← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:14296

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/338800 / HA ZA 23-231 Vonnis van 26 juni 2024 in de zaak van [eiser] B.V., te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. J. Jong, tegen [gedaagde] B.V., te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. A.J.M. Dekkers. De zaak in het kort [gedaagde] is betrokken geweest bij een herstructurering van [eiser] en haar dochterondernemingen. In dit kader heeft de (toenmalige) bestuurder van [eiser] haar accountant/adviseur van [gedaagde] een volmacht verleend, onder meer om hoofdelijke aansprakelijkheid voor een bankkrediet te beëindigen. [gedaagde] heeft als gevolmachtigde van onder meer [eiser] de hoofdelijke aansprakelijkheid voor het bankkrediet beëindigd door de schuld te herfinancieren, waarbij een geldlening werd aangegaan voor drie jaar tegen een vaste rentevergoeding van circa 20% met als onderpand een bedrijfspand van [eiser]. [eiser] heeft het bedrijfspand een paar maanden na het sluiten van de geldleningovereenkomst verkocht en geleverd aan een derde, waardoor de lening en rentevergoeding opeisbaar werden. [eiser] verwijt [gedaagde] dat zij wat betreft de verschuldigdheid van de rentevergoeding niet heeft voldaan aan een instructie van [eiser] en/of niet heeft voldaan aan haar informatie- en zorgplicht jegens [eiser] althans onrechtmatig heeft gehandeld, en vordert daarom schadevergoeding. De rechtbank komt in dit vonnis tot de slotsom dat de verwijten aan [gedaagde] ongegrond zijn en wijst de vordering daarom af. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 31 januari 2024 en de daarin genoemde stukken - de akte overlegging producties en vermeerdering van eis van [eiser] - de akte producties 11 en 12 van [gedaagde] - de mondelinge behandeling van 14 mei 2024, waarbij namens [eiser] en namens [gedaagde] spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) was tot zijn overlijden op 14 september 2022 (enig) bestuurder en aandeelhouder van [eiser]. Vanaf 23 juni 2021 is zijn echtgenote [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als bestuurder van [eiser]. 2.
  4. [eiser] was bestuurder en grootaandeelhouder van Incotex Zaanstad B.V. (hierna: Incotex). 2.
  5. In 2012 heeft ABN AMRO (hierna: de bank) aan Incotex een krediet in rekening-courant verstrekt. Het krediet bedroeg uiteindelijk circa € 322.
  6. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren als hoofdelijk schuldenaren verbonden aan dit krediet (hierna: het ABN AMRO-krediet). 2.
  7. Vanaf 2018 stond Incotex onder verscherpt toezicht van de afdeling Bijzonder Beheer van de bank en de bank perkte het krediet maandelijks in. Incotex was verlieslatend. 2.
  8. Een voormalig accountant van [eiser] had conservatoir beslag gelegd op onder meer het bedrijfspand van [eiser] aan de [adres] in [plaats 2] (hierna: het bedrijfspand). Incotex was gevestigd in het bedrijfspand. 2.
  9. Eind 2017 heeft [eiser] [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) van [gedaagde] ingeschakeld voor accountant- en advieswerkzaamheden voor een herstructurering van haar ondernemingen. 2.
  10. Op 26 juli 2018 heeft [betrokkene 1] handelend in privé en in hoedanigheid van enig bestuurder van [eiser], welke vennootschap het bestuur voerde van Incotex, en Himpex Zaandstad B.V. aan [betrokkene 3] van [gedaagde] de volgende volmacht verleend: […] hem [[betrokkene 1], toev. rb.], handelend in zijn gemelde hoedanigheden, uitsluitend terzake alle rechtshandelingen en werkzaamheden op vennootschapsrechtelijk gebied, welke direct dan wel indirect betrekking hebben op voormelde besloten vennootschappen [eiser] B.V., Incotex Zaanstad B.V en Himpex Zaanstad B.V. te vertegenwoordigen, waaronder het verkopen en in eigendom overdragen van aandelen, het verkopen en in eigendom overdragen door casu quo namens één van voormelde besloten vennootschappen van een bedrijfspand, het beëindigen van hoofdelijke aansprakelijkheid voor een bankkrediet, het liquideren van [eiser] B.V. en te dien einde alle zaken, notulen, processen-verbaal, akten en andere stukken te doen verlijden en te tekenen, domicilie te kiezen, ontheffing te verlenen van het doen van alle - zelfs ambtshalve te verrichten - inschrijvingen zoals bijvoorbeeld bij de Kamer van Koophandel en in het algemeen al het nodige te doen. Alles zonder dat een onjuiste of onvolledige omschrijving van de bevoegdheden aan de gevolmachtigde kan worden tegengeworpen, terwijl de voorgaande opsomming van bevoegdheden niet ten doel heeft enige andere bevoegdheid, welke dan ook uit te sluiten, en met de bevoegdheid voor de gevolmachtigde tot substitutie. De gevolmachtigde is niet bevoegd om als wederpartij van de volmachtgever op te treden. De gevolmachtigde is verplicht de volmachtgever casu quo diens echtgenote in kennis te stellen casu quo op de hoogte te brengen van de door hem verrichte werkzaamheden. Deze volmacht eindigt zodra voormelde besloten vennootschap: [eiser] B.V. geliquideerd is. […] 2.
