RECHTBANK NOORD-HOLLAND Sectie Familie & Jeugd locatie Haarlem voorzieningenrechter Wet tijdelijk huisverbod zaak-/rekestnummers: C/15/357064 / TH ZA 24-4 (voorlopige voorziening) C/15/357062 / FA RK 24/4826 (beroep) Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb van 25 september 2024 in de zaak van [verzoeker] , verzoeker, tevens eiser, hierna te noemen: verzoeker, wonende te [plaats] , gemachtigde mr. I. Tol, advocaat te Koog aan de Zaan, tegen de burgemeester van de GEMEENTE ZAANSTAD, verweerder, zetelende te Zaandam, in welke zaak belanghebbenden zijn: [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [plaats] , [de minderjarige 1] , hierna te noemen: [de minderjarige 1] , wonende te [plaats] , [de minderjarige 2] , hierna te noemen: [de minderjarige 2] , wonende te [plaats] , [de minderjarige 3] , hierna te noemen: [de minderjarige 3] , wonende te [plaats] . 1De procedure 1.
- Bij besluit van 9 september 2024 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) en een contactverbod met opgelegd voor de periode van tien dagen. Bij besluit van 18 september 2024 is het huisverbod en contactverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen, derhalve tot 7 oktober
- 1.
- Tegen het besluit van 18 september 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 20 september 2024 beroep ingesteld en tevens verzocht voorlopige voorzieningen te treffen, namelijk primair het bestreden besluit te schorsen totdat op het beroep is beslist en subsidiair een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren en verweerder te veroordelen in de kosten van de rechtsbijstand die voor verzoeker in deze procedure opkomen. 1.
- Verweerder heeft op 23 september 2024 de volgende stukken ingediend: de beschikking van de burgemeester van 9 september 2024; de beschikking van de burgermeester van 18 september 2024; het episode journaal; de situatie ter plaatse van 9 september 2024; het proces-verbaal van bevindingen HOvJ voor beslissing huisverbod van 9 september 2024; het risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld van 9 september 2024; het zorgadvies t.b.v. het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod van 17 september 2024; het beleidsadvies t.b.v. het verlengen/intrekking van een tijdelijk huisverbod van 18 september
- 1.
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september
- Hierbij zijn verschenen en gehoord: verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde; verweerder, vertegenwoordigd door [naam] . De vrouw heeft via verweerder laten weten dat zij niet op de zitting zal verschijnen. 1.
- De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid hebben zij geen gebruik gemaakt. 2De beoordeling 2.
- Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang, zodat verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek. Het feit dat het huisverbod nog van kracht is, brengt spoedeisendheid met zich. 2.
- Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest, meent de voorzieningenrechter, partijen gehoord hebbende, dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Daarom zal de voorzieningenrechter gebruikmaken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2.
- Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Op grond van artikel 9 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. 2.
- Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat: er sprake was en nog steeds is van gevaar voor de veiligheid van de vrouw en de kinderen, omdat door de hoeveelheid en complexiteit van de problematiek nog onvoldoende duidelijk is geworden wat er allemaal speelt. Dit dient eerst duidelijk te worden voordat de hulpverlening in een afsprakengesprek veiligheidsvoorwaarden aan de ouders kan stellen. Belanghebbenden zijn nog erg bang voor verzoeker. Ze barricaderen de deur wanneer zij gaan slapen en de kinderen spelen niet alleen buiten en gaan alleen met elkaar de straat op om naar school te gaan, omdat ze bang zijn verzoeker tegen te komen de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik van de bevoegdheid heeft kunnen maken, omdat de rust en veiligheid van het gezin opweegt tegen de belangen van verzoeker om naar huis te komen. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de hulpverlening is begonnen om de kinderen te horen, nu de verhalen van verzoeker en de vrouw lijnrecht tegenover elkaar staan. Door de hulpverlening wordt gezien dat de kinderen nog angstig zijn, erg alert zijn op wat er in hun omgeving gebeurt en erg aan de vrouw hangen. Een gesprek tussen verzoeker en de reclassering is gisteren niet goed verlopen en verzoeker weigert daar nu mee verder te gaan. Dit betekent dat de hulpverlening nog niet op gang is gekomen en er nog geen veiligheidsafspraken gemaakt konden worden. Daarnaast heeft verzoeker een kennis gevraagd om spullen uit de woning op te halen en boodschappen af te geven. Het sociaal wijkteam vindt het niet passend dat verzoeker dit heeft geregeld zonder te bespreken of aan te kondigen en de vrouw heeft dit als bedreigend ervaren. Voor verzoeker is een plek bij [locatie] van het Leger des Heils geregeld. 2.
