← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:14329

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 10727907 \ CV EXPL 23-3328 Uitspraakdatum: 2 mei 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser 1] , die woont in [plaats 1] [eiser 2] , die woont in [plaats 1] [eiser 3] , die woont in [plaats 2] [eiser 4] , die woont in [plaats 1] [eiser 5] , die woont in [plaats 3] eisers verder te noemen: [eisers] gemachtigde: mr. L.G. Hirdes tegen de besloten vennootschap Albert Heijn B.V. gevestigd te Zaandam gedaagde verder te noemen: Albert Heijn gemachtigde: mr. J.M. van Slooten en mr. D.E.J. van Wijk De zaak in het kort In deze zaak vorderen vijf werknemers dat voor recht wordt verklaard dat hun werkgever Albert Heijn een verboden onderscheid maakt op grond van arbeidsduur. Volgens de werknemers is sprake van verboden onderscheid, omdat Albert Heijn op basis van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst alleen roostervrije seniorendagen toekent aan medewerkers met een contract van meer dan 128 uur per periode van vier weken. De kantonrechter wijst de vordering af. Naar het oordeel van de kantonrechter is er namelijk een objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid. 1Het procesverloop 1.

  1. [eisers] hebben met een dagvaarding van 22 september 2023 een vordering tegen Albert Heijn ingesteld. Albert Heijn heeft schriftelijk geantwoord. 1.
  2. Op 3 april 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen met brieven van 21 en 22 maart 2024 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.
  3. [eisers] zijn al jarenlang in dienst bij Albert Heijn als medewerkers logistiek en zij zijn allen ouder dan 45 jaar. Zij werken bij een distributiecentrum van Albert Heijn in de functie van magazijnmedewerker of cockpitmedewerker. De distributiecentra bevoorraden de winkels van Albert Heijn door heel Nederland. 2.
  4. De arbeidsomvang van [eisers] ligt tussen 96 en 128 uur per periode van vier weken. Een voltijd dienstverband bij Albert Heijn (bij de distributiecentra) heeft een omvang van 160 uur per periode van vier weken. 2.
  5. Albert Heijn heeft een aparte collectieve arbeidsovereenkomst voor de logistieke organisatie van het bedrijf, waar de distributiecentra onder vallen, te weten de collectieve arbeidsovereenkomst voor medewerkers van Logistiek van Albert Heijn (hierna: de CAO Logistiek AH). De laatste versie van de CAO Logistiek AH heeft een looptijd van 15 april 2023 tot en met 14 april 2024 en is gesloten met FNV Handel en CNV Vakmensen. 2.
  6. De CAO Logistiek AH kent speciale regelingen voor oudere werknemers. Deze regelingen, bekend als ‘ontziemaatregelen’, hebben als doel om oudere medewerkers te ondersteunen bij het mentaal en fysiek fit blijven in het werk. 2.
  7. In hoofdstuk 7 van de CAO Logistiek AH staat een aantal ‘ontziemaatregelen’. Daarbij gaat het om een regeling voor roostervrij seniorendagen, ook wel aangeduid met de term RSD-regeling, een regeling dat er voor de medewerker van 49 jaar en ouder geen verplichting meer bestaat om in de nachtdienst te werken, en een regeling dat er onder bepaalde voorwaarden geen verplichting meer is tot werken in de avond en het verrichten van overwerk. Daarnaast is elders in de CAO Logistiek AH geregeld dat voor medewerkers vanaf 45 jaar die geen aanspraak kunnen maken op de RSD-regeling, extra leeftijd gerelateerde vakantie-uren gelden en dat zij meer ADV-uren ontvangen. 2.
  8. De RSD-regeling staat (inmiddels) in artikel 7.4 van de CAO Logistiek AH. De RSD-regeling kent roostervrije dagen toe aan werknemers van 45 jaar en ouder, met een arbeidsomvang van meer dan 128 uren per periode (een tijdvak van vier weken), en die werkzaam zijn in onder meer de functie van magazijnmedewerker of cockpitmedewerker. Volgens de RSD-regeling hebben werknemers van 45 jaar en ouder recht op 23 rustdagen per jaar, en werknemers van 53 jaar en ouder recht op één vrije dag per week. 2.