  11. Met een e-mail van 3 april 2019 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan [betrokkene 3] onder meer bericht dat er op dat moment geen geïnteresseerden zijn voor de koop van het bedrijfspand. 2.
  12. In een e-mail van 8 april 2019 heeft [betrokkene 1] aan [betrokkene 3] geschreven: Verkoop bedrijfspand. Voorstel hypotheek vestigen en daarmee bedrijfskrediet aflossen. Naast Riatex wordt pand verhuurd aan Incotex en Himpex. In hypotheekcontract opnemen dat het gehele bedrag ingelost mag worden zonder boeterente. Incotex/Himpex betaalt dan de hypotheekrente. Bankgarantie. Ook verrekenen in de huurprijs: Verzekeringskosten (nu € 3140/jaar) Gemeente Belastingen (€ 300/jaar) en onderhoudskosten (opvragen bij Makelaar). In huurovereenkomsten opnemen dat huurder Incotex bij verkoop het pand moet verlaten. 2.
  13. Bij e-mail van 7 mei 2019 heeft [betrokkene 1] [betrokkene 3] geïnformeerd over het verkoopproces van het bedrijfspand. In de e-mail staat onder meer: Gisteren, 6 mei, hebben we een bezichtiging gehad in ons pand door een delegatie van 4 personen van Warmteservice. Volgens [betrokkene 4] (onze makelaar van [bedrijf]) zijn zij zeer geïnteresseerd en zijn het “snelle” jongens in de zin van een snelle oplevering van het pand. Vandaag hebben zij een bod uitgebracht dat nog niet toereikend is, en het verzoek per 1/7 te leveren. De klant gaf ook aan dat Incotex tijdelijk de bovenverdieping zou mogen gebruiken. Met huurster Riatex zien zij ook nog geen probleem omdat zij een eigen ingang heeft. [betrokkene 4] gaf aan dat hij verwacht dat deze klant boven de € 900.000 kan/wil gaan uitkomen (hoeft niet naar de bank en hoeft niet te lenen) en dat hij bereid is per 1/9 over te nemen. Hij stelde voor om eventueel een tegenbod te doen van € 975.000 en per 1/10 te leveren. […] In hoeverre ben je met de aanvraag voor de hypotheek? Verder ben ik zeer benieuwd naar de ontwikkelingen t.a.v. factoring voor Incotex. 2.
  14. Daarop heeft [betrokkene 3] bij e-mail van 8 mei 2019 aan [betrokkene 1] geantwoord: Dat is mooi. In principe is de hypotheek rond. Er zit alleen beslag op het pand. Met het beslag op het pand kan een nieuwe hypotheek niet worden verstrekt. Dus het beslag moet van het pand af. Ik had daar [betrokkene 5] al over gevraagd wat daar de opties voor zijn. Het werkt als een kettingbeding. Als het beslag van het pand af gaat kan er een hypotheek worden verstrekt. Als er een hypotheek is verstrekt staat de ABN AMRO bank lening op 0 en heeft de ABN geen dekking meer nodig op de debiteuren. Dan kan factoring [verkoop van openstaande facturen, toev. rb.] meteen starten (factoring heeft dekking nodig op debiteuren). 2.
