ECLI:NL:RBNHO:2024:3170
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 21/3205 tot en met HAA 21/3207 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 april 2024 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering), en de inspecteur van Douane, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop HAA 21/3205 Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 8 juli 2020 over het tijdvak 1 februari 2019 tot en met 31 maart 2019 een naheffingsaanslag accijns met aanslagnummer [naheffingsaanslag 1] (hierna: naheffingsaanslag 1) opgelegd ten bedrage van € 28.692 aan tabaksaccijns. Tevens is bij beschikking € 262 (hierna: beschikking 1) belastingrente vastgesteld.
HAA 21/3206 Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 8 juli 2020 over het tijdvak 1 februari 2019 tot en met 31 maart 2019 een naheffingsaanslag accijns met aanslagnummer [naheffingsaanslag 2] (hierna: naheffingsaanslag 2) opgelegd ten bedrage van € 43.038 aan tabaksaccijns. Tevens is bij beschikking € 393 (hierna: beschikking 2) belastingrente vastgesteld.
HAA 21/3207 Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 8 juli 2020 over het tijdvak 1 februari 2019 tot en met 31 maart 2019 een naheffingsaanslag accijns met aanslagnummer [naheffingsaanslag 3] (hierna: naheffingsaanslag 3) opgelegd ten bedrage van € 38.256 aan tabaksaccijns. Tevens is bij beschikking € 349 (hierna: beschikking 3) belastingrente vastgesteld.
Alle zaken Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 mei 2021 het bezwaar van eiser tegen deze drie naheffingsaanslagen gedeeltelijk gegrond verklaard, naheffingsaanslag 3 verminderd tot nihil, naheffingsaanslag 2 verminderd tot een bedrag van € 38.647,40 aan tabaksaccijns en beschikking 2 verminderd tot een bedrag van € 356 aan belastingrente.
Het exemplaar van deze uitspraak op bezwaar waarin een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar tot een bedrag van € 530 is opgenomen dient te worden beschouwd als het definitieve exemplaar.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2023 te Haarlem.
De rechtbank heeft de onderhavige zaken gevoegd behandeld.
Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde voornoemd tot bijstand vergezeld van [Naam 1] (stagiair). Namens verweerder is verschenen [Naam 2] .
Voor sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst.
In de zaken wordt één uitspraak gedaan.
Overwegingen Feiten 1. De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) heeft in de periode februari/maart 2019 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar het vermoedelijk in- en verkopen van merk vervalste en onveraccijnsde sigaretten. Tot de stukken van het geding behoort een stuk genaamd ‘Overzichtsproces-verbaal’, documentcode [#1] , opgemaakt op 26 augustus 2019. Hierin is - onder meer - het volgende opgenomen: “(…) 1. VERDACHTEN Voornamen : [voornamen eiser] Achternaam : [achternaam eiser] (…) 2.1 Verdachte [eiser] (Accijnsfraude) -het is niet toegestaan opzettelijk een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.
Strafbaar gesteld in artikel 5 lid 1 en artikel 97 van de Wet op de accijns. Gepleegd te [Plaats] , althans in Nederland, in de periode vanaf 11 februari 2018 tot en met heden.
2AANLEIDING ONDERZOEK Voor een beschrijving van de aanleiding tot dit strafrechtelijk onderzoek en het vermoeden van de gepleegde strafbare feiten verwijzen wij naar hetgeen hierover is geverbaliseerd in het procesverbaal [##1] .
Kort gezegd en in woorden van gelijke strekking komt naar voren dat er een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld naar (iemand anders) voor het in en verkopen van merk vervalste en onveraccijnsde sigaretten. Tijdens dit onderzoek is naar voren gekomen dat (iemand anders) de merk vervalste, onveraccijnsde sigaretten kreeg geleverd vanuit een opslagunit in [plaats] .
Volgens het huurcontract staat deze opslagunit op naam Verdachte [#..] . Daarnaast is naar voren gekomen dat deze sigaretten door onder meer [eiser] en Verdachte [#2] naar [Plaats] werden gebracht en vervolgens werden geleverd aan 2 anderen.