  9. [eisers] kunnen uitgaande van artikel 7.4 van de CAO Logistiek AH geen aanspraak maken op de RSD-regeling, omdat zij tussen 96 en 128 uur per periode van vier weken werkzaam zijn, en dus geen arbeidsomvang hebben van méér dan 128 uur per periode van vier weken, zoals vereist voor de RSD-regeling. 2.
  10. Het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) heeft in een uitspraak van 31 januari 2023 geoordeeld dat in de CAO Logistiek AH een niet gerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt naar arbeidsduur, doordat de RSD-regeling alleen extra roostervrije dagen toekent aan de werknemers met contracten van meer dan 128 uur. Daarbij heeft het College overwogen dat Albert Heijn niet heeft onderbouwd dat de RSD-regeling noodzakelijk is en dat er volgens het College een minder onderscheid makend middel voorhanden is, namelijk het naar rato toepassen van de RSD-regeling. Het College is daarom tot de conclusie gekomen dat het door Albert Heijn gemaakte onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is en Albert Heijn een verboden onderscheid op grond van arbeidsduur maakt. 3De vordering en het verweer 3.
  11. [eisers] vorderen dat voor recht wordt verklaard dat Albert Heijn tegenover hen verboden onderscheid op grond van arbeidsduur heeft gemaakt door roostervrije seniorendagen van de CAO Logistiek AH alleen toe te kennen aan medewerkers met een contract van meer dan 128 uur per periode van vier weken. Ook wordt gevorderd om voor recht te verklaren dat Albert Heijn in strijd heeft gehandeld met de normen van goed werkgeverschap, dat de RSD-regeling naar evenredigheid op [eisers] moet worden toegepast, en dat Albert Heijn wordt veroordeeld om [eisers] in staat te stellen de roostervrije seniorendagen die zij zijn misgelopen, alsnog op te nemen. [eisers] leggen aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de RSD-regeling een discriminatoir karakter heeft en dat Albert Heijn daarmee een verboden onderscheid maakt op grond van arbeidsduur. Ter ondersteuning van hun standpunt verwijzen [eisers] mede naar de hiervoor genoemde uitspraak van het College van 31 januari
  12. 3.
  13. Albert Heijn betwist de vordering. Albert Heijn voert aan – samengevat – dat geen sprake is van een verboden onderscheid naar arbeidsduur, omdat het onderscheid in de RSD-regeling objectief gerechtvaardigd is. Daarbij heeft Albert Heij erop gewezen dat de RSD-regeling steeds in goed overleg met de vakbonden in beschouwing is genomen en dat de RSD-regeling alleen openstaat voor medewerkers voor wie het daadwerkelijk noodzakelijk is dat zij extra rust krijgen naast de wekelijkse minimale rusttijd, te weten (bijna) fulltimers met een dienstverband van meer dan 128 uur per periode van vier weken. Verder stelt Albert Heijn dat uit rechtspraak volgt dat de rechter zich terughoudend moet opstellen bij de toetsing van door sociale partners overeengekomen maatregelen. 4De beoordeling waar gaat het om in deze zaak? 4.
  14. In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat Albert Heijn tegenover [eisers] verboden onderscheid op grond van arbeidsduur heeft gemaakt door met toepassing van de RSD-regeling van de CAO Logistiek AH alleen roostervrije seniorendagen toe te kennen aan medewerkers met een contract van meer dan 128 uur per periode van vier weken. wat is het oordeel van de kantonrechter? 4.
  15. De kantonrechter is van oordeel dat Albert Heijn met de RSD-regeling geen verboden onderscheid op grond van arbeidsduur heeft gemaakt, omdat dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd en toegelicht. welke uitgangspunten zijn van belang bij de beoordeling? 4.
  16. Op grond van de wet mag de werkgever geen onderscheid maken tussen werknemers op grond van een verschil in arbeidsduur, in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, voortgezet dan wel opgezegd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. 4.
  17. Ook uit Europese regelgeving volgt dat deeltijdwerkers met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden niet minder gunstig mogen worden behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is. 4.
  18. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) en de Hoge Raad volgt dat een onderscheid objectief kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. 4.
