← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:14191

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 11136042 \ VV EXPL 24-42 Uitspraakdatum: 1 oktober 2024 Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van: de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Woningbouwvereniging Oostzaanse Volkshuisvesting gevestigd te Oostzaan eiseres verder te noemen: WOV gemachtigde: mr. G.J.F. Voss tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg De zaak in het kort Eiseres vordert ontruiming van een gehuurde woning in verband met het veroorzaken van stelselmatige overlast. De vordering wordt toegewezen, omdat de door gedaagde en haar gezin veroorzaakte ernstige overlast vooruitlopend op een bodemprocedure ontruiming rechtvaardigt. De aanwezigheid van twee minderjarige kinderen van gedaagde in de woning staat in dit geval niet aan een ontruiming in de weg. 1Het procesverloop 1.

  1. WOV heeft [gedaagde] op 12 juni 2024 gedagvaard. 1.
  2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juli
  3. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Op verzoek van partijen is de zaak vervolgens aangehouden. 1.
  4. Op 3 september 2024 heeft de gemachtigde van WOV de rechtbank bericht dat [gedaagde] gemaakte afspraken niet is nagekomen en dat WOV daarom een vonnis wenst. 1.
  5. De kantonrechter heeft vervolgens een voortzetting van de mondelinge behandeling bepaald. Deze voortzetting heeft plaatsgevonden op 23 september
  6. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de voortzetting hebben beide partijen per e-mail nog aanvullende stukken toegestuurd. 2De vordering en het verweer 2.
  7. WOV vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen. Zij legt aan de vordering ten grondslag - kort weergegeven - dat [gedaagde] en haar gezin al geruime tijd stelselmatig overlast veroorzaken en de buren en omwonenden ontoelaatbare hinder bezorgen. Deze overlast levert een tekortkoming op in de behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst. De aard en ernst van de overlast rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en vooruitlopend op de ontbinding van de huurovereenkomst heeft WOV een spoedeisend belang bij ontruiming van het gehuurde. 2.
  8. [gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde ontruiming van het gehuurde. Het verweer zal hieronder bij de beoordeling van de vordering worden betrokken. 3De beoordeling 3.
  9. De kantonrechter stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of op grond van een gestelde tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst als voorlopige voorziening in kort geding een vordering tot een zeer ingrijpende maatregel als ontruiming kan worden toegewezen, grote terughoudendheid dient te worden betracht, gelet op de waarborgen waarmee de wet de rechten van huurders van woonruimte omkleedt. Daarbij komt dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor uitvoerig feitenonderzoek en/of het horen van getuigen. Voor toewijzing van een dergelijke vordering zal dan ook slechts plaats zijn indien het in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, zo het geschil aan deze wordt voorgelegd, tot toewijzing van die vordering zal komen. Daarnaast moet de vordering voldoende spoedeisend zijn, in die zin dat van een eisende partij niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. 3.
  10. Het is voldoende komen vast te staan dat WOV een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering, zoals deze hieronder zal worden besproken, en is door [gedaagde] ook niet betwist. 3.
  11. De kantonrechter moet de vraag beantwoorden of de door [gedaagde] en haar gezin veroorzaakte overlast dusdanig is dat - na afweging van belangen - de vordering van WOV tot ontruiming van de woning moet worden toegewezen. Die vraag beantwoordt de kantonrechter bevestigend. Dat legt zij hierna uit. 3.
  12. Uit de dagvaarding en de bijbehorende producties blijkt dat omwonenden vanuit de woning van [gedaagde] , die als statushouder door het COA via de gemeente Oostzaan met haar vijf kinderen de woning toegewezen heeft gekregen, al meteen vanaf het begin van de plaatsing structureel (ernstige) overlast ervaren. Dit betreft onder meer geluidsoverlast in de vorm van schreeuwen, hard praten, slaan met deuren en bonken, vooral ook in de avonduren en in de nacht, en daarnaast spullen en afval in tuinen en het openbaar groen en onaangepast gedrag tegenover en het lastig vallen van de directe omwonenden. Dit leidt bij de omwonenden tot veel spanning, frustratie en gevoelens van onveiligheid. Ondanks inmenging, gesprekken en waarschuwingen door niet alleen WOV, maar ook andere bij het gezin betrokken instanties, zoals Vluchtelingenwerk en de gemeente, is de overlast niet afgenomen. Dit heeft ertoe geleid dat WOV geen andere mogelijkheid zag dan zich tot de kantonrechter te wenden teneinde in kort geding een ontruiming van de woning te vorderen. 3.