3PERSONEN VAN DE VERDACHTEN 4.1.1 Verdachte [eiser] (…) 4. FISCAALTECHNISCHE ACHTERGROND Voor een beschrijving van de fiscaaltechnische achtergrond en de daarbij behorende artikelen verwijzen wij naar hetgeen hierover is geverbaliseerd in het proces-verbaal [##1] . (…) 7. MATERIEEL ONDERZOEK 8.1 ACCIJNSFRAUDE (…) 8.1.3 Observatie op 11 februari 2019 Uit het sms-verkeer tussen [#3] ??? (iemand anders) en [#3] ??? over de periode 4 februari 2019 tot en met 11 februari 2019 is het vermoeden ontstaan dat iemand anders 20 dozen inhoudende onveraccijnsde sigaretten zou ontvangen op 11 februari 2019.
Door het observatieteam van de FIOD is gezien dat iemand anders een ontmoeting heeft met een NN persoon aan de achterzijde van een flatgebouw, gelegen aan het [Locatie] . Iemand anders arriveerde als bestuurder van een [auto 1] voorzien van het Nederlandse kenteken ??-???-? en de NN persoon als bestuurder van een [auto 2] voorzien van het kenteken ??-??-??. Door het observatieteam is waargenomen dat de NN persoon vanuit de [auto 2] witte dozen heeft afgeleverd aan iemand anders, die deze dozen in zijn [auto 1] plaatste.
Bij de hierop opvolgende observaties is vast gesteld dat de bestuurder van de [auto 2] ook aanwezig is bij soort gelijke ontmoetingen in de buurt van [Locatie] , zoals hierboven beschreven, die plaats vinden na SMS contact tussen [#3] ??? (iemand anders) en [#3] ???. Uit getuigen verhoren komt naar voren dat [eiser] de bestuurder is van de [auto 2] bij ontmoetingen in de buurt van [Locatie] . Vermoedelijk is de NN persoon die de 4 witte dozen levert [eiser] Wij merken op dat op 12 maart 2019 na een soortgelijke ontmoeting ( [#4] ) is aangehouden in een [auto 3] , met kenteken ?-???-?. In deze [auto 3] zijn onder meer 30 witte dozen aangetroffen, elke doos inhoudende merk vervalste, onveraccijnsde witte pakjes sigaretten, van het merk [merk] , zijnde 25 sloffen met 200 sigaretten, voor een totaal van 5.000 stuks sigaretten per doos. Deze dozen werden op het [Locatie] overgeladen van een [auto 4] met kenteken ??-??-?? en als bestuurder verdachte [#2] en een [auto 2] met kenteken ??-??-?? en bestuurder [eiser] . [eiser] hielp met het overladen van de dozen.
Mede gelet op de inhoud van de witte dozen die op 12 maart 2019 zijn aangetroffen in de [auto 3] , vermoeden wij dat de inhoud van elke waargenomen witte doos bestond uit 25 sloffen met 200 sigaretten, zijnde 5.000 stuks sigaretten per doos, voor een totaal van 20.000 onveraccijnsde sigaretten (4 witte dozen).
8.1.4 Observatie op 18 februari 2019 Uit onderzoek van het sms verkeer tussen iemand anders ( [#5] ???) en een telefoonnummer [#3] ???, in de periode van 11 februari 2019 tot en met 18 februari 2019 is het vermoeden ontstaan dat iemand anders 30 dozen inhoudende onveraccijnsde sigaretten zou ontvangen op 18 februari 2019.
Door het observatieteam van de FIOD is gezien dat iemand anders, [eiser] en [#4] op 18 februari 2019 een ontmoeting hebben in de buurt van [locatie 1] aan het [Locatie] . Verdachte [#2] arriveert daar als bestuurder van de [auto 4] met kenteken ??-??-??, [eiser] arriveert daar als bestuurder van de [auto 2] met kenteken ??-??-?? en [#4] arriveert daar als bestuurder van een [auto 5] met kenteken ??-??-??.