  15. In een daaropvolgende e-mail van diezelfde dag heeft [betrokkene 1] [betrokkene 3] onder meer geschreven: […] Ik kan zelf natuurlijk garant staan voor dat bedrag (ca, € 30.000), dan kan het beslag eraf, hypotheek vestigen en dan factoring. Vind je dat een goede optie? Speelt nu natuurlijk wel dat er mogelijk snel verkocht gaat worden en dan hoeven we het hypotheek traject niet te volgen. […] Blijft nog de vraag: schat jij in op basis van de huidige cijfers/ontwikkelingen dat de toekomstige eigenaren van Incotex een huurprijs kunnen opbrengen van tussen de € 50.000 en € 70.000? Wat is wijsheid? Graag advies. 2.
  16. [betrokkene 3] heeft op diezelfde dag bij e-mail aan [betrokkene 1] onder meer het volgende geantwoord: Dat klopt. Echter nu heeft de ABN AMRO via de lening pandrecht op ALLE activa. Dus ook op een eventuele betalingsverplichting die COOp heeft op jullie. Die kun je dus nu niet als borg inbrengen in een factoring aangezien de factoring dan pas zekerheid heeft na de ABN AMRO. Vandaar dat we van deze lening af moeten. De hypotheek zou in ieder geval kortdurig zijn. Dus een eventuele verkoop van het pand op kortere termijn (1 september) zou wat mij betreft geen reden zijn om de hypotheek niet te nemen en via de hypotheek de ABN te herfinancieren. […] Ik vind dat een huurprijs van 50 a 70K per jaar veel te fors is voor een onderneming in de grootte van Incotex. 2.
  17. Op 9 mei 2019 heeft [betrokkene 1] [betrokkene 3] onder meer het volgende bericht: Gezien de voortgang die erin gehouden moet worden om de Coop van dienst te kunnen zijn, stel ik voor om een bankgarantie te regelen voor het bedrag dat Worp-Advies opeist. Wil jij dat in gang zetten en met [betrokkene 5] daarover in contact treden. Ook je advies om de hypotheek te nemen kan in gang gezet worden. Intussen heb ik [betrokkene 6] [zoon van [betrokkene 1], toev. rechtbank] vandaag gesproken, die gaf aan dat volgens jou als er een hypotheek afgesloten wordt, Incotex het pand kan huren en er dus niet verkocht hoeft te worden. Het zal waarschijnlijk eigen interpretatie zijn, verwacht ik. 2.
  18. In een e-mail van 13 mei 2019 met onderwerp ‘financiën Incotex’ heeft [betrokkene 7], dochter van [betrokkene 1] en werkzaam voor Incotex, aan [betrokkene 3] geschreven: Kan je mij vandaag even terug bellen? Dit naar aanleiding van mijn bezoek van onlangs, jij gaf aan een paar dagen nodig te hebben m.b.t. beslag Worp advies/ hypotheek op pand (herfinanciering). Inmiddels zijn we zeker een week verder en nog niets gehoord. Financiële positie wordt nu erg wankel, we kunnen geen facturen betalen, met name die van de productie ateliers waardoor zendingen blijven staan in het Verre oosten en in de haven van Rotterdam. Daarnaast kan o.a. de fiscus (termijnbetaling 2016) niet worden voldaan. Hoe nu verder? 2.
  19. Op 24 mei 2019 heeft [betrokkene 3] als gevolmachtigde van [eiser] een overeenkomst van geldlening gesloten met Cashflex Factoring B.V. (hierna: Cashflex en de geldleningsovereenkomst). In de geldleningsovereenkomst staat onder meer het volgende: SAMENVATTING Looptijd in maanden: 36 maanden Aanvang Looptijd: 4 juni 2019 Leenbedrag (hoofdsom): EUR 312.000,- […] Terugbetaling: conform artikel 3.1 Rente: 0,6% per maand […] Minimale rentevergoeding: EUR 65.000,- (bij eventuele vervroegde aflossing) […] 5 Extra/ vervroegde aflossing […] 5.2 Klant is steeds bevoegd om extra/vervroegd af te lossen, met dien verstande dat Klant te allen tijde een de minimale rentevergoeding van € 65.000,- euro aan CashFlex verschuldigd is c.q. zal zijn. Voor zover nog niet voldaan zal (het restant van) de minimale rentevergoeding verschuldigd zijn uiterlijk op het moment dat de geldlening geheel wordt afgelost. 2.