  13. Tijdens de behandeling ter zitting van deze ontruimingsvordering op 5 juli 2024 is in gezamenlijk overleg met niet alleen WOV en [gedaagde] , maar ook de betrokken en ter zitting aanwezige hulpverlening, besloten het kort geding voor een termijn van twee maanden aan te houden teneinde [gedaagde] de gelegenheid te bieden de kort voor de zitting gemaakte afspraken over de hulp en begeleiding aan het gezin van [gedaagde] , waaronder ook haar twee minderjarige kinderen van 13 en 15 jaar, na te komen. Onderdeel van die afspraken was ook het staken van de overlast. Op de zitting is aan [gedaagde] expliciet duidelijk gemaakt, ook door de kantonrechter, dat haar op deze manier een laatste kans werd geboden om haar woning te behouden. 3.
  14. Gebleken is evenwel dat [gedaagde] deze afspraken niet heeft nageleefd. Uit de door WOV ingebrachte stukken (een proces-verbaal van bevindingen over de periode van 12 juli 2024 tot en met 3 september 2024 en een aanvulling daarop over de periode van 3 september 2024 tot en met 13 september 2024) blijkt dat er nog steeds sprake is van overlast, toenemend in intensiteit, waarvan in ieder geval vier verschillende omwonenden melding hebben gedaan, die - opnieuw of nog steeds - bestaat uit onder meer nachtelijk lawaai door schreeuwen, ruzie, bonken en het gooien met deuren, en afval en spullen in het gemeentelijk groen. Deze overlast gaat zelfs zo ver dat nieuwe huurders, de nieuwe onderburen van [gedaagde] , al op de eerste avond van het verblijf in hun nieuwe woning werden geconfronteerd met één van de gezinsleden van [gedaagde] die in hun achtertuin op hun slaapkamerraam stond te bonken en naar binnen trachtte te komen. Daarnaast heeft een medewerker van WOV tijdens een recent huisbezoek waargenomen dat er in meerdere deuren grote gaten zaten en verschillende gaten in de muren in de woonkamer, alsof er met een hamer op de muren geslagen was. Ter zitting heeft [gedaagde] desgevraagd bevestigd dat deze gaten inderdaad tijdens ruzies door leden van haar gezin zijn veroorzaakt. 3.
  15. Bij de omwonenden, wiens belang WOV als verhuurder dient te beschermen, is de spanning en frustratie inmiddels groot en voor hen is een onhoudbare situatie ontstaan, waaraan WOV heeft toegevoegd te vrezen voor het uit de hand lopen van de situatie. Dat acht de kantonrechter alleszins voorstelbaar. 3.