Aldaar worden er door iemand anders, [#4] en [eiser] 8 witte dozen overgeladen van de kofferbak van de [auto 4] , naar de kofferbak van de [auto 5] . Vervolgens laadt iemand anders 3 witte dozen over van de kofferbak van de [auto 4] , naar de kofferbak van een [auto 6] . Aansluitend worden er 7 witte dozen van de kofferbak van een [auto 2] , naar de kofferbak van de [auto 6] overgeladen door [eiser] . (…) Mede gelet op de inhoud van de witte dozen die op 12 maart 2019 zijn aangetroffen in de [auto 3] , vermoeden wij dat de inhoud van elke waargenomen witte doos bestond uit 25 sloffen met 200 sigaretten, zijnde 5.000 stuks sigaretten per doos, voor een totaal van 90.000 onveraccijnsde sigaretten ( 18 witte dozen).
8.1.5 Observatie op 21 februari 2019 (…) Op 21 februari 2019 is door een medewerker van de FIOD gezien dat drie NN mannen een ontmoeting hebben in de buurt van [Locatie] , waar witte dozen werden overgeladen vanuit een [auto 2] met kenteken ??-??-?? in een [auto 5] met kenteken ??-??-??. (…) Op de foto met documentcode [#6] is te zien hoe er witte dozen, vermoedelijk inhoudende merk vervalste, onveraccijnsde witte pakjes sigaretten, van het merk [merk] , worden overgeladen van de [auto 4] met kenteken ??-??-??, naar de kofferbak van de [auto 5] , door onder meer ( [#4] ). (…) Mede gelet op de inhoud van de witte dozen die op 12 maart 2019 zijn aangetroffen in de [auto 3] , vermoeden wij dat de inhoud van elke waargenomen witte doos bestond uit 25 sloffen met 200 sigaretten, zijnde 5000 stuks sigaretten per doos. Het is onduidelijk hoeveel dozen het betreft. Volgens het SMS verkeer zou het gaan om 20 dozen. (…) 8.1.6 Observatie op 23 februari 2019 Uit onderzoek van het sms verkeer tussen iemand anders ( [#3] ???) en een telefoonnummer [#3] ???, op 22 februari 2019 tot en 23 februari 2019 is het vermoeden ontstaan dat iemand anders 25 dozen inhoudende onveraccijnsde sigaretten zou ontvangen op 23 februari 2019.
Op 23 februari 2019 is door een medewerker van de FIOD gezien dat de [auto 4] met kenteken ??-??-?? en de [auto 2] met kenteken ??-??-?? arriveren in de buurt van [Locatie] . Aldaar worden er uit de kofferbak van de [auto 2] , witte dozen overgeladen naar de laadruimte van een lichtkleurig [auto 7] . Waar de [auto 4] zich op dat moment bevond is niet gezien. Vervolgens is gezien dat het lichtkleurige [auto 7] weg reed. Daarna is het lichtkleurig [auto 7] gezien bij de [locatie 2] en stond het geparkeerd naast een ander [auto 7] . De medewerker heeft gezien hoe er 15 witte dozen van de laadruimte van het lichtkleurige [auto 7] werden overgeladen naar de laadruimte van het andere [auto 3] .
Gelet op de aanwezigheid van de [auto 4] en de [auto 2] , dat de levering plaats vond na SMS verkeer tussen telefoonnummer [#3] ??? en [#3] ??? en de waargenomen 15 witte dozen, zijn deze dozen vermoedelijk geleverd door verdachte [#2] en [eiser] .
Mede gelet op de inhoud van de witte dozen die op 12 maart 2019 zijn aangetroffen in de [auto 3] , vermoeden wij dat de inhoud van elke waargenomen witte doos bestond uit 25 sloffen met 200 sigaretten, zijnde 5.000 stuks sigaretten per doos, voor een totaal van 75.000 onveraccijnsde sigaretten (15 witte dozen).
8.1.7 Observatie op 12 maart 2019 (…) Zoals reeds opgemerkt is verdachte [#4] op 12 maart 2019 aangehouden in een [auto 3] , met kenteken ?-???-??. In deze [auto 3] zijn onder meer 30 witte dozen aangetroffen, inhoudende merk vervalste, onveraccijnsde witte pakjes sigaretten, van het merk [merk] .