  19. Wat betreft de beoordeling van het legitieme doel volgt uit die rechtspraak ook dat de lidstaten en de sociale partners over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij de beslissing welke doelstellingen zij willen nastreven en bij het bepalen van de maatregelen waarmee deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt. Als de maatregel het resultaat is van een collectieve arbeidsovereenkomst die tot stand is gekomen door onderhandelingen tussen de vertegenwoordigers van de werknemers en de vertegenwoordigers van de werkgevers, die daarmee hun grondrecht op collectieve onderhandelingen hebben uitgeoefend, is het aan de sociale partners overgelaten om een evenwicht te bepalen tussen hun verschillende belangen. Daardoor wordt ook flexibiliteit geboden, omdat iedere partij de overeenkomst eventueel kan opzeggen. De rechter moet de door de sociale partners gemaakte keuzes dus met terughoudendheid beoordelen. De hiervoor genoemde beoordelingsruimte mag niet tot gevolg hebben dat de toepassing van het beginsel van het verbod van discriminatie zinloos wordt. 4.
  20. Die terughoudendheid brengt ook mee dat de rechter bij de vraag of een maatregel passend is, moet onderzoeken of die maatregel niet kennelijk ongeschikt is om het daarmee nagestreefde legitieme doel te bereiken. En bij de vraag of een maatregel noodzakelijk is, moet de rechter onderzoeken of die maatregel verder gaat dan nodig is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelen en of die maatregel op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de daardoor benadeelden. moet de kantonrechter de zaak juist niet terughoudend beoordelen? 4.
  21. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de kantonrechter tot uitgangspunt neemt dat hij de vraag of het onderscheid in de RSD-regeling objectief kan worden gerechtvaardigd, met terughoudendheid moet beoordelen, en dat het aan de sociale partners, in dit geval de partijen bij de CAO Logistiek AH, moet worden overgelaten om een evenwicht te bepalen tussen de verschillende belangen. Verder moet de kantonrechter zich beperken tot de vraag of de RSD-regeling niet kennelijk ongeschikt is om het daarmee nagestreefde doel te bereiken en of die regeling niet op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de [eisers] 4.
  22. bepleiten dat de kantonrechter de zaak niet terughoudend beoordeelt. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 31 januari 2023 en rechtspraak van het HvJEU stellen [eisers] dat de terughoudendheid alleen geldt als de sociale partners tijdens het overleg over de CAO Logistiek AH, en de eerdere versies daarvan, hebben beoordeeld of het onderscheid in de RSD-regeling objectief gerechtvaardigd is. Als er onvoldoende bewijs is (geleverd) dat de sociale partners een dergelijke beoordeling hebben gemaakt, dan is er geen reden voor een terughoudende toetsing, aldus [eisers] En volgens [eisers] is niet bewezen dat de sociale partners hebben beoordeeld of het verboden onderscheid objectief gerechtvaardigd is. 4.
  23. De kantonrechter volgt [eisers] niet in het standpunt dat de hiervoor genoemde terughoudendheid bij de beoordeling alleen aan de orde is als blijkt dat de sociale partners tijdens het overleg over de CAO Logistiek AH hebben beoordeeld of het onderscheid in de RSD-regeling objectief gerechtvaardigd is. Voor dat standpunt is geen steun te vinden in de regelgeving of de rechtspraak van de Hoge Raad en het HvJEU. Uit de uitspraak van het HvJEU waar [eisers] naar hebben verwezen, kan worden afgeleid dat een onderscheid ook kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst niet in aanmerking zijn genomen, dus ook zonder dat is gebleken dat de sociale partners hebben beoordeeld of een onderscheid objectief gerechtvaardigd is. 4.
  24. Ook blijkt uit de rechtspraak van het HvJEU dat een gebrek aan precisie met betrekking tot het nagestreefde doel van de betrokken regeling niet uitsluit dat een onderscheid objectief gerechtvaardigd kan zijn. En door de Hoge Raad is geoordeeld dat de rechter bij de beoordeling in dit kader in redelijkheid de gestelde omstandigheden dient af te wegen. De kantonrechter moet de vraag of het onderscheid in de RSD-regeling objectief kan worden gerechtvaardigd dus met terughoudendheid beoordelen, ook als de sociale partners dat niet zouden hebben onderkend tijdens het overleg over de CAO Logistiek AH. 4.
