1] via [land 2] op Schiphol aangekomen. Eiseres verliet de aankomsthal via het zogenaamde groene kanaal “niets aan te geven”. Tijdens een controle zijn de volgende goederen aangetroffen op het lichaam van eiseres:
3.1.
Tot de stukken van het geding behoort een op ambtsbelofte proces-verbaal fiscaal van verhoor van eiseres van 11 januari 2023, nummer [#] . In dit proces-verbaal is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “ 1. Waar komt u reis vandaan? “Uit [land 1] ”.
3.2.
Verder behoort tot de stukken van het geding een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal Fiscaal van 15 januari 2023, nummer [#] . In dit proces-verbaal is - voor zover van belang - het volgende vermeld: “Plaats/reisgegevens (…) Locatie (werkpunt) √ Aankomsthal 4 (…) Groene/rode kanaal √ groen (…) Bijzondere feiten en omstandigheden (zie vervolgblad) Tijdens de controle vertelde de passagier dat zij de sieraden had gekocht in [land 3] . Kort daarna gaf zij aan dat zij de sieraden in [gemeente] had gekocht.
De sieraden zijn niet voorzien van een Nederlandse keurmerk. Het karaat gehalte is bepaald middels de goudtest. Samen/door de E-functionaris ( [naam 6] ). Het karaatgehalte van de sieraden zijn 22 karaats (…)”
Geschil 7. In geschil is of de utb terecht aan eiseres is uitgereikt, hetgeen eiseres ontkent en verweerder bevestigt.
Eisers stelt tevens dat als de bewijslast dat er sprake is van terugkerende goederen op haar rust, zij daar aan heeft voldaan. De sieraden vertonen duidelijk gebruikerssporen. Uit de foto’s die door verweerder zijn genomen, volgt dat de armbanden niet egaal rond zijn - hetgeen wel te verwachten zou zijn indien er sprake zou zijn van nieuw aangeschafte armbanden - maar in zekere mate ovaal. Uit de door eiseres overgelegde foto’s, een uitnodiging voor een [feest] en de verklaring van haar dochter volgt bovendien dat eiseres de sieraden droeg op een [feest] op [datum 2] . Daarnaast blijkt uit de overgelegde factuur dat eiseres zes dunne gouden armbanden in 2015 in [gemeente] heeft gekocht voor een bedrag van € 1.000. Eiseres heeft haar dochter [naam 8] als getuige meegenomen.
Eiseres stelt dat ze onredelijk is behandeld en dat de menselijke maat zoek is. Er is sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel, aldus eiseres.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de utb terecht is opgelegd, verzoekt eiseres om kwijtschelding. In dat kader stelt eiseres dat uit de informatie op de website van de belastingdienst zou moeten blijken dat er een risico is op belastingheffing bij het dragen van sieraden na terugkomst uit het buitenland. De armbanden hebben geen enorme waarde en zijn aangeschaft voor € 600/700 en na het raadplegen van de website van de belastingdienst ging eiseres er vanuit dat sieraden onder de €10.000 niet hoeven te worden aangegeven. Tot slot verzoekt eiseres om de strafbeschikking te vernietigen.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb. Verder verzoekt zij om een proceskostenvergoeding en om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Verweerder voert aan dat de bewijslast op eiseres rust en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de armbanden Uniegoederen zijn of dat er eerder douanerechten en omzetbelasting over de armbanden is betaald. De overgelegde foto’s, de factuur en hetgeen eiseres heeft aangevoerd zijn daartoe onvoldoende. In dat kader voert verweerder aan dat hij gegronde twijfels heeft of de overgelegde factuur betrekking heeft op de ingevoerde goederen nu op de factuur een omschrijving inclusief het uiterlijk en specificatie waaronder het gewicht per armband, het factuurbedrag en het btw-bedrag ontbreken en een ander karaatgehalte op de factuur is vermeld dan door de controlerend ambtenaar is vastgesteld. Verweerder verwijst naar de uitspraken van rechtbank Noord-Holland van 26 maart 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:2946 en 4 april 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3254.
Voorts voert verweerder aan dat het douanerecht geen mogelijkheden biedt voor een belangenafweging. Er is geconstateerd dat eiseres goederen heeft ingevoerd waarvoor belasting betaald moet worden en daar kan niet door toepassing van de menselijke maat aan voorbij worden gegaan.