Op 12 maart 2019 heeft het observatieteam van de FIOD, de [auto 4] met kenteken ??-??-?? en de [auto 2] met kenteken ??-??-?? gevolgd vanaf [woonplaats] . Tijdens deze observatie zagen zij dat deze twee auto’s een loods aan de ???, te [plaats] binnen reden en enige tijd later weer uit kwamen. Vervolgens reden de auto’s verder om uiteindelijk in de omgeving van het [Locatie] te eindigen. Zij zagen verachte [#2] uitstappen als bestuurder van de [auto 4] en [eiser] uitstappen als bestuurder van de [auto 2] . Eenmaal daar aangekomen zagen zij de [auto 3] met kenteken ?-??-?? arriveren, met als bestuurder iemand anders. Vervolgens zagen zij dat door [eiser] en [#4] uit beide auto’s witte dozen werden uitgeladen en overgebracht naar een [auto 3] , met kenteken ?-???-??. Nadat het overladen klaar was vertrokken de [auto 2] en de [auto 4] weer in de richting van vermoedelijk [plaats] . (…) Tijdens deze observaties zijn foto’s gemaakt en deze foto’s zijn gevoegd bij het proces-verbaal. Op de foto met documentcode [#7] is te zien hoe de [auto 4] met kenteken ??-??-?? arriveert in de buurt van het [Locatie] . Op de foto met documentcode [#8] is te zien hoe verdachte [#2] uit de auto stapt.
Op de foto’s met documentcodes [#9] tot en met [#10] is te zien hoe [eiser] samen met [#4] witte dozen inhoudende merk vervalste, onveraccijnsde witte pakjes sigaretten van de [auto 4] overlaadt naar de [auto 3] . En vervolgens witte dozen inhoudende merk vervalste, onveraccijnsde witte pakjes sigaretten van de [auto 2] met kenteken ??-??-?? over laad naar de [auto 3] . (…) 8.1.11 Overzicht onveracciinsde sigaretten (…) Indien het aantal dozen dat besteld is middels het sms verkeer tussen iemand anders ( [#3] ???) en telefoonnummer [#3] ???, ook geleverd zijn, dan zou dit beteken dat in de periode van 4 februari 2019 tot en met 12 maart 2019 het volgende aantal dozen is geleverd:
Tapnummer Aantal besteld Prijs Prijs per doos Datum levering Geleverd door Aantal waargenomen (…) 20 dozen (…) (…) 11-02-2019 [eiser] 4 dozen (…) 30 dozen (…) (…) 18-02-2019 [eiser] en (…) 18 dozen (…) 20 dozen (…) (…) 21-02-2019 [eiser] Niet waargenomen (… ) 25 dozen (…) (…) 23-02-2019 [eiser] en (…) 15 dozen (…) 30 dozen (…) (…) 12-03-2019 [eiser] en (…) 30 dozen Totaal 125 dozen 37 dozen (…) 8.1.14 Verklaring [#..] Dit verhoor is in het geheel door mij [naam] , verwijderd omdat er geen enkele link in staat richting [eiser] . (…)”
11 februari 2019, 100.000 stuks sigaretten, omgeving [Locatie] ;
18 februari 2019, 150.000 stuks sigaretten, omgeving [Locatie] ;
21 februari 2019, 100.000 stuks sigaretten, omgeving [Locatie] ;
23 februari 2019, 75.000 stuks sigaretten, omgeving [Locatie] ;
12 maart 2019, 150.000 stuks sigaretten, omgeving [Locatie] .
Totaal, 575.000 stuks sigaretten.
Derhalve houd ik u verantwoordelijk voor het voorhanden hebben van sigaretten welke niet in de Nederlandse accijnsheffing zijn betrokken, omdat er geen Nederlandse accijnszegels op zaten waaruit blijkt dat deze wel in de heffing waren betrokken.
