RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/339578 / HA ZA 23-274 Vonnis van 14 februari 2024 in de zaak van de vennootschap onder firma [eiseres] , die is gevestigd in [woonplaats] , de eisende partij, hierna te noemen: [VOF] , advocaat: mr. A.J. Roos, kantoorhoudende te Wolvega, gemeente Weststellingwerf, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AGROVISIE B.V., die is gevestigd in Midwoud, gemeente Medemblik, hierna te noemen: Agrovisie,2. [gedaagde sub 2], die woont in [woonplaats] , hierna te noemen: [gedaagde sub 2] , de gedaagde partijen, hierna samen te noemen: Agrovisie c.s., advocaat: mr. A. Glijnis, kantoorhoudende te Alkmaar. De zaak in het kort Deze zaak draait om de vraag of een bedrijfsadviseur een beroepsfout heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is en wijst de vorderingen van de eisende partij (de klant) af. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 4 mei 2023 met bijlagen 1 tot en met 13, - de conclusie van antwoord, tevens verzoek ex artikel 22 en 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met bijlagen 1 tot en met 21, - het tussenvonnis van 2 augustus 2023, waarin de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen. Deze zitting heeft op 30 oktober 2023 plaatsgevonden. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. 1.2. Ter zitting zijn de volgende stukken aan het procesdossier toegevoegd: - de akte wijziging/aanvulling gronden van eis van [VOF] ; - bijlage 22 van Agrovisie c.s.; - de akte overlegging producties van [VOF] met bijlagen 14 tot en met 17. 1.3. Aan het eind van de zitting heeft de rechter bepaald dat in deze zaak een vonnis zal worden gewezen. 2De feiten 2.1. [VOF] is een onderneming waarin de melkveehouderij wordt uitgeoefend. 2.2. [gedaagde sub 2] verleent vanuit Agrovisie (advies)diensten aan agrarische bedrijven. [gedaagde sub 2] is (indirect) enig bestuurder en aandeelhouder van Agrovisie. Een andere vennootschap van [gedaagde sub 2] is Van Kemenade B.V. (hierna: Van Kemenade). [gedaagde sub 2] houdt zich via Van Kemenade bezig met de aan- en verkoop van agrarisch onroerend goed. 2.3. Agrovisie deed de mestboekhouding van [VOF] en was jarenlang haar vaste bedrijfsadviseur. 2.4. [VOF] heeft op 10 maart 2017 met melkveebedrijf [VOF 2] v.o.f. (hierna: [VOF 2] ) een koopovereenkomst gesloten. [VOF] heeft de stallen, de stolpboerderij en landerijen van [VOF 2] gekocht. Deze werden in juni 2017 aan [VOF] geleverd. Van Kemenade stond [VOF] bij als aankoopmakelaar. 2.5. Onderdeel van de koopovereenkomst tussen [VOF] en [VOF 2] was ook de verkoop van een deel van de GVE-rechten van [VOF 2] . GVE-rechten staan voor ‘GrootVee Eenheid-rechten’ en geven, kort gezegd, het recht om melk te produceren en te verkopen. [VOF 2] verkocht haar resterende GVE-rechten aan Melkveebedrijf [VOF 3] v.o.f. (hierna: [VOF 3] ). Bij de aankoop van de GVE-rechten werd [VOF 3] door Agrovisie bijgestaan. 2.6. De veestapel van [VOF 2] viel niet onder de koopovereenkomst. Pas op een later moment in 2017 heeft [VOF] een deel van de veestapel van [VOF 2] gekocht. [gedaagde sub 2] was hier niet bij betrokken. 2.7. Bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RVO) is begin juni 2017 gemeld dat het melkveebedrijf van [VOF 2] aan [VOF] is overgedragen op 16 mei 2017 (begin agrarisch boekjaar). Het zogenoemde Uniek Bedrijfsnummer (hierna: UBN-nummer) van [VOF 2] (UBN [nummer] ) werd daarmee vanaf begin mei 2017 met terugwerkende kracht op naam van [VOF] gezet. Medio mei 2017 werden op dit UBN-nummer 22 of 23 uit Duitsland geïmporteerde runderen geregistreerd. Begin juni 2017 werden deze runderen weer van dit UBN-nummer afgevoerd en op het UBN-nummer van [VOF 3] gezet. 2.8. De RVO heeft [VOF] eind maart 2018 een factuur gestuurd met betrekking tot de ‘Regeling fosfaatreductieplan 2017’ voor periode 2 (mei en juni 2017). Begin april 2018 ontving [VOF] een factuur voor periode 3 (juli en augustus 2017). [gedaagde sub 2] heeft in mei 2018 (pro forma) bezwaar aangetekend tegen de voor periode 2 en 3 oplegde geldsommen. Eind mei 2018 heeft [gedaagde sub 2] aanvullende gronden ingediend (hierna te noemen: het bezwaarschrift). In de gecombineerde beschikking ‘fosfaatreductieplan 2017’ van 16 juni 2018 heeft de RVO aan [VOF] vier geldsommen opgelegd (hierna: de gecombineerde geldsombeschikking). De gecombineerde geldsombeschikking zag op de perioden 2 tot en met 5 van 2017, waarbij aan [VOF] geldsommen van in totaal € 24.234,- werden opgelegd. [VOF] heeft dit bedrag betaald. 2.9. Op 13 december 2018 heeft de RVO het bezwaar van [VOF] ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op bezwaar). Tegen de beslissing op bezwaar is geen beroep ingesteld. 