  20. In antwoord op een vraag van 31 mei 2019 van [betrokkene 1] naar de ontwikkelingen van die week heeft [betrokkene 3] op 3 juni 2019 geantwoord: De hypotheek is rond en vandaag zijn de gelden bij de notaris gestort. Ik krijg deze week van de notaris doorgegeven welke datum ik moet tekenen (deze week zal dat zijn). De notaris lost dan op die dag de ABN lening af. De ABN ([werknemer ABN]), waar we destijds mee hebben gesproken) is reeds door mij op de hoogte gebracht dat de financiering wordt afgelost. [werknemer ABN] en de notaris zijn ook in contact. [werknemer ABN]/ ABN zet dan ook direct de financiering ”uit” zodat deze niet opnieuw kan worden opgenomen (je weet nooit…). Dan is [betrokkene 1] [[betrokkene 1], toev. rb.] niet meer hoofdelijk aansprakelijk!!!!!!! 2.
  21. Op 4 juni 2019 is een hypotheekakte gekoppeld aan de geldleningsovereenkomst, gepasseerd met het bedrijfspand als onderpand. Daarbij heeft [betrokkene 3] als gevolmachtigde voor [eiser] opgetreden. In de akte staat onder meer dat de hoofdsom opeisbaar is wanneer het bedrijfspand wordt verkocht. 2.
  22. Het ABN AMRO-krediet is met de geldlening van Cashflex geheel afgelost en beëindigd. 2.
  23. In september 2019 heeft [eiser] het bedrijfspand zelf, dus zonder tussenkomst van [betrokkene 3] als gevolmachtigde, aan een derde verkocht. 2.
  24. Bij een nota van afrekening van 17 september 2019 heeft Cashflex een rentevergoeding van € 59.508,80 bij [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft de rentevergoeding betaald. 2.
  25. [betrokkene 3] heeft in het najaar van 2019 gepoogd Cashflex te bewegen de rentevergoeding deels terug te storten. Cashflex heeft niets teruggestort. 3Het geschil 3.
  26. [eiser] vordert - samengevat en na vermeerdering van eis – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van: € 58.476,21, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 september 2022 tot aan de dag van volledige betaling, € 3.827,00 aan buitengerechtelijke kosten, onder veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten. 3.
  27. [eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] door de geldleningsovereenkomst te sluiten in strijd heeft gehandeld met een instructie van [eiser], althans dat [gedaagde] hierbij haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden, althans dat [gedaagde] hiermee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Volgens [eiser] moet [gedaagde] aan [eiser] het verschil tussen de door haar aan Cashflex betaalde rentevergoeding en het bedrag dat zij aan een normale rentevergoeding zou hebben betaald vergoeden. 3.
  28. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. 3.
  29. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  30. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] in strijd met een instructie van [betrokkene 1], danwel in strijd met haar zorgplicht, dan wel onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door de geldleningsovereenkomst aan te gaan met de minimale rentevergoeding van € 65.
  31. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is en licht dit hieronder toe. Inhoud en omvang volmacht 4.
  32. Tussen partijen is niet in geschil dat het in deze procedure gaat om handelen van [gedaagde] als gevolmachtigde van [eiser]. Het handelen van [gedaagde] moet daarom worden beoordeeld in het licht van de inhoud en omvang van de aan haar verstrekte volmacht. Daarom zal de rechtbank eerst de vraag beantwoorden wat de inhoud en omvang van de volmacht was. 4.
  33. De vraag wat de inhoud of de omvang van een volmacht is, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (BW); wil en verklaring en bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen. Het komt daarbij aan op dat wat de volmachtgever en de gevolmachtigde over en weer hebben verklaard en uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen, waarbij in het bijzonder van belang is de verklaring of gedraging waarbij de volmacht is verleend. 4.
  34. Het staat tussen partijen vast dat [betrokkene 1] aan [gedaagde] een volmacht heeft verstrekt voor het verrichten van alle rechtshandelingen en werkzaamheden op vennootschappelijk gebied wat betreft – onder meer – [eiser] en Incotex. 4.
  35. In de volmacht is verder onder meer “het beëindigen van hoofdelijke aansprakelijkheid voor een bankkrediet” als een te verrichten rechtshandeling genoemd. Niet in geschil is dat hiermee de hoofdelijke aansprakelijkheid van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor het ABN AMRO-krediet is bedoeld. Ook heeft [eiser] niet gemotiveerd betwist dat het beëindigen van deze hoofdelijke aansprakelijkheid het voornaamste doel van de volmacht was en dat het sluiten van de geldleningsovereenkomst dit doel diende. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit het belangrijkste doel van de volmacht was. 4.
  36. [eiser] stelt dat [gedaagde] op grond van de volmacht vóór het aangaan van de geldleningsovereenkomst en het passeren van de hypotheekakte [eiser] over de inhoud van de geldleningsovereenkomst had moeten informeren. De rechtbank volgt [eiser] niet in deze uitleg van de volmacht. In de volmacht staat namelijk niet meer dan dat [gedaagde] ([betrokkene 3]) verplicht was “de volmachtgever casu quo diens echtgenote in kennis te stellen casu quo op de hoogte te brengen van de door hem verrichte werkzaamheden”. Bij de uitleg van een volmacht gaat het weliswaar niet alleen om de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de volmacht (zie r.o. 4.3 hiervoor), maar [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg dan de taalkundige uitleg van deze bepaling kunnen leiden. Dit terwijl de door [eiser] gestelde uitleg haaks staat op de tekst van de volmacht en [gedaagde] aan de hand van deze tekst gemotiveerd uiteen heeft gezet dat de achterliggende bedoeling van de volmacht was dat [gedaagde] volledige vrijheid van handelen kreeg. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [gedaagde] op grond van de volmacht wel rekening en verantwoording moest afleggen (‘op de hoogte brengen’) over reeds ‘verrichte’ (bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord) werkzaamheden, maar dat de volmacht niet voorschreef dat [gedaagde] [eiser] vooraf over de te verrichten werkzaamheden zou informeren, laat staan dat [gedaagde] daarvoor toestemming moest vragen aan [eiser]. Instructie 4.
  37. [eiser] verwijt [gedaagde] dat zij in strijd met haar instructie, gegeven bij e-mail van 8 april 2019 (zie r.o. 2.9), heeft gehandeld, door niet te bedingen dat er bij aflossing geen boeterente is verschuldigd. [gedaagde] voert hiertegen verweer en stelt zich op het standpunt dat de e-mail van 8 april 2019 slechts een voorstel, en geen instructie, van [betrokkene 1] bevatte. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [eiser] [gedaagde] de instructie heeft gegeven om bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst te bedingen dat het gehele bedrag zou mogen worden afgelost zonder boeterente (hierna kortweg ook: instructie) en licht dit hieronder toe. 4.
  38. Als eiseres heeft [eiser] de plicht om met feiten en omstandigheden te komen waaruit blijkt dat zij aan [gedaagde] een instructie heeft gegeven. Indien [gedaagde] de stelling (dat sprake is van een instructie) van [eiser] met goede argumenten weerspreekt, is het aan [eiser] om haar stelling nader te onderbouwen. Doet [eiser] dat niet, dan komen haar stellingen niet vast te staan en kan deze stelling haar vordering niet onderbouwen. 4.
  39. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] - en tegen de achtergrond van de vaststaande feiten en omstandigheden - haar stelling dat er sprake was van een instructie onvoldoende inhoud en onderbouwing gegeven. [gedaagde] heeft namelijk gemotiveerd uiteen gezet dat de wens van [betrokkene 1] om geld te lenen onder de voorwaarde dat het gehele bedrag ingelost zou mogen worden zonder boeterente onhaalbaar was, omdat Incotex en [eiser] in zwaar weer verkeerden en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen privézekerheden wilden verstrekken. Volgens [gedaagde] hebben [betrokkene 3] en [betrokkene 1] na de e-mail van 8 april 2019 ook besproken dat het inlossen zonder boeterente in de gegeven omstandigheden, waarbij een persoonlijke garantstelling door [betrokkene 1] geen optie was, een onhaalbare kaart was. Het had, mede gelet op het voornaamste doel van de werkzaamheden van [gedaagde], namelijk het bevrijden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid, op de weg van [eiser] gelegen om tegenover het verweer van [gedaagde] nadere feiten en omstandigheden te stellen waaruit zou kunnen volgen dat er wel sprake was van een instructie. Dit heeft [eiser] niet gedaan, zodat de rechtbank aan haar stelling dat sprake was van een instructie voorbij gaat. In de gegeven omstandigheden kan de mededeling van [betrokkene 1] in zijn e-mail van 8 april 2019 om te bedingen dat het gehele bedrag zonder boeterente afgelost zou mogen worden, redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als een wens of suggestie. Aan bewijslevering op dit punt komt de rechtbank niet toe. Zorgplicht 4.