Op grond van artikel 2 lid 1 letter b Wet op de Accijns wordt dit als uitslag aangemerkt. Hierdoor bent u accijns verschuldigd op grond van artikel 51 lid 1 letter b Wet op de accijns. (…)”
Voor een berekening van dit bedrag verwijs ik naar de vooraankondiging naheffing d.d. 11 mei 2020 met kenmerk [#13] [eiser] (…) In voornoemde vooraankondiging naheffing gaat het om een totaal van 575.000 stuks sigaretten. Voor de naheffing worden deze 575.000 stuks sigaretten verdeeld in drie splitsingen;
1e - 100.000 van 11 februari 2019 en 100.000 van 21 februari 2019;
2 - 150.000 van 18 februari 2019 en 75.000 van 23 februari 2019;
3 - 150.000 stuks van 12 maart 2019.
Deze mededeling naheffing is de le splitsing voor 200.000/575.000 deel van 11 en 21 februari 2019. (…)”
Als u wilt dat op bepaalde stukken geheimhouding wordt toegepast, dan moet u de betreffende stukken in een afzonderlijke gesloten envelop doen, met daarop de vermelding “geheimhouding art. 8.29 Awb”. (…)”
Als u wilt dat op bepaalde stukken geheimhouding wordt toegepast, dan moet u de betreffende stukken in een afzonderlijke gesloten envelop doen, met daarop de vermelding “geheimhouding art. 8.29 Awb”. (…)”
Geschil en standpunten van partijen 8. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
Eiser stelt zich op het standpunt dat als er al sprake is van accijnsgoederen die niet in de heffing zijn betrokken en andere verdachten ook naheffingslagen hebben ontvangen en die hebben betaald, de naheffingsaanslagen van eiser met die bedragen moeten worden verminderd. In dat kader stelt eiser dat verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken moet overleggen, met name de andere naheffingsaanslagen en de volledige processen-verbaal.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslagen en veroordeling van verweerder in de proceskosten. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.
Verweerder voert voorts aan dat het niet geloofwaardig is dat, zoals eiser stelt, hij slechts ‘een personenauto heeft getransporteerd’ en hij er geen weet van had van ‘wat vervoerd werd’. Op de foto’s die de FIOD heeft gemaakt, is te zien dat eiser de dozen vanuit de auto’s overgeeft aan de bestuurder van een andere auto. Eiser heeft geen overeenkomst in de zin van artikel 8:1090 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gesloten en aanvaardt daarmee de risicoaansprakelijkheid voor de betaling van de verschuldigde accijns wegens het voorhanden hebben van de onveraccijnsde goederen.
Verweerder voert tevens aan dat op grond van artikel 51 van de WA de accijns wordt geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en elk van hen schuldenaar en hoofdelijk aansprakelijk is ex artikel 6:7, eerste lid, van het BW. De schuld wordt niet verminderd doordat er andere schuldenaren zijn. In de uitspraken op bezwaar is al tegemoetgekomen aan de klacht van eiser over de wisselende hoeveelheden sigaretten die in het overzichtsproces-verbaal worden genoemd. De aan andere schuldenaren opgelegde naheffingsaanslagen zijn geen op de zaken betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aldus verweerder.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil HAA 21/3207 Ontvankelijkheid van het beroep 12. Uit de onder 3 opgenomen mededeling naheffingsaanslag volgt dat de 1e splitsing betrekking heeft op 100.000 stuks sigaretten van 11 februari 2019 en 100.000 stuks sigaretten van 21 februari 2019 en eiser een bedrag verschuldigd is van € 38.256. Verweerder heeft dit bedrag nageheven middels naheffingsaanslag 3. Aan eiser is met dagtekening 8 juli 2020 naheffingsaanslag 3 opgelegd en is beschikking 3 belastingrente vastgesteld. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder naheffingsaanslag 3 verminderd tot nihil en de beschikking belastingrente vernietigd. Verweerder heeft daarbij ook een proceskostenvergoeding toegekend.
HAA 21/3205 en HAA 21/3206 Op de zaken betrekking hebbende stukken 15. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter. De rechtbank heeft verweerder bij brieven van 30 augustus 2021 en 2 oktober 2023 verzocht alle stukken in te dienen die betrekking hebben op deze zaken. In beide brieven is vermeld dat bij het uitblijven van een reactie de rechtbank de gevolgtrekkingen zal maken die haar geraden voorkomen.