  25. Bovendien is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de sociale partners bij het overleg over de CAO Logistiek AH hebben beoordeeld of het onderscheid in de RSD-regeling objectief kan worden gerechtvaardigd. Albert Heijn heeft verklaringen overgelegd van haar director Labor Relations, van een oud-medewerker HR en Labor Relations, en van het voormalige Hoofd Arbeidszaken. Uit die verklaringen blijkt dat de RSD-regeling destijds door de sociale partners is afgesproken om te zorgen dat oudere medewerkers die (bijna) voltijds werken voldoende rust krijgen en om te voorkomen dat zij voortijdig uitvallen. Ook blijkt uit die verklaringen dat tijdens het jaarlijkse of tweejaarlijkse cao-overleg door de sociale partners is stilgestaan bij de RSD-regeling en de vraag of de RSD-regeling nog noodzakelijk was. Verder blijkt uit een door Albert Heijn overgelegde brief van 6 januari 2014 dat de sociale partners de tekst van de toenmalige CAO Logistiek AH hebben verduidelijkt, door expliciet daarin neer te leggen dat alleen medewerkers met een dienstverband van méér dan 128 contracturen per periode aanspraak konden maken op de RSD-regeling. 4.
  26. Hieruit volgt dat moet worden aangenomen dat de sociale partners bewust hebben gekozen voor het onderscheid naar arbeidsduur in de RSD-regeling, gelet op de doelstelling daarvan. Daarin ligt ook besloten dat de sociale partners hebben bezien of het onderscheid in de RSD-regeling objectief kan worden gerechtvaardigd. Dat door de sociale partners niet expliciet in de CAO Logistiek AH of elders is aangegeven dat sprake is van een objectieve rechtvaardiging en welke afwegingen daarbij zijn gemaakt, doet er niet aan af dat ervan moet worden uitgegaan dat de sociale partners dat inhoudelijk hebben beoordeeld. Het is ook aannemelijk dat de sociale partners hebben stilgestaan bij het onderscheid naar arbeidsduur in de RSD-regeling, omdat de kern van die regeling nu juist is dat deze bedoeld is voor medewerkers die (bijna) voltijds werken. Ook gelet hierop moet de kantonrechter de vraag of het onderscheid in de RSD-regeling objectief kan worden gerechtvaardigd met terughoudendheid beoordelen. heeft de RSD-regeling een legitiem doel? 4.
  27. Uit de aanhef van artikel 7.4 van de CAO Logistiek AH blijkt dat het doel van de RSD-regeling is om bij de te dragen aan het fysiek en mentaal herstel van oudere medewerkers, die de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt. Niet ter discussie staat dat de RSD-regeling deel uitmaakt van beleid van Albert Heijn om rekening te houden met verschillen in de belastbaarheid van oudere en jongere werknemers en om de duurzame inzetbaarheid van werknemers te bevorderen. Met die regeling wordt beoogd om oudere werknemers die meer dan 128 uur per periode van vier weken – dus meer dan vier dagen per week – fysiek of mentaal belastend werk verrichten in het distributiecentrum, voldoende mogelijkheid te geven om te herstellen. 4.
  28. Naar het oordeel van de kantonrechter dient de RSD-regeling daarmee een legitiem doel, namelijk het bijdragen aan het fysiek en mentaal herstel van oudere medewerkers. Bij het oordeel dat de RSD-regeling een legitiem doel dient, weegt mee dat de RSD-regeling voorziet in een werkelijke behoefte en op zichzelf geen discriminerend oogmerk heeft, en dat die regeling terughoudend moet worden beoordeeld, zoals hiervoor is overwogen. 4.
  29. [eisers] erkennen het hiervoor genoemde legitieme doel, maar zij stellen dat het uitzonderen van deeltijders – die vier of minder dagen per week werken – van de RSD-regeling geen legitiem doel dient. Die stelling kan niet slagen. Dat deeltijders zijn uitgezonderd van de RSD-regeling doet immers niet af aan het legitieme doel daarvan als zodanig. De vraag of de uitzondering van deeltijders gerechtvaardigd is, komt hierna nog aan bod, bij de vraag of de RSD-regeling noodzakelijk is. is de RSD-regeling passend? 4.