  16. Naast het voortduren van de overlast is gebleken dat ook de hulpverlening die onder meer ten aanzien van de twee minderjarige kinderen zou worden ingezet, niet (voldoende) op gang heeft kunnen komen vanwege een gebrek aan medewerking door [gedaagde] en haar gezin. Ter zitting is onder meer gebleken dat in weerwil van de gemaakte afspraken de minderjarige en nog leerplichtige kinderen nog steeds niet naar school gaan. De enkele mededeling dat één van de minderjarige kinderen op de dag van de zitting voor het eerst naar school zou zijn gegaan en dat de ander de dag na de zitting naar school zou gaan (nadat op de dag van de zitting het schoolbusje tevergeefs was voorgereden), biedt onvoldoende vertrouwen in het in de toekomst alsnog (structureel) naleven van de gemaakte afspraken, mede gelet ook op het feit dat het schooljaar reeds weken geleden is aangevangen en de tijd die [gedaagde] al heeft gehad om orde op zaken te stellen. Van WOV hoeft niet te worden verwacht dat zij afwacht hoe de situatie zich verder ontwikkelt, omdat van enig concreet zicht op verbetering tot op heden geen sprake is gebleken. Daarbij neemt de kantonrechter ook de informatie in aanmerking van de betrokken hulpverleners van onder meer de gemeente. Deze hebben bij e-mail van 3 september 2024 verklaard, en ter zitting ook bevestigd, dat er door een heleboel personen tijd en energie is gestoken in het uitzetten van acties en het gezin te motiveren de hulp aan te nemen en mee te bewegen, maar dat zij het volgende hebben moeten concluderen: “Ondanks al deze acties is het niet gelukt om het gezin (gedeeltelijk) in beweging te krijgen. Hierbij konden wij ook de conclusie trekken dat wij er alles aan gedaan hebben om het te kalmeren, motivering, en verandering teweeg te brengen. Er is dus geen doorbraak te realiseren, en hoe vervelend het ook is wij moeten dit erkennen.” 3.
  17. Alle betrokken partijen zijn het erover eens dat deze zaak geen eenvoudige zaak is, gelet op de complexe problematiek die er binnen het gezin van [gedaagde] speelt. Uit alles blijkt echter dat de maat vol is voor de huurders van WOV en dat er voor WOV geen andere mogelijkheid meer is dan de kantonrechter te vragen de woning te ontruimen. De kantonrechter kan - gezien de aard en de ernst van de klachten en de inmiddels onhoudbare situatie - niet anders dan zich bij die conclusie aansluiten. Van WOV en de omwonenden, die recht hebben op een rustige en veilige woonomgeving, kan niet meer gevraagd worden deze situatie te laten voortduren. [gedaagde] moet - in ieder geval na de eerste behandeling ter zitting en de op schrift gestelde afspraken - hebben geweten dat zij geen overlast meer mocht veroorzaken. Haar is een allerlaatste kans geboden, maar die heeft zij (helaas) niet gegrepen. Het maken van nieuwe of verdere afspraken met [gedaagde] heeft geen zin, nu gebleken is dat zij zich niet aan afspraken heeft kunnen houden en de klachten ondanks gemaakte afspraken niet afnemen, maar eerder toenemen. 3.
  18. Dat in de woning ook de twee minderjarige kinderen van [gedaagde] verblijven, staat gelet op het voorgaande niet aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg. Met hun belangen is rekening gehouden door het maken van duidelijke afspraken over begeleiding en naar school gaan en het bieden van een termijn om deze afspraken na te komen om de woning te kunnen behouden. Daarbij is het bovendien de vraag of voortduring van de huidige situatie in het belang is van de minderjarige kinderen van [gedaagde] . 3.
  19. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van WOV zal toewijzen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn in redelijkheid zal worden bepaald op twee weken na betekening van het vonnis. Dat WOV een spoedige ontruiming wenselijk acht, kan de kantonrechter op zichzelf genomen volgen, maar [gedaagde] en haar gezin, alsmede de betrokken hulpverlening, moet ook voldoende gelegenheid hebben om de nodige maatregelen te treffen om de ontruiming (en dus de verhuizing van [gedaagde] en haar gezin) deugdelijk vorm te geven. 3.
  20. De proceskosten (inclusief de nakosten) komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten worden aan de kant van WOV begroot op: dagvaarding € 136,72 griffierecht € 130,00 salaris gemachtigde € 543,00 nakosten € 135,00 (plus de kosten zoals vermeld in de beslissing) totaal € 944,72 4De beslissing De kantonrechter: 4.
  21. veroordeelt [gedaagde] de woning aan [adres] te [woonplaats] binnen twee weken na betekening van dit vonnis met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van WOV te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden; 4.
  22. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor WOV worden vastgesteld op € 944,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 4.
  23. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 4.
  24. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.