16 . Bij de beantwoording van de vraag of verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, heeft de rechtbank betrokken hetgeen de Hoge Raad in dit verband en voor zover van belang heeft geoordeeld op 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672 en 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:995.
8:29 van de Awb 20. De rechtbank stelt vast dat het door verweerder als overzichtsproces-verbaal gepresenteerde stuk inhoudelijk incompleet en inconsistent is (de onderwerpnummering springt van 1. naar 2.1. naar 2. naar 3., zonder enige vermelding naar 4.1.1 en verderop verspringt de nummering van 7.3 naar 7, zonder enige vermelding naar 8.1) en onderdeel 9, “ondertekening” bevindt zich op pagina 22. Dit stuk is evenwel niet ondertekend. Op een later tijdstip heeft verweerder een pagina met de handtekeningen van de twee verbalisanten overgelegd eveneens een onderdeel 9, “ondertekening”, maar dan opgenomen op een pagina 26.
Ter zitting is hierover met partijen gesproken. Verweerder heeft niet alsnog een verzoek om beperkte kennisneming gedaan. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij ook beschikt over een onbewerkt [#1] en dat hij dat exemplaar bij nader inzien had moeten inbrengen, maar heeft niet aangeboden het onbewerkte [#1] alsnog te overleggen (al dan niet ter beperkte kennisneming) en heeft daartoe ook geen aanstalten gemaakt. Omdat uit deze stellingname blijkt dat verweerder geen aanleiding ziet tot beperkte kennisneming van [#1] , ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit punt alsnog de geheimhoudingsprocedure te starten.
Deze omstandigheden geven de rechtbank aanleiding om voor de beoordeling van het geschil het door verweerder als [#1] overgelegde stuk buiten beschouwing te laten. De rechtbank weegt daarbij mee dat verweerder het overzichtsproces-verbaal zodanig elektronisch heeft bewerkt dat zelfs niet reeds op het eerste gezicht duidelijk is dat daarin gegevens onleesbaar zijn gemaakt (door middel van verwijdering ervan).
Slotsom 28. Gelet op vorenstaande dient het beroep in de zaak HAA 21/3207 niet-ontvankelijk te worden verklaard en dienen de beroepen in de zaken HAA 21/3205 en 21/3206 gegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade 29. Eiser heeft gevraagd om een vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak moet worden behandeld (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De rechtbank zal de drie beroepen aanmerken als samenhangend nu de geschillen voortkomen uit eenzelfde feitencomplex en de zaken ook door eiser en verweerder gezamenlijk zijn behandeld. In het onderhavige geval is de redelijke termijn aangevangen op 27 juli 2020 en eindigt met de datum van de uitspraak van de rechtbank op 2 april 2024. Er is een tijdsverloop van afgerond 44 maanden. De redelijke termijn is derhalve in beginsel met (44 minus 24 ) 20 maanden overschreden, waarmee een vergoeding van immateriële schade van € 2.000 correspondeert. Omdat verweerder op 26 mei 2021 heeft beslist op het door eiser ingediende bezwaar, heeft de behandeling van het bezwaar 10 maanden in beslag genomen, zodat van de overschrijding van de redelijke termijn 4 maanden zijn toe te rekenen aan verweerder, leidende tot een door verweerder te betalen vergoeding van immateriële schade van (4/20 x € 2.000 =) € 400, waartoe verweerder zal worden veroordeeld. Het restant van 16 maanden wordt toegerekend aan de beroepsfase. De Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) dient derhalve ( 16 /20 x € 2.000 =) € 1.600 te vergoeden.
Vergoeding proceskosten en griffierecht 30. Omdat de beroepen HAA 21/3205 en 21/3206 gegrond worden verklaard, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep in de zaak HAA 21/3207 niet-ontvankelijk; verklaart de beroepen in de zaken HAA 21/3205 en 21/3206 gegrond; vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar van 26 mei 2021, uitgezonderd de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar; vernietigt de naheffingsaanslagen 1 en 2 in de zaken HAA 21/3205 en 21/3206;
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, en mr. S. Kleij en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: