vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 10672851 EL 23-19 vonnis van de kantonrechter van 18 juli 2024 in de zaak van [eiser] , ‘te dezen handelende mede ten behoeve van de gemeenschap van [naam 1] ’, wonende te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie en de incidenten, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie en de incidenten, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het (tussen)vonnis in de incidenten van 7 maart 2024, en de daarin genoemde stukken. 1.2. Dexia is bij tussenvonnis van 7 maart 2024 in de gelegenheid gesteld om [naam 2] in vrijwaring te doen dagvaarden. Van deze mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt. Voorts heeft Dexia, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie en van antwoord in het door [eiser] opgeworpen incident ingediend. 1.3. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2. De verdere beoordeling in conventie, in reconventie en in het door [eiser] opgeworpen incident algemeen 2.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] en [naam 1] . 2.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 2.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. verjaring 2.4. Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. tussenpersoon 2.5. [eiser] en [naam 1] hebben de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon EPB Advies B.V. (hierna ook te noemen: E.P.B. Advies B.V.) Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 2.6. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] en [naam 1] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser] en [naam 1] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 2.7. [eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: [naam 1] heeft naar aanleiding van een advertentie telefonisch contact met EPB Advies opgenomen. Vervolgens is een financieel adviesgesprek bij [eiser] thuis gepland. Er hebben verschillende huisbezoeken plaatsgevonden. Zowel [eiser] als [naam 1] waren hierbij aanwezig. Tijdens het eerste huisbezoek heeft de adviseur van EPB Advies, te weten: de heer [naam 3] (hierna te noemen: adviseur), geïnformeerd naar de financiële situatie, financiële wensen en persoonlijke omstandigheden van [eiser] en [naam 1] . [naam 1] had aan de adviseur kenbaar gemaakt dat hij voorafgaand aan zijn huwelijk met [eiser] een koopwoning had, welke hij had verkocht. Bovendien had [eiser] aangegeven dat zij een gat in haar pensioen had, omdat zij een tijdje niet had gewerkt vanwege haar arbeidsongeschiktheid. Voorts had [naam 1] kenbaar gemaakt dat hij de wens had om vermogen op te bouwen om onder meer zijn pensioen aan te vullen. De adviseur gaf aan dat hij hier een geschikt product voor had en adviseerde [eiser] en [naam 1] om een Capital Effect product af te sluiten. [eiser] en [naam 1] zouden van het Capital Effect beter rendement kunnen behalen dan van een reguliere spaarrekening, aldus de adviseur. De adviseur presenteerde het Capital Effect product als een 'geweldige spaarrekening'. De adviseur adviseerde om de opbrengst uit de verkochte koopwoning aan te wenden voor het Capital Effect. Vervolgens heeft de adviseur zijn advies toegelicht aan de hand van een prognosevoorbeeld en cashflowoverzicht (productie (…)). Middels het prognosevoorbeeld liet de adviseur zien dat volgens hem na 20 jaar een opbrengst van ruim NLG 190.160,60 zou volgen uit het Capital Effect met een maandelijkse inleg van NLG 150,00 gerekend met een rendement van 14,3%. Volgens de adviseur zouden [eiser] en [naam 1] sneller vermogen kunnen opbouwen als hij een vooruitbetaling van ongeveer NLG 7.200,00 voor 60 maanden in plaats van een maandbetaling van NLG 150,00 zou doen. Bovendien zouden [eiser] en [naam 1] een korting van 20% op de maantermijnen genieten indien zij deze vooruit zouden betalen. De adviseur heeft tijdens één van de huisbezoeken zijn visitekaartje aan [eiser] en [naam 1] gegeven. Dit visitekaartje wordt overgelegd als productie (…). De adviseur heeft [eiser] en [naam 1] niet geïnformeerd over de specifieke risico's. Zo heeft de adviseur er niet op gewezen dat met de inleg de rentelasten voor een lening (de effectenleaseovereenkomst) werd betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. 2.8. [eiser] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: - een kopie van de overeenkomst van 12 april 2001 met contractnummer [nummer 1] , voorzien van het adviseursnummer: [nummer 2], - een kopie van een Prognose Capital Effect, voorzien van het logo van E.P.B. Advies B.V., en een kopie van een Cash Flow Capital Effect met rekenvoorbeelden, - een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van E.P.B. Advies B.V., waarop vermeld staat: “ [naam 3] , Adviseur (…)”, - een kopie van een uittreksel van de KvK van EPB Advies B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Het bemiddelen in assurantiën, hypothecaire- en andere financieringen, alsmede spaarcontracten, het optreden als bemiddelaar op het gebied van financiële dienstverlening en het verrichten van werkzaamheden op het gebied van telemarketing’. 2.9. Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiser] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eiser] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] , [naam 1] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.