RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8300795 \ CV EXPL 20-1182 Uitspraakdatum: 20 november 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser 1] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige], wonende te [plaats 1], [eiser 2] , wonende te [plaats 2], eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht British Airways Plc gevestigd te Cardiff (Verenigd Koninkrijk) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek; - de akte eisers. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 27 februari 2018 vervoeren van Londen Heathrow naar Amsterdam Schiphol, met vlucht BA438 (hierna: de vlucht). 2.2. De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. De passagiers zijn met 6 uur en 1 minuut vertraging in Amsterdam aangekomen. 2.3. De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.4. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 2.5. De passagier sub 1 is door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens haar minderjarige kind te voeren. 3Het geschil 3.1. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 februari 2018, tot aan de dag der algehele voldoening;- € 181,50 dan wel € 136,13 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per passagier (artikel 7 van de Verordening). 3.3. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd, zodat de vervoerder in beginsel een compensatieplicht heeft. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. 4.3. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er op 27 februari 2018 een capaciteitsreductie van kracht was. Op grond van deze capaciteitsreductie was de vervoerder verplicht om tussen 10:00 en 19:00 uur 15% van zijn vluchten te annuleren. Het is uitdrukkelijk niet aan de kantonrechter om te beoordelen of de luchtverkeersleiding de juiste beslissing heeft genomen door de capaciteit van de luchthaven naar beneden bij te stellen. 4.4. Een capaciteitsreductie kan een buitengewone omstandigheid vormen indien de vervoerder aantoont dat hij, gelet op de duur en mate van de restricties, geen andere keuze had dan tot annulering van de vlucht over te gaan. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder daarin is geslaagd. De vervoerder heeft toegelicht dat hij bij het annuleren van vluchten met verschillende factoren rekening houdt. Zo worden volgens de vervoerder korte afstand-vluchten sneller geannuleerd dan lange afstand-vluchten, en worden vroege(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.