Tot slot voert verweerder aan dat eiseres geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan de informatie die is vermeld op de website van de douane aangaande liquide middelen omdat de armbanden geen liquide middelen zijn.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil 10. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de armbanden heeft binnengebracht vanuit [land 1] in Nederland via de luchthaven Schiphol. Ook is niet in geschil dat zij bij aankomst op Schiphol is gelopen door het groene kanaal “niets aan te geven” met de vier gouden armbanden om haar pols.
Wettelijk kader 11. Op grond van artikel 79, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) ontstaat een douaneschuld bij invoer als verplichtingen betreffende het binnenbrengen van niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie niet worden nagekomen.
Gegronde twijfel 17. Bij particulieren dient als doel voorop te staan dat het reizen niet ernstig moet worden belemmerd, en dat de bewijslast ten aanzien van de status van goederen, die op het eerste gezicht niet voor handelsdoeleinden zijn bestemd, en die naar algemeen gebruik tot een normale bagage of tot een normale dracht gerekend mogen worden, niet primair op de reiziger moet drukken. Vanzelfsprekend dient de reiziger aan te geven dat het om terugkerende goederen gaat, waartoe ook het passeren van de “groene doorgang”, die eiseres in casu volgde, gerekend kan worden.
19.1.
De rechtbank is van oordeel dat de douaneambtenaar op basis van:(i) een vlucht uit [land 1] , van buiten de Unie, (ii) de constatering dat de armbanden glommen, en(iii) de wisselende verklaringen van eiseres over waar zij de aangetroffen armbanden heeft gekocht, te weten de eerste verklaring van eiseres dat zij de armbanden vijf jaar gelden in [land 3] heeft gekocht terwijl de vlucht uit [land 1] kwam en vervolgens de verklaring van eiseres dat zij de armbanden zeven of acht jaar geleden in [gemeente] heeft gekocht, gegronde twijfel kon hebben over de juistheid van de aangifte.
19.2.
Aan eiseres moet worden toegegeven dat in het onder 3 genoemde proces-verbaal niet staat dat de armbanden wel of geen gebruikssporen bevatten, maar dit leidt niet tot een ander oordeel over of de douaneambtenaar gegronde twijfel kon hebben over de juistheid van de aangifte. Aan de hand van de door verweerder overgelegde foto’s die ten tijde van de controle zijn gemaakt en het tonen van de armbanden door eiseres ter zitting, heeft de rechtbank geconstateerd dat de armbanden glimmen en opvallend fonkelen. De armbanden tonen als nieuw uitziende sieraden. Of de armbanden ten tijde van de binnenbrengen van de sieraden in de Unie in zekere mate ovaal waren - hetgeen door eiseres is gesteld -, kan de rechtbank op basis van de stukken van het geding - waaronder de door partijen overgelegde foto’s - niet meer vaststellen, wat er ook van zij dat een niet volstrekt ronde vorm als een bewijs van een gebruikersspoor moet worden beschouwd. Verweerder mocht dus van eiseres nader bewijs verlangen over de herkomst van de sieraden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat - in tegenstelling tot hetgeen ter zitting is gesteld - het proces-verbaal van verhoor wel door eiseres is ondertekend.
Terugkerende goederen 20. Eiseres maakt aanspraak op de vrijstelling voor terugkerende goederen. Zij heeft de armbanden in 2015 in [gemeente] gekocht, zo stelt zij. De armbanden heeft ze meegenomen op vakantie naar [land 1] .
23.1.
Ter ondersteuning van haar betoog dat de armbanden vanaf 2015 in haar bezit zijn, heeft eiseres een factuur van 25 juli 2015 overlegd, een uitnodiging voor een [feest] op [datum 3] , foto’s die zijn gemaakt op [datum 2] , een verklaring van haar dochter [naam 8] waarin zij heeft verklaard dat eiseres de armbaden op het feest op [datum 3] om had en is haar dochter ter zitting als getuige gehoord.
23.2.
De rechtbank dient te beoordelen of eiseres bewijs heeft geleverd van de (voormalige) status van Uniegoed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres deze status niet aannemelijk gemaakt. Naast dat door eiseres wisselende verklaringen over de herkomst van de armbanden zijn gegeven, zijn de door eiseres overgelegde bewijsmiddelen zijn daartoe onvoldoende.