2.10. De rechtsbijstandsverzekeraar van [VOF] heeft Agrovisie op 18 januari 2022 een brief gestuurd. Daarin heeft [VOF] het standpunt ingenomen dat Agrovisie als bedrijfsadviseur wat betreft de bezwaarprocedure bij de RVO toerekenbaar tekort is geschoten. [VOF] heeft Agrovisie op grond van die wanprestatie aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Agrovisie heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. 3Het geschil 3.1. [VOF] vordert - samengevat - dat de rechtbank Agrovisie c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 30.712,- te vermeerderen met wettelijke rente en tot betaling van een bedrag van € 1.017,34 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. 3.2. Aan haar vorderingen legt [VOF] ten grondslag dat Agrovisie (in de persoon van [gedaagde sub 2] ) niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen. Het gevorderde bedrag van € 30.712,- is de schade die [VOF] door het toerekenbaar tekortschieten van Agrovisie stelt te hebben geleden. Omdat [gedaagde sub 2] volgens [VOF] optrad als werknemer of hulpersoon van Agrovisie, is ook Agrovisie voor de schade op grond van artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (BW) of artikel 6:76 BW aansprakelijk te houden. Ten slotte baseert [VOF] haar vordering tegen Agrovisie op onrechtmatige daad. Ook [gedaagde sub 2] wordt door [VOF] op grond van onrechtmatige daad voor de gestelde schade aangesproken. 3.3. Agrovisie c.s. vinden dat de vorderingen van [VOF] moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [VOF] in de kosten van deze procedure (inclusief nakosten). 3.4. De rechtbank zal ingaan op de stellingen van partijen als dat voor de beoordeling van de vorderingen van [VOF] nodig is. 4De beoordeling 4.1. De RVO heeft de geldsommen aan [VOF] opgelegd omdat [VOF] het aantal runderen op haar bedrijf niet heeft teruggebracht tot het voor haar geldende referentieaantal of doelstellingenaantal. Niet in geschil is dat deze overschrijding te maken had met 22 of 23 jongveerunderen die [VOF 3] vanuit Duitsland had geïmporteerd. Dit jongvee werd medio mei 2017 geregistreerd op het UBN-nummer dat op dat moment (nog) op naam van [VOF 2] stond. Begin juni 2017 werd het jongvee overgeschreven naar het UBN-nummer van [VOF 3] . De registratie en de afvoer van de jongveerunderen vonden dus plaats op c.q. vanaf het UBN-nummer dat [VOF] met terugwerkende kracht vanaf begin mei 2017 van [VOF 2] had overgenomen. Het jongveegetal dat gold voor het overgenomen UBN-nummer werd overschreden omdat de jongveerunderen werden afgevoerd (naar het UBN-nummer van [VOF 3] ). Dit heeft tot oplegging van de geldsommen geleid. Overeenkomst van opdracht 4.2. De rechtbank constateert dat niet langer in geschil is dat het ingediende bezwaarschrift tegen alle opgelegde geldsommen was gericht en dat het bezwaarschrift door Agrovisie (in de persoon van [gedaagde sub 2] ) werd ingediend. De vraag is of Agrovisie haar werkzaamheden met betrekking tot de geldsombeschikkingen heeft verricht op basis van een met [VOF] gesloten overeenkomst van opdracht (zoals [VOF] stelt) of dat Agrovisie deze werkzaamheden belangeloos heeft verricht, als vriendendienst (zoals Agrovisie c.s. hebben betoogd). 4.3. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Dit oordeel licht de rechtbank als volgt toe. 4.4. Agrovisie was jarenlang de vaste bedrijfsadviseur van [VOF] . Hoewel Agrovisie voor [VOF] vooral de mestboekhouding deed, viel het indienen van bezwaarschriften ook onder de werkzaamheden die Agrovisie voor haar klanten verrichtte. Vaststaat dat [VOF] de betreffende facturen met betrekking tot de ‘Regeling fosfaatreductieplan 2017’ voor periode 2 en 3 aan Agrovisie heeft overhandigd en dat [VOF] aan Agrovisie heeft gevraagd om daartegen bezwaar te maken. De rechtbank volgt Agrovisie c.s. daarom niet in hun betoog dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht omdat de werkzaamheden niet (expliciet) aan Agrovisie zouden zijn opgedragen. Ook het feit dat Agrovisie het bezwaarschrift niet bij [VOF] in rekening heeft gebracht, betekent in dit geval niet dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht. [gedaagde sub 2] heeft ter zitting namelijk verklaard dat het wel vaker voorkwam dat Agrovisie werkzaamheden voor klanten niet factureerde. Is Agrovisie tekortgeschoten? 4.5. In de wet staat dat een opdrachtnemer (Agrovisie in dit geval) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Dat betekent dat Agrovisie dient te handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Wat dit concreet betekent is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 4.6. [VOF] stelt dat Agrovisie niet heeft gehandeld zoals een goed en deskundig adviseur behoorde te doen. [VOF] maakt Agrovisie de volgende verwijten. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.