RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/203469-23 (P) Uitspraakdatum: 15 februari 2024 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 februari 2024 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ), ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Diependaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.T. Çaylak, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: primair hij op of omstreeks 13 augustus 2023 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, aan zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel te weten (meerdere) (tweede graads) brandwonden in het aangezicht en/of op het (boven)lichaam - waarvan (telkens) (blijvend) littekenvorming te verwachten is, en/of hersenletsel, heeft toegebracht door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (middels een waterkoker) kokend althans (zeer) heet water over/tegen (de linkerzijde van) het hoofd en/of de hals en/of het (boven)lichaam van deze [slachtoffer] te gooien dan wel te gieten, en/of met een waterkoker [slachtoffer] hard op het hoofd te slaan; subsidiair hij op of omstreeks 13 augustus 2023 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk - water dat (zojuist) door hem, verdachte, in een elektrische waterkoker aan de kook was gebracht dan wel was opgewarmd over/tegen (de linkerzijde van) het hoofd en/of de hals en/of het (boven)lichaam van [slachtoffer] heeft gegooid dan wel heeft gegoten, en/of met een waterkoker [slachtoffer] hard op het hoofd heeft geslagen. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit, dan wel moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De daartoe gevoerde verweren worden voor zover van belang hierna besproken. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Vrijspraak van het primair ten laste gelegde Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen is weliswaar feitelijk gezien ernstig van aard, maar juridisch gezien kwalificeert het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel, omdat na enkele dagen volledig lichamelijk herstel te verwachten was, er geen littekens zouden achterblijven en er geen operatief ingrijpen noodzakelijk was. Omstandigheden met betrekking tot de aard en/of ernst van het letsel die niettemin tot het oordeel zouden moeten leiden dat juridisch sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn niet gebleken. 3.3.2 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.3 Nadere bewijsoverweging Vaststellingen Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte woonde aanvankelijk samen met zijn gezin – zijn echtgenote [slachtoffer] (de aangeefster) en hun minderjarige kinderen – aan de [adres] . Door de aangeefster is in juni 2023 een echtscheidingsprocedure in gang gezet. De echtscheiding is nog niet uitgesproken. Bij beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van deze rechtbank van 25 juli 2023 is bepaald dat de minderjarige kinderen ( [kinderen] ) worden toevertrouwd aan de aangeefster, dat de aangeefster bij uitsluiting gerechtigd is de woning aan de [adres] te gebruiken en dat de verdachte deze woning moet verlaten en niet meer mag betreden. Deze beschikking is op 27 juli 2023 door de deurwaarder aan de verdachte betekend. Na arrestatie van de verdachte is de beschikking in zijn fouillering aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij op 12 augustus 2023 in het begin van de middag naar de woning aan de [adres] is gegaan. De aangeefster was op dat moment niet thuis maar de drie minderjarige kinderen wel. Volgens [naam 1] , de oudste dochter van de verdachte, heeft de verdachte gezegd dat de aangeefster niet mocht weten dat hij daar was, en heeft hij gedurende de tijd dat hij in de woning was herhaaldelijk gevraagd wanneer de aangeefster thuis zou komen en heeft hij daarop gewacht. Toen de aangeefster later op de avond, samen met haar zus en zwager, thuis kwam, heeft de verdachte volgens de aangeefster in de keuken de waterkoker aangezet. Uit de verklaring van [naam 1] blijkt dat de verdachte deze waterkoker tot vier keer toe opnieuw inschakelde, kennelijk, volgens de rechtbank, om het water telkens opnieuw aan de kook te brengen. Zowel de aangeefster als [naam 1] hebben verklaard dat de verdachte kort daarop, toen hij samen met de aangeefster in de keuken stond, het water uit de waterkoker over de aangeefster heeft gegooid en haar vervolgens met de waterkoker tegen het hoofd heeft geslagen. Standpunten van de verdachte De verdachte stelt dat de verklaringen van de aangeefster en van [naam 1] onbetrouwbaar zijn en daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs. Hij heeft verklaard dat hij juist door de aangeefster is aangevallen met de waterkoker en dat zij daarbij heeft geprobeerd kokend water over hem heen te gooien. Doordat de verdachte deze aanval van de aangeefster heeft afgeweerd, is het kokende water op haar terecht gekomen. Beoordeling van de standpunten van de verdachte De rechtbank vindt de verklaring van de aangeefster op hoofdlijnen consistent en betrouwbaar. Zij ziet daarnaast geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de getuigenverklaring van [naam 1] onder druk van, dan wel onder beïnvloeding door, familieleden tot stand zou zijn gekomen. Deze stelling is op geen enkele manier onderbouwd. Alleen al om die reden is er geen reden om geloof te hechten aan het scenario dat de verdachte heeft geschetst. De rechtbank laat dan nog daar dat de verdachte ter zitting tegenstrijdig heeft verklaard over de positie waar hij ten opzichte van de aangeefster zou hebben gestaan in de keuken toen het incident plaatsvond. Het letsel op zijn hand en onderarm waarnaar de verdachte verwijst, kan goed worden verklaard door de handelingen die hij zelf richting de aangeefster heeft verricht en levert dus ook geen onderbouwing op voor zijn versie van wat er gebeurd zou zijn. De rechtbank gelooft de verdachte dan ook niet. Onderzoek naar het letsel van de aangeefster heeft uitgewezen dat zij tweedegraads brandwonden heeft opgelopen aan haar hoofd, nek en hals, aan de voorzijde van haar bovenlichaam en aan haar linker bovenarm. In totaal betrof dit 3,5% van haar lichaamsoppervlak. De forensisch arts heeft geconcludeerd dat het brandwondenbeeld goed past bij de door de aangeefster geschetste toedracht van een vloeistofverbranding door contact met kokend water. Over het herstel van de brandwonden is door de brandwondenarts van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk verklaard dat deze bij de aangeefster na acht dagen volledig waren genezen en dat brandwonden die binnen twee weken spontaan genezen, geen littekens of ander blijvend letsel geven. Uit de verklaringen van beide specialisten blijkt dat het overgieten van een persoon met kokend water in zijn algemeenheid tweedegraads (dermale) maar ook derdegraads (subdermale) brandwonden kan veroorzaken en dat in beide gevallen de mogelijkheid bestaat dat operatief ingrijpen (bijvoorbeeld in de vorm van een huidtransplantatie) noodzakelijk is en littekens achterblijven. De rechtbank leidt uit deze verklaringen, het feit dat de verdachte wilde dat er kokend water in de waterkoker zat en hij op de thuiskomst van de aangeefster heeft gewacht terwijl hij zich in strijd met een huisverbod in de woning ophield, af dat de verdachte willens en wetens kokend water over het slachtoffer heeft gegoten en dat zijn handelen erop gericht was om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voorbedachte raad Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had om de aangeefster met kokend water te overgieten. De verdachte wist dat hij niet in de woning mocht komen, heeft lange tijd in de woning gewacht tot het moment dat de aangeefster thuis kwam en heeft de met water gevulde waterkoker tot vier keer toe aangezet. Hieruit volgt dat hij voorafgaand aan het toebrengen van het letsel voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Er is geen sprake van enige contra-indicatie dat de verdachte ondanks het geschetste tijdsverloop niettemin geen gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. In het bijzonder is niet gebleken dat het toebrengen van het letsel het gevolg zou zijn geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank hecht in dit verband mede betekenis aan de omstandigheid dat sprake was van een reeds langer bestaand conflict tussen de verdachte en de aangeefster over de door de aangeefster in gang gezette echtscheidingsprocedure waarmee de verdachte grote bezwaren had. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel aan de aangeefster toe te brengen door haar met kokend water te overgieten en haar met een glazen waterkoker tegen het hoofd te slaan. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 13 augustus 2023 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, - water dat zojuist door hem, verdachte, in een elektrische waterkoker aan de kook was gebracht over/tegen de linkerzijde van het hoofd en de hals en het (boven)lichaam van [slachtoffer] heeft gegooid dan wel heeft gegoten, en met een waterkoker [slachtoffer] hard op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Nu de rechtbank het door de verdachte geschetste scenario niet gelooft, kan ook het op die lezing gebaseerde en (subsidiair) als noodweer(exces) gepresenteerde verweer onbesproken blijven. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het bewezenverklaarde levert op: poging zware mishandeling gepleegd met voorbedachte rade, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en heeft de oplegging gevorderd van de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contactverbod voor de duur van 5 jaren met de aangeefster [slachtoffer] , met de kinderen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , met de zus van de aangeefster, [naam 5] , met de zwager van de aangeefster, [naam 6] , en met de ouders van de aangeefster. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard, waarbij indien gewenst contact met de kinderen kan plaatsvinden met toestemming van en onder begeleiding door een betrokken jeugdzorginstantie. De officier van justitie heeft ten slotte ook de oplegging gevorderd van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht ermee rekening te houden dat de verdachte kampt met gezondheidsklachten zoals rugpijn en astma en dat onvoorwaardelijke gevangenisstraf nadelige gevolgen zal hebben voor deze klachten. Ook zal de verdachte zijn huurwoning niet kunnen behouden als hij langer gedetineerd raakt en kan hij geen goede start maken met zijn inburgering in Nederland. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om geen contactverbod op te leggen met de kinderen omdat de verdachte zijn kinderen enorm mist. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit De verdachte heeft willens en wetens geprobeerd zijn echtgenote zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar met kokend water uit een waterkoker te overgieten en haar met de waterkoker tegen het hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft daardoor op verschillende plaatsen op haar lichaam tweedegraads brandwonden opgelopen. Bovendien heeft de aangeefster ondanks het voortvarende herstel van de brandwonden acht dagen in het ziekenhuis gelegen en zal zij nog geestelijke hulpverlening nodig hebben om de gebeurtenis te kunnen verwerken. Dat geen sprake is van blijvend lichamelijk letsel bij het slachtoffer is bepaald niet te danken aan het handelen van de verdachte. De verdachte heeft het feit gepleegd in de woning van de aangeefster en zijn kinderen en bovendien in de nabijheid van deze kinderen en overige familieleden, terwijl hij een verbod van de rechter had om in de woning te zijn. Hij heeft voor lief genomen dat zijn kinderen getuige waren van het feit dat hun vader hun moeder overgoot met kokend water, en heeft hen geconfronteerd met de directe gevolgen van deze daad. Dit is een gebeurtenis die grote gevolgen kan hebben voor de verdere ontwikkeling van deze kinderen. De daad van de verdachte heeft al grote ontwrichtende gevolgen gehad voor het gezinsleven. De aangeefster en de kinderen wonen niet meer in hun vertrouwde woning, waarin zij na de scheiding hoopten te kunnen blijven, omdat zij zich daar niet meer veilig voelen, maar verblijven op een voor de verdachte onbekend adres op een locatie van de Blijfgroep. Op termijn zullen zij opnieuw moeten verhuizen naar een voor de verdachte onbekend adres. Eventueel contact tussen de kinderen en de verdachte zal onder toezicht van instanties moeten plaatsvinden. Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat – uit een oogpunt van normhandhaving en preventie – alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 18 januari 2024 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het door Reclassering Nederland over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 17 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.