- Verzoeker heeft aangevoerd dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzondere in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zorgvuldigheidsbeginsel Verzoeker betwist dat hij de persoon is van wie de dreiging uitgaat. Verzoeker herkent zich niet in de aangifte zoals deze door de vrouw is gedaan. De vrouw was vlak voor de aangifte erg boos op verzoeker en zij schreeuwt vaak tegen hem. Niet valt in te zien waarom aan verzoeker een huisverbod wordt uitgevaardigd en niet aan de vrouw. Door het openbaar ministerie is nog geen dagvaarding uitgevaardigd. Er bestaat dan ook geen enkele reden om ervan uit te gaan dat de situatie zoals door de vrouw geschetst zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Verder merkt verzoeker op dat het compleet onduidelijk is om welke reden de burgemeester van de Gemeente Zaanstad noodzaak zag het huisverbod met achttien dagen te verlengen. In de beschikking is enkel opgenomen dat door de hoeveelheid en complexiteit van de problematiek nog onvoldoende duidelijk is geworden wat er allemaal speelt. Deze motivering is volstrekt onvoldoende om een verlenging te rechtvaardigen. Geenzins is duidelijk geworden om wat voor problematiek het gaat en waarom de problematiek als complex bestempeld wordt. Een zorgvuldig onderzoek naar de feiten had niet mogen leiden tot de verlenging van het huisverbod. Evenredigheidsbeginsel Het nadeel dat verzoeker door het huisverbod ondervindt is onevenredig groot. Met de relatie van verzoeker en de vrouw gaat het al langere tijd niet goed. De vrouw is meerdere keren vreemdgegaan volgens verzoeker. Dit heeft geleid tot een echtscheidingsverzoek, welke op [datum] ter zitting wordt behandeld. Verzoeker heeft de indruk dat de vrouw enkel aangifte heeft gedaan in een poging om ‘munitie’ te verzamelen voor de echtscheidingsprocedure. De verlenging van het huisverbod heeft tot gevolg dat verzoeker op het moment van de mondelinge behandeling niet woonachtig is in de woning. Verzoeker vreest dat het huisverbod daarom vergaande gevolgen zal hebben met betrekking tot de toekenning van het huurrecht. Daar komt bij dat alle persoonlijke eigendommen van verzoeker in de woning liggen zoals kleding, levensmiddelen en medicatie. Verzoeker heeft geen vrienden of familie van wie hij kleding kan lenen, voedingsmiddelen mag nuttigen en mag blijven overnachten. Een verlenging van het huisverbod met een periode van achttien dagen is voor verzoeker dan ook bijzonder lang. De maatregel leidt niet alleen tot een breuk tussen verzoeker en de kinderen, maar ook tot de situatie waarbij verzoeker geen enkel dak boven zijn hoofd heeft en nergens terecht kan. 2.
- Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en wat ter zitting naar voren is gekomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen en van die bevoegdheid in redelijkheid ook gebruik heeft kunnen maken. Uit de stukken en wat op zitting is behandeld leidt de rechtbank af dat het al langere tijd niet goed gaat in het huwelijk van verzoeker en de vrouw en dat er inmiddels een verzoek tot echtscheiding door de vrouw is gedaan. Verzoeker en de vrouw verschillen van mening over de oorzaak van het verslechteren van hun huwelijk. Er hebben zich in de thuissituatie escalaties voorgedaan in aanwezigheid van de kinderen. Dit heeft er na de laatste escalatie toe geleid dat de vrouw aangifte heeft gedaan. De kinderen zijn angstig en voelen zich niet meer veilig in de gezinssituatie. Het is noodzakelijk dat er hulpverlening wordt opgestart en dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt. Dat is in de eerste tien dagen van het huisverbod niet gelukt en ook nu nog niet. Wat dat betreft is er nog niets gewijzigd in de situatie zoals deze was ten tijde van het afgeven van het huisverbod en is er nog steeds sprake van gevaar voor de veiligheid van de vrouw en de kinderen Daar komt bij dat verzoeker aan de reclassering heeft laten weten niet meer met hen in gesprek te willen, nadat het gesprek niet goed was verlopen. Op de zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij niets aan de hulpverlening heeft, omdat zij een woonplek voor hem hadden moeten regelen en dat niet hebben gedaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter grijpt verzoeker op deze wijze niet iedere geboden mogelijkheid voor hulpverlening aan. Dit maakt dat de veiligheidssituatie onveranderd blijft. Ten aanzien van het standpunt van verzoeker dat niet hij, maar zijn vrouw het huis zou moeten verlaten overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken en het behandelde op de zitting komt naar voren dat de vrouw een sociaal geïsoleerd leven leidt, niet de Nederlandse taal spreekt en geen toegang heeft tot betaalrekeningen of andere betaalmiddelen. Zij heeft tevens de zorg voor de kinderen. Daar komt bij dat de kinderen angstig zijn voor hun vader. Uit het zorgadvies van Veilig Thuis Zaanstreek-Waterland volgt dat wordt gezien dat de kinderen zeer op kun hoede zijn, continue de ruimte observeren en de situatie inschatten. De kinderen hebben verteld dat verzoeker de vrouw dagelijks met de dood bedreigt en slapen met de vrouw in één slaapkamer met een kast voor de deur om niet verrast te worden. Ook geeft [de minderjarige 2] aan dat zijn vader hem wel eens slaat met de vlakke hand of vuist als hij niet luistert. De kinderen beweren doodsbang te zijn voor verzoeker en [de minderjarige 3] heeft last van hartkloppingen. Onder deze omstandigheden overweegt de rechtbank dat het nadeel van de verzoeker minder zwaar dient te wegen dan het nadeel van de vrouw als zij met de kinderen het huis zou moeten verlaten en elders verblijf zou moeten vinden. Bovendien is op de zitting gebleken dat verzoeker bij vrienden kan overnachten en terecht kan bij [locatie] van het Leger des Heils. 2.
- De voorzieningenrechter zal het beroep daarom ongegrond verklaren. Bij deze beslissing ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dit in het onderhavige geval mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen. 3De beslissing De voorzieningenrechter: 3.
- verklaart het beroep ongegrond; 3.
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september
- Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.