  40. [eiser] verwijt [gedaagde] verder dat zij haar zorgplicht jegens [eiser] ernstig heeft verzaakt door de minimale rentevergoeding overeen te komen, terwijl zij volledig op de hoogte was van de (vermoedelijke) korte looptijd van de geldleningsovereenkomst van drie maanden, gelet op de verwachte aanstaande verkoop van het bedrijfspand. Volgens [eiser] bedraagt de verschuldigde rente normaal gesproken 0,6% per maand. [eiser] heeft daar op zitting nog aan toegevoegd dat als zij geweten had van de rentevergoeding, zij een andere afweging had gemaakt wat betreft de verkoop van het bedrijfspand, waarmee [eiser] naar de rechtbank begrijpt bedoelt dat zij alsdan het bedrijfspand eerder verkocht zou hebben en de geldleningsovereenkomst niet zou zijn aangegaan. 4.
  41. [gedaagde] heeft in reactie hierop – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Ten eerste heeft [betrokkene 3] de totale rentelast van de geldleningsovereenkomst wel degelijk vóór ondertekening bij de geldleningsovereenkomst met [betrokkene 1] besproken. Zo blijkt uit zijn urenschrijfregels in de betreffende periode: 14-05-2019 financieringvoorstel+[betrokkene 1]+paid 2,50 uur 16-05-2019 pand/financiering overleg 2,50 uur 17-05-2019 financiering overleg 0,50 uur 21-05-2019 financiering/[betrokkene 1]/ABN aflos 1,00 uur 22-05-2019 financiering/[betrokkene 1] 1,00 uur Daarbij heeft [gedaagde] een conceptversie van de geldleningsovereenkomst overgelegd waarop achter de verschillende bepalingen handgeschreven vinkjes staan. [betrokkene 3] heeft met [betrokkene 1] de conceptovereenkomst telefonisch besproken en toen achter iedere besproken bepaling – inclusief de rentevergoeding – een vinkje heeft gezet, aldus nog steeds [gedaagde]. Ten tweede heeft [gedaagde] aangevoerd dat weliswaar de rente van de geldlening neerkwam op circa 20% tegenover circa 9% van het ABN AMRO-krediet, maar dat de geldleningsovereenkomst onder andere voorwaarden en onder andere omstandigheden is gesloten. Incotex stond namelijk onder verscherpt toezicht van de afdeling Bijzonder Beheer van de bank en kampte met een steeds nijpender liquiditeitstekort waardoor facturen en de Belastingdienst niet konden worden betaald. Alleen Cashflex bleek bereid in de gegeven omstandigheden [eiser] te financieren zonder daarbij van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] in privé zekerheden te verlangen. Bovendien wist [gedaagde] dat (de voormalige accountant van) Incotex een valse jaarrekening aan de bank had verstrekt. Zodra de bank daar achter zou komen, zou de bank het krediet vrijwel zeker direct opzeggen. Dat zou dan vrijwel zeker tot het faillissement van Incotex hebben geleid en daarmee tot een claim op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in persoon voor terugbetaling van het krediet, hetgeen [eiser] juist wilde laten voorkomen door [gedaagde]. Ten derde was het volgens [gedaagde] op het moment van het overeenkomen van de geldlening allerminst zeker dat het bedrijfspand snel verkocht zou worden, onder meer omdat er afspraken moesten worden gemaakt over de huur van een deel van het bedrijfspand door Incotex. De enige kandidaat trok zich juist in mei 2019 terug, omdat zij niet akkoord ging met de huur en de huurprijs op basis van voorstellen van Incotex. Na het aflossen van het ABN AMRO-krediet kon bovendien factoring worden gestart zodat Incotex weer zaken kon doen, aldus [gedaagde]. 4.
  42. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] met het sluiten van de geldleningsovereenkomst niet haar zorgplicht jegens [eiser] geschonden en kon zij gelet op de belangen van [eiser] en de inhoud van de volmacht op dat moment (in mei 2019) als redelijk handelend en redelijk bekwaam professioneel gevolmachtigde besluiten tot het aangaan van de geldleningsovereenkomst namens [eiser]. Dat het bedrijfspand een paar maanden later is verkocht doet hier niet aan af. [gedaagde] heeft namelijk gemotiveerd uiteengezet dat er in mei 2019 sprake was van een complexe situatie, waarin verschillende, deels met elkaar verweven, factoren speelden en dat het toen allerminst zeker was dat de bank het krediet nog maandenlang in de lucht zou houden noch dat het bedrijfspand snel verkocht zou worden. De rechtbank licht dit hieronder toe. 4.