23.2.1.
Eiseres heeft ter zitting gesteld dat vanwege een kostenafweging er geen vertaling van de in het Arabisch opgestelde factuur van 25 juli 2015 is overgelegd en dat op de factuur zo weinig staat dat de factuur op zichzelf niet kan dienen als bewijs. Zij heeft eiseres ter zitting toegelicht dat op de factuur staat dat deze ziet op zes armbanden van 21 karaat.
23.2.2.
De door eiseres overgelegde factuur van 25 juli 2015 bevat echter geen omschrijving en verdere specificatie over de armbanden zoals bijvoorbeeld het gewicht per armband en een beschrijving van het uiterlijk van de armbanden. Daarnaast heeft verweerder middels de goudtestmethode ten tijde van de controle vastgesteld dat er sprake is van armbanden van 22 karaat. De enkele blote stelling van eiseres ter zitting dat de armbanden aan eiseres zijn verkocht als zijnde 21 karaat armbanden, en dat zij zich niet voor kan stellen dat het karaatgehalte op de factuur niet juist is en dat er mogelijk sprake is van een foutmarge in de testapparatuur, volgt de rechtbank niet. Zo als er al sprake zou zijn van een foutmarge in de testapparatuur, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat er een verschil kan ontstaan van één karaat.
23.2.3.
Gelet op voorgaande kan de rechtbank geen relatie leggen tussen de armbanden die de Unie zijn binnengebracht en de armbanden die op de factuur staan. De factuur van 25 juli 2015 bewijst niet dat de onderhavige armbanden in [gemeente] zijn aangeschaft door eiseres.
23.3.
Dat de sieraden zijn gekocht in [gemeente] wordt ook niet ondersteund door de getuigenverklaring ter zitting van de dochter van eiseres. Zij heeft na het afleggen van de belofte verklaard dat ze in [gemeente] is geweest toen eiseres armbanden kocht maar ze niet meer weet of het de onderhavige armbanden zijn.
23.4.
Ook de eerdere verklaring van de dochter van eiseres met de strekking dat zij aanwezig was op het [feest] dat plaatsvond op [datum 3] en waarin zij verklaart dat haar moeder, eiseres, de armbanden om had ter verfraaiing van het uiterlijk, gegeven geen informatie over waar en wanneer de armbanden zijn gekocht dan wel of de armbanden in Nederland in het vrije verkeer zijn gebracht.
23.5.
Eiseres heeft voorts foto’s overgelegd waarop zichtbaar is dat zij gouden armbanden draagt. Eiseres concludeert dat daaruit blijkt dat zij de aangetroffen armbanden in Nederland op [datum 3] heeft gedragen. De rechtbank stelt voorop dat de foto’s dateren van [datum 2] terwijl eiseres heeft gesteld dat het [feest] heeft plaatsgevonden op [datum 3] . Bovendien is niet met zekerheid vast te stellen dat het om dezelfde armbanden gaat. Dat eiseres de armbanden eerder heeft gedragen, geeft overigens op zichzelf ook geen informatie over waar en wanneer die armbanden zijn gekocht. Aldus bieden de foto’s naar het oordeel van de rechtbank geen sluitend bewijs dat de armbanden in Nederland zijn gekocht en dat zij in Nederland in het vrije verkeer zijn gebracht.
23.6.
De rechtbank concludeert dat eiseres niet voldaan heeft aan haar bewijslast en niet aannemelijk kan maken dat sprake is van Uniegoederen, zodat zij geen gerechtvaardigd aanspraak kan maken op de regeling terugkerende goederen.
Evenredigheidsbeginsel en menselijke maat 24. Het betoog van eiseres dat ze onredelijk is behandeld, de menselijke maat zoek is en dat er sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel, slaagt niet. Het DWU is een verordening van de Unie waarin de algemene voorschriften en procedures betreffende goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten zijn vastgesteld. Ter waarborging van de naleving van de douanewetgeving en andere wetgeving betreffende het binnenbrengen van goederen mag de douane goederen controleren. Dit heeft de douane gedaan. Op grond van het dossier, het verhandelde ter zitting en het hiervoor overwogene leidt de rechtbank af dat verweerder de controle heeft uitgevoerd en het bedrag van belasting heeft berekend overeenkomstig de terzake geldende wettelijke bepalingen. Verweerder heeft geen ruimte om ten voordele van eiseres af te wijken van Unierechtelijke dwingendrechtelijke bepalingen.
