← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:2852

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 10757718 CV EXPL 23-6809 Uitspraakdatum: 31 januari 2024 Verstekvonnis in de zaak van: de stichting Stichting Ymere te Amsterdam de eisende partij gemachtigde: Geerlings & Hofstede tegen [gedaagde] te [plaats] de gedaagde partij niet verschenen 1De verdere procedure 1.

  1. Bij tussenvonnis van 6 december 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van bepaalde bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. 1.
  2. Bij akte van 3 januari 2024 heeft de eisende partij zich geconformeerd aan de ambtshalve toetsing door de kantonrechter van de algemene voorwaarden en de eventuele gevolgen daarvan. 2De vordering 2.
  3. De eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en de proceskosten. 2.
  4. De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekort is geschoten in de nakoming van de (per 1 mei 2019 beëindigde) huurovereenkomst. 3De verdere beoordeling 3.
  5. De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen. 3.
  6. Gelet op het voorgaande vernietigt de kantonrechter de artikelen 11.1 en 11.3 van de algemene voorwaarden voor zover deze betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten. Als gevolg daarvan worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. 3.
  7. De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 1.255,52 aan achterstallige huurpenningen (€ 1.418,13 huurachterstand + € 257,39 incassokosten - € 420,00 deelbetaling). Deze deelbetaling strekt echter, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW en wat hiervoor is overwogen, in mindering op de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 998,13 aan achterstallige huurpenningen zal worden toegewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd. Conclusie 3.
  8. De vordering van de eisende partij wordt grotendeels toegewezen. 3.
  9. De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. 4De beslissing De kantonrechter: 4.
  10. veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 998,13 aan achterstallige huurpenningen (tot en met april 2019), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling; 4.
  11. veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op: € 129,85 wegens dagvaardingskosten, € 322,00 wegens griffierecht en € 132,00 wegens salaris gemachtigde; 4.
  12. bepaalt dat wat de gedaagde partij na het uitbrengen van de dagvaarding aan de eisende partij heeft voldaan op de hiervoor genoemde bedragen in mindering strekt; 4.
  13. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 4.
  14. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.