  43. Voor de rechtbank staat voorop dat [gedaagde] op grond van de volmacht in beginsel de bevoegdheid had de geldleningsovereenkomst aan te gaan en dat [gedaagde] met de geldlening het voornaamste doel van de volmacht - het beëindigen van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor het ABN AMRO-krediet van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - heeft bereikt. [eiser] heeft verder nagelaten tegenover het gemotiveerde verweer van [gedaagde] deugdelijk te onderbouwen dat de in de geldleningsovereenkomst overeengekomen minimale rentevergoeding niet marktconform was. De enkele stelling dat de rente doorgaans 0,6% per maand bedraagt is daarvoor – gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde] – onvoldoende. 4.
  44. [eiser] heeft zich verder niet – naar aanleiding van het gemotiveerde verweer van [gedaagde] – concreet en onderbouwd uitgelaten over het alternatief voor het sluiten van de overeenkomst van geldlening; het laten doorlopen van het ABN AMRO-krediet met een stijgend risico van persoonlijke aansprakelijkheidsstelling voor [eiser] en [betrokkene 2]. In dit verband is relevant dat het bedrijfspand al sinds eind 2018 te koop stond. Bij e-mail van 8 mei 2019 schreef [betrokkene 1] aan [betrokkene 3] dat het bedrijfspand “mogelijk snel verkocht gaat worden” waarop [betrokkene 3] reageerde met “een eventuele verkoop van het pand”. Als niet weersproken staat vast staat dat men met de betreffende kandidaat vervolgens niet in mei tot overeenstemming kwam. Volgens [gedaagde] trok de potentiële koper zich in mei 2019 terug omdat zij niet akkoord ging met de voortgezette huur door Incotex op de voorwaarden die Incotex stelde. Dit laatste vindt steun in de e-mail van 22 mei 2019 van de makelaar waaruit de advocaat van [eiser] ter zitting heeft geciteerd. Anders dan [eiser] stelt, was het ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomst dus allerminst zeker dat het bedrijfspand op korte termijn verkocht zou worden. Verder wordt in het bericht van 13 mei 2019 van [betrokkene 7] de ‘erg wankele financiële positie’ van Incotex geschetst. Kortom: in mei 2019 bevonden [eiser] en Incotex zich niet in de positie dat zij de zaken rustig op hun beloop konden laten. Tot slot heeft [eiser] niet gemotiveerd betwist dat alleen Cashflex bereid was te financieren zonder privé zekerheden te verlangen. Het komt er dan op neer dat [eiser] achteraf wel de lusten maar niet de bijhorende financiële lasten van de geldleningsovereenkomst wil aanvaarden en dat was in de gegeven omstandigheden niet reëel. 4.
  45. Dat [betrokkene 3] heeft geprobeerd Cashflex te bewegen tot het terugbetalen van de minimale rentevergoeding doet aan het bovenstaande niet af; ter toetsing ligt immers voor de vraag of [gedaagde] in mei 2019, met het sluiten van de overeenkomst van geldlening, haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. 4.
  46. Aan bewijslevering komt de rechtbank gelet op het bovenstaande niet toe. Onrechtmatige daad 4.
  47. In het verlengde van het voorgaande faalt ook het beroep op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). [eiser] heeft hiervoor geen andere feiten of omstandigheden gesteld dan eerder getoetst in het kader van de zorgplicht van [gedaagde] als professioneel gevolmachtigde. Een nadere toets aan de algemene maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm kan daaraan niets toevoegen. Conclusie 4.
  48. [gedaagde] heeft door het sluiten van de geldleningsovereenkomst niet in strijd gehandeld met een instructie van [eiser], noch heeft zij in strijd met haar zorgplicht of overigens onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. De overige stellingen en verweren behoeven geen bespreking. De rechtbank zal de vorderingen afwijzen. 4.
  49. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 2.837,00 - salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.443,00 5De beslissing De rechtbank 5.
  50. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.
  51. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.443,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 26 juni
  52. 1680 Vgl. Hoge Raad 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243 [eiser] spreekt in dit verband over boeterente terwijl [gedaagde] spreekt over minimale rentevergoeding. Partijen hebben met deze termen het oog op de in de geldleningsovereenkomst overeengekomen minimale rentevergoeding van € 65.000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.