RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 11356495 \ CV EXPL 24-3452 Uitspraakdatum: 18 december 2024 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: de besloten vennootschap Kinderdagverblijf en Buitenschoolse Opvang Anna Paulowna B.V., o.a. m.h.o.d. namen Kappio, Kappio Gastouderbureau te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon de eisende partij gemachtigde: Vermeer Gerechtsdeurwaarders tegen [gedaagde] te [plaats] de gedaagde partij niet verschenen De procedure 1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend. 2De vordering 2.1. De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 1.728,36 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten. 3De beoordeling Toepasselijke rechtsregels 3.1. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst gesloten tussen een handelaar en een consument als bedoeld in artikel 6:230h lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Titel 5, Afdeling 2B, Boek 6 BW. Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan de betreffende plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. 3.2. Anders dan de eisende partij stelt, is de kantonrechter van oordeel dat in dit geval sprake is van een ‘overeenkomst op afstand’ als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 sub e BW. Dit wordt als volgt toegelicht. 3.3. Een ‘overeenkomst op afstand’ is de overeenkomst die tussen handelaar en consument is gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop op afstand zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van handelaar en consument en waarbij, tot en met het moment van het sluiten van de overeenkomst, uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand (artikel 6:230g lid 1 sub e BW). Uit overweging 20 van de considerans bij de Richtlijn 2011/83/EU volgt dat het hierbij ook gaat om situaties waarin de consument de verkoopruimte alleen bezoekt om informatie over de goederen en diensten te vergaren, terwijl vervolgens de onderhandelingen over en de sluiting van de overeenkomst op afstand plaatsvinden. 3.4. Uit de stellingen van de eisende partij en de door haar overgelegde stukken blijkt dat de onderhavige overeenkomst als volgt tot stand gekomen. De gedaagde partij heeft haar interesse voor de opvang aan de eisende partij kenbaar gemaakt, waarna de eisende partij haar per e-mail een aanbod heeft gestuurd. Vervolgens heeft de gedaagde partij een rondleiding gehad op de locatie van de eisende partij waar het kind van de gedaagde partij geplaatst zou gaan worden. Vervolgens heeft de eisende partij digitaal een plaatsingsovereenkomst aan de gedaagde partij verstuurd. Deze heeft de gedaagde partij digitaal ondertekend, waarmee de overeenkomst tot stand is gekomen. 3.5. Hiermee is sprake van een overeenkomst op afstand als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 sub e BW. Dat partijen ‘voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst gelijktijdig in elkaars persoonlijke aanwezig geweest zijn’, zoals de eisende partij stelt, doet daaraan niet af. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat tijdens de rondleiding (ook) is onderhandeld over de overeenkomst. De kantonrechter verwijst naar de uitleg hierover onder r.o. 3.3. 3.6. Dit heeft tot gevolg dat aan de (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v BW moet zijn voldaan. Uit de toelichting en de overgelegde stukken van de eisende partij blijkt niet dat de eisende partij hieraan volledig heeft voldaan. Daartoe wordt als volgt overwogen. Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten 3.7. De eisende partij heeft voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 sub h BW. Uit de stukken waaruit blijkt welke informatie de eisende partij vóór het sluiten van de overeenkomst aan de gedaagde partij heeft verstrekt, blijkt niet dat is gewezen op het herroepingsrecht als bedoeld in artikel 6:230o lid 1 sub a BW. 3.8. Ook is niet voldaan aan de precontractuele informatieplicht met betrekking tot de betalingswijze ex artikel 6:230m lid 1 sub g BW. De eisende partij stelt dat deze informatie is opgenomen in de toepasselijke algemene voorwaarden, maar de kantonrechter is van oordeel dat de gedaagde partij hiermee niet op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte is gebracht van deze informatie. De gedaagde partij had er vóór het sluiten van de overeenkomst tenminste expliciet op gewezen moeten worden dát deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Daaraan is niet voldaan. 3.9. De eisende partij heeft verder ook niet (volledig) voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW. Deze informatieplicht houdt kortgezegd in dat de eisende partij een bevestiging van de overeenkomst aan de consument moet verstrekken op een duurzame gegevensdrager met daarin de in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. Alhoewel de overgelegde plaatsingsovereenkomst als duurzame gegevensdrager kan worden aangemerkt, staat hierin niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie, omdat hierin het wettelijke herroepingsrecht van artikel 6:230m lid 1 onder h BW ontbreekt. 3.10. De kantonrechter zal voor deze schendingen een sanctie toepassen. Welke sanctie hoort hierbij? 3.11. De schending met betrekking tot het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, maar ten hoogste met twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Omdat deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomst binnen die termijn heeft willen herroepen, zal aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie worden verbonden. 3.12. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. 3.13. De eisende partij heeft de precontractuele informatieplicht(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.