  30. Uit het door Albert Heijn overgelegde rapport van haar arbodienst van 10 oktober 2020 en 11 maart 2024 blijkt onder meer dat het risico op overbelasting en fysieke klachten van oudere medewerkers aanzienlijk afneemt zodra de arbeidsomvang wordt teruggebracht naar 80% of minder, dus naar vier of minder dagen werken per week. Daaruit volgt ook dat er een groot risico bestaat op overbelasting bij fysiek werk voor oudere medewerkers die structureel meer dan 80% werken, dus meer dan vier dagen per week. Ook uit het door Albert Heijn overgelegde rapport ‘Diversiteit in Bedrijf’ van de SER van november 2021 blijkt dat onderzoek heeft laten zien dat een kortere werkweek een positief effect heeft op de inzetbaarheid van (vooral) oudere werknemers. 4.
  31. De kantonrechter vindt dat de RSD-regeling gelet op de hiervoor genoemde rapporten passend is. De RSD-regeling draagt immers bij aan het voorkomen van overbelasting van oudere medewerkers die meer dan 128 uur per periode van vier weken werken, dus meer dan vier dagen per week. Die regeling is in ieder geval niet kennelijk ongeschikt om het daarmee nagestreefde legitieme doel te bereiken, te weten het bijdragen aan het fysiek en mentaal herstel van oudere medewerkers die (bijna) voltijds werken. is de RSD-regeling noodzakelijk? 4.
  32. De kantonrechter is er ook voldoende van overtuigd dat de RSD-regeling noodzakelijk is. 4.
  33. De RSD-regeling gaat niet verder dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het doel daarvan. De RSD-regeling heeft tot doel om bij te dragen aan het fysiek en mentaal herstel van oudere medewerkers die (bijna) voltijds werken en daarin voorziet de regeling. De RSD-regeling kent immers alleen roostervrije dagen toe aan die medewerkers voor wie dat echt nodig is, namelijk medewerkers die (bijna) voltijds werken. 4.
  34. De kantonrechter kan Albert Heijn volgen in haar standpunt dat er geen alternatief beschikbaar is dat minder onderscheidend is, met name niet het naar rato toepassen van de RSD-regeling op medewerkers van 45 jaar en ouder die vier of minder dagen per week werken. Uit eerdergenoemd rapport van de arbodienst volgt dat het risico op fysieke en mentale overbelasting aanzienlijk afneemt indien de arbeidsduur wordt teruggebracht naar 80% of minder. Dat betekent dat er voor medewerkers die vier of minder dagen werken geen noodzaak is voor de extra roostervrije dagen van de RSD-regeling. Het naar rato toepassen van de RSD-regeling, zoals [eisers] voorstaan, is dus niet noodzakelijk en zou ook afbreuk doen aan het doel van de regeling. 4.
  35. Dat sommige deeltijders ook behoefte kunnen hebben aan extra rust of herstel, zoals [eisers] stellen, doet niet af aan de hiervoor genoemde conclusie uit het rapport van de arbodienst, namelijk dat er juist voor medewerkers die vier of meer dagen werken een noodzaak is voor de extra roostervrije dagen van de RSD-regeling, en niet voor deeltijders. Verder kunnen medewerkers om uiteenlopende redenen kiezen voor deeltijdwerk en kan er een grote verscheidenheid zijn aan bezigheden die deeltijders naast hun werk hebben. De kantonrechter ziet daarom niet in dat dergelijke omstandigheden een rol zouden kunnen spelen bij de beoordeling van de vraag of de RSD-regeling noodzakelijk is. 4.
