← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:12083

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9460484 \ CV EXPL 21-6556 Uitspraakdatum: 20 november 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1],

  1. [eiser 2],beiden wonende te [plaats] (Frankrijk) eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. H. Yildiz (Weiss Legal B.V.) tegen de besloten vennootschap KLM Cityhopper B.V. gevestigd te Schiphol gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers en mr. T. Holsbrink 1Het procesverloop 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.
  3. De passagiers hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer gereageerd op de producties bij de conclusie van dupliek. 1.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  5. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 4 september 2019 vervoeren van EuroAirport Basel-Mulhouse-Freiburg (Frankrijk) via Amsterdam naar Bangkok (Thailand), met de vluchten KL1988 en KL
  6. 2.
  7. De vlucht naar Amsterdam (KL1988) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht naar Bangkok gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee zij meer dan vier uur later dan oorspronkelijk gepland in Bangkok zijn aangekomen. 2.
  8. De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.
  9. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3Het geschil 3.
  10. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vluchtdatum tot aan de dag der algehele voldoening;- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten. 3.
  11. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per passagier (artikel 7 van de Verordening). 3.
  12. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
  13. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
  14. Niet in geschil is dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de overeengekomen eindbestemming zijn aangekomen, zodat er in beginsel een compensatieplicht geldt voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening welke ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. 4.
  15. De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat de vlucht is uitgevoerd met het toestel PH-EXS. Dit toestel heeft voorafgaand aan de vlucht nog twee andere vluchten uitgevoerd, de KL1198 (SVG-AMS) en de KL1987 (AMS-BSL). Volgens de vervoerder is de vertraagde uitvoering van vlucht KL1988 het gevolg geweest van eerder op de dag opgelopen vertraging. 4.
  16. De passagiers hebben niet betwist dat vlucht KL1198 met één uur en één minuut vertraging uit Stavenger is vertrokken vanwege restricties van de luchtverkeersleiding (slotvertraging). De reden voor het opleggen van restricties door de luchtverkeersleiding is in beginsel niet relevant voor de kwalificatie als buitengewone omstandigheid. Wanneer een vlucht een gewijzigd slot krijgt opgelegd, heeft deze vlucht niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. Een slot moet immers altijd worden opgevolgd en is niet inherent aan de normale bedrijfsuitvoering van een luchtvaartmaatschappij. Gesteld noch gebleken is dat de luchtverkeersleiding de gewijzigde slottijden heeft opgelegd door toedoen van de vervoerder. De (vertrek)vertraging van vlucht KL1198 is daarmee het gevolg van een buitengewone omstandigheid. 4.
  17. De vraag die vervolgens voorligt is of de voornoemde buitengewone omstandigheid doorwerkt naar de vluchten KL1987 en KL
  18. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vluchten door hetzelfde toestel zijn uitgevoerd. Er bestaat dan ook een causaal verband tussen de slotvertraging die zich tijdens de uitvoering van vlucht KL1198 heeft voorgedaan en de vertraging van de vluchten KL1987 en KL
  19. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van de vervoerder op de doorwerking van buitengewone omstandigheden slaagt. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de vertraging van de vlucht in kwestie in ieder geval voor één uur en één minuut te wijten is aan buitengewone omstandigheden. 4.
  20. De kantonrechter is van oordeel dat het in het midden kan blijven of de overige vertraging van vlucht KL1988 eveneens door buitengewone omstandigheden is veroorzaakt. De passagiers hebben niet betwist dat zij hun aansluitende vlucht naar Bangkok hadden kunnen halen indien voornoemde buitengewone omstandigheid zich niet had voorgedaan. Daarmee staat vast dat de vertraging op de eindbestemming is veroorzaakt door (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. 4.
  21. De vraag die vervolgens voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. De passagiers stellen in dit verband dat de omdraaitijd tussen de vluchten te kort zou zijn. De kantonrechter overweegt dat luchtvaartmaatschappijen op grond van het arrest van het Hof van 12 mei 2011 (Eglitis/Latvijas C-294/10) weliswaar gehouden zijn om in een bepaalde reservetijd dient te voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden, maar dat de voorgaande (rotatie)vluchten niet gerekend kunnen worden tot de (volledige) uitvoering van de vlucht zoals bedoeld in voormeld arrest. Deze stelling slaagt daarom niet. 4.
  22. De passagiers stellen verder dat zij niet zijn omgeboekt naar een andere vlucht ‘bij eerste gelegenheid’. In het onderhavige geval zijn de passagiers met minder dan 24 uur vertraging op hun eindbestemming aangekomen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de door de vervoerder aangeboden alternatieve vlucht geen redelijke maatregel vormt. 4.
  23. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer had kunnen nemen. De passagiers hebben in dit verband ook niets gesteld. De vordering van de passagiers tot betaling van compensatie wegens vertraging van de vlucht wordt daarom afgewezen. 4.
  24. De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  25. wijst de vordering af; 5.
  26. veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 408,- aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 102,- aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis; 5.
  27. verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.