Informatie website douane en vertrouwensbeginsel 25.1.
Voor zover eiseres in het kader van de onderhavige procedure stelt dat verweerder onvolledige en onzorgvuldige informatie heeft verstrekt dan wel stelt dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt.
25.2.
De rechtbank stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om zich goed te informeren over de verschuldigde rechten bij invoer. Op de website van de douane is onder meer het volgende vermeld: “Goud, bijvoorbeeld munten en sieraden Neemt u goud met een waarde van € 10.000 of meer mee van buiten de EU? Dan moet u aangifte doen bij de Douane. Dit geldt voor: goud in de vorm van munten met een goudgehalte van ten minste 90% goud in een andere vorm, zoals klompjes en goudstaven, met een goudgehalte van ten minste 99,5% Over dit goud hoeft u geen belasting te betalen. Maar de Douane moet wel weten dat u het bij u hebt.
Neemt u andere gouden voorwerpen mee, bijvoorbeeld sieraden? Lees wat u dan moet doen bij Als u van sommige producten veel meeneemt, betaalt u belasting.”
25.3.
Een justitiabele kan zich alleen met vrucht op het vertrouwensbeginsel beroepen indien een bestuurlijke autoriteit bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt door precieze, onvoorwaardelijke en overeenstemmende toezeggingen te doen die uitgaan van bevoegde en betrouwbare bronnen (zie het arrest van het Hof van Justitie van 27 juni 2024, Prysmian Cabluri și Sisteme SA, C168/23, ECLI:EU:C:2024:557, punt 41). Eiseres heeft met wat zij heeft aangevoerd en overgelegd, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel. De tekst op website van de douane waarnaar eiseres verwijst, is geen precieze, onvoorwaardelijke en overeenstemmende toezegging jegens eiseres, en ziet op de invoer van liquide middelen en niet op de invoer van sieraden. Eiseres kon hieraan geen gerechtvaardigd vertrouwen ontleden met betrekking tot de invoer van haar gouden sieraden. Van onvolledige en onzorgvuldige informatie is evenmin geen sprake. Op de website wordt uitdrukkelijk vermeld dat als andere gouden voorwerpen, bijvoorbeeld sieraden, worden meegenomen verder moet worden gelezen om te weten wat dan geldt, namelijk onder de kop: ”Als u van sommige producten veel meeneemt, betaalt u belasting”.
Verzoek om kwijtschelding 26.1.
Eiseres heeft verzocht om kwijtschelding. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij weet dat in het beroep geen besluit van verweerder voorligt inzake een verzoek om kwijtschelding. Zij heeft desondanks verzocht om een oordeel van de rechtbank over kwijtschelding.
26.2.
Nu in deze procedure de utb ter beoordeling voorligt en eiseres geen verzoek om terugbetaling of kwijtschelding volgens de procedure van artikel 121 van het DWU heeft ingediend en aldus ook niet op een dergelijk verzoek is besloten, valt kwijtschelding buiten de omvang van het geding en komt de rechtbank aan een beoordeling van een verzoek om kwijtschelding niet toe.
Vernietiging strafbeschikking 27.1.
Eiseres heeft verzocht om vernietiging van de strafbeschikking. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat ze weet dat in deze procedure de fiscale strafbeschikking niet kan worden vernietigd.
27.2.
Voor zover er een fiscale strafbeschikking is vastgesteld, valt deze beschikking buiten de omvang van het geding. Tegen een strafbeschikking kan op grond van artikel 1:6 van de Algemene Wet bestuursrecht geen bezwaar worden gemaakt maar alleen verzet worden aangetekend bij het Openbaar Ministerie.
Conclusie 28. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade 29. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De berechting van deze zaak is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 17 januari 2023 en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 8 november 2024. De redelijke termijn van twee jaar is niet overschreden. Eiseres geeft geen recht op een vergoeding van immateriële schade.
Proceskosten 30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2024. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.