  36. De RSD-regeling doet ook niet op excessieve wijze afbreuk aan de belangen van de daardoor benadeelden, in dit geval [eisers] Medewerkers die niet in aanmerking komen voor de RSD-regeling krijgen immers extra leeftijd gerelateerde vakantie uren en meer ADV-uren. Medewerkers die in aanmerking komen voor roostervrije dagen van de RSD-regeling krijgen juist minder ADV-uren en minder leeftijd gerelateerde vakantie uren. Verder voorziet de CAO Logistiek AH erin dat oudere medewerkers geen verplichting hebben tot het verrichten van nachtwerk, geen verplichting tot werken in de avond en geen verplichting tot het verrichten van overwerk. Overigens worden roostervrije dagen van de RSD-regeling pro rata toegekend als een medewerker minder heeft gewerkt als gevolg van ziekte en komen deze te vervallen als de medewerker deze niet heeft kunnen opnemen. zijn er bijkomende omstandigheden die wijzen op een verboden onderscheid? 4.
  37. [eisers] wijzen erop dat zij in de ‘wandelgangen’ hebben vernomen dat de RSD-regeling in feite is gefinancierd door alle medewerkers van Albert Heijn, door een aantal jaren geen of minder loonsverhoging toe te passen. Een dergelijke veronderstelling, die overigens niet is onderbouwd en waarvan de juistheid door Albert Heijn is betwist, is niet van belang bij de beoordeling van de vraag of het onderscheid in de RSD-regeling objectief gerechtvaardigd is. 4.
  38. Hetzelfde geldt voor de stelling van [eisers] dat zij bij gelegenheid tevergeefs om urenuitbreiding hebben gevraagd, terwijl aan jongere werknemers wel contracten van meer dan 128 uur zijn gegeven. Ook deze omstandigheid speelt op zichzelf geen rol bij de beoordeling van de objectieve rechtvaardiging voor de RSD-regeling, en ook deze stelling is niet onderbouwd. wat is de conclusie? 4.
  39. De conclusie is dat Albert Heijn tegenover [eisers] geen verboden onderscheid op grond van arbeidsduur heeft gemaakt door met toepassing van de RSD-regeling van de CAO Logistiek AH alleen roostervrije seniorendagen toe te kennen aan medewerkers met een contract van meer dan 128 uur per periode van vier weken. 4.
  40. De kantonrechter zal de vorderingen van [eisers] daarom afwijzen. is er reden voor een proceskostenveroordeling? 4.
  41. De proceskosten en nakosten komen voor rekening van [eisers] , omdat zij ongelijk krijgen. Voor de hoogte van het toe te kennen bedrag aan salaris voor de gemachtigde van Albert Heijn is uitgegaan van het totale bedrag van de nadere schadeberekening door [eisers] De gevorderde rente over de proceskosten en nakosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen veertien dagen na betekening van dit vonnis. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  42. wijst de vorderingen af; 5.
  43. veroordeelt [eisers] tot betaling van de proceskosten, die voor Albert Heijn worden vastgesteld op een bedrag van € 1.630,00 aan salaris van de gemachtigde van Albert Heijn, en € 135,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.
  44. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Artikel 7:648 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Clausule 4 lid 1 van de Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid, opgenomen in de bijlage bij Richtlijn 97/81/EG van 15 december 1997 betreffende de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid. HvJEU 16 oktober 2007 zaak C-411/05, ECLI:EU:C:2007:604 (Palacios de la Villa); HvJEU 3 oktober 2019 zaak C-274/18, ECLI:EU:C:2019:828 (Schuch-Ghannadan); HR 21 januari 2020, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2020:114 (ABN AMRO Bank); zie ook: Kamerstukken II, 1995-1996, 24 498, nr. 3, p.
  45. HvJEU 12 oktober 2010, zaak C-45/09, ECLI:EU:C:2010:601 (Rosenbladt); HR 21 januari 2020, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2020:114 (ABN AMRO Bank). HvJEU 12 oktober 2010, zaak C-499/08, ECLI:EU:C:2010:600 (Andersen). HvJEU van 12 oktober 2010, zaak C-45/09, ECLI:EU:C:2010:601 (Rosenbladt); HR 13 juli 2012, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2012:BW3367 (KLM); HR 19 april 2019, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2019:647 (NXP). HvJEU 26 juni 2001, zaak C-381/99, ECLI:EU:C:2001:358 (Brunnhofer). HvJEU van 16 oktober 2007, C-411/05, ECLI:EU:C:2007:106 (Palacios de la Villa). HR 13 juli 2012, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2012:BW3367 (KLM); HR 21 januari 2020, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2020: 114 (ABN AMRO Bank).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.