RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9458413 \ CV EXPL 21-6472 (NK) Uitspraakdatum: 20 maart 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de besloten vennootschap Machinefabriek Venus & De Waard B.V. gevestigd te IJmuiden eiseres verder te noemen: Machinefabriek gemachtigde: mr. A.J.A. Jansen tegen 1 [gedaagde 1] wonende te [plaats 1] verder te noemen: [gedaagde 1] 2 [gedaagde 2] wonende te [plaats 2] verder te noemen: [gedaagde 2] 3de besloten vennootschapH&S Services B.V.gevestigd te Beverwijk verder te noemen: H&S gedaagden verder gezamenlijk te noemen: Gedaagden gemachtigde: mr. B.J.H. Kesnich De zaak in het kort Eindvonnis. Ex-werknemers hebben boetes verbeurd wegens overtreding van post-contractuele bedingen (geheimhoudings-, nevenwerkzaamheden- en/of concurrentiebeding). De verbeurde boetes worden, na matiging, vastgesteld op € 195.000,- en € 1.000,-. Het concurrerende bedrijf dat de ex-werknemers hebben opgericht wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen, bestaande uit het profiteren van de wanprestaties van de ex-werknemers. De schade (winstderving) wordt geschat op € 65.000,-. 1Het verdere procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 28 juni 2023 en de daaraan ten grondslag liggende stukken en verder uit de volgende processtukken: de akte overlegging producties d.d. 16 augustus 2023 van Machinefabriek; de antwoordakte, tevens verzoek tot heroverweging eindbeslissing en akte vermeerdering van eis in reconventie d.d. 20 september 2023 van Gedaagden; correspondentie van partijen naar aanleiding van de antwoordakte van Gedaagden; de brief van de kantonrechter waarin een mondelinge behandeling is gelast op 22 december 2023; akte overlegging producties d.d. 13 december 2023 van Gedaagden; 1.2. Op 22 december 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar beide partijen aan de hand van pleitnota’s hun standpunt hebben toegelicht en vragen van de kantonrechter hebben beantwoord. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.3. Ten slotte is vonnis (nader) bepaald. 2De beoordeling Samenvatting geschil 2.1. Het gaat in deze procedure samengevat over het volgende. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn tot 1 april 2021 respectievelijk 1 maart 2021 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest bij Machinefabriek. Per 1 februari 2021 hebben zij samen het bedrijf H&S opgericht. H&S verricht met Machinefabriek concurrerende activiteiten. Bij H&S werken meerdere ex-werknemers van Machinefabriek. Uit doorzoeking van gegevensdragers van [gedaagde 1] en H&S is onder meer gebleken dat (
(3)jaren is gekozen. Uitgespaarde vennootschapsbelasting 2.24. Gedaagden hebben aangevoerd dat in de berekening ten onrechte geen besparing van de vennootschapsbelasting is meegenomen. De kantonrechter stelt vast dat Gedaagden terecht opmerken dat bespaarde vennootschapsbelasting in mindering komt op de gederfde winst. Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt niet dat daarmee rekening is gehouden in de berekening. Machinefabriek heeft hier ter zitting tegenin gebracht dat een besparing niet aan de orde is, omdat er geen winst is gemaakt maar juist verlies is geleden (van ongeveer € 65.000,- en € 60.000,- in 2021 en 2022), maar die verklaring is zonder nadere toelichting, niet afdoende. Het had op de weg van [betrokkene 1] gelegen om toe te lichten en te onderbouwen waarom in dit geval geen sprake is van bespaarde vennootschapsbelasting. Omdat ook Gedaagden hun verweer ter zake niet concreet hebben gemaakt (en dat, bij gebrek aan informatie van Machinefabriek niet hebben kunnen doen), zal dit aspect bij het schatten van de schade worden meegewogen in die zin dat een korting van 10% wordt toegepast. 2.25. Op basis van het voorgaande wordt de totale schade geschat op € 131.770,-. Hierbij is op basis van de berekening van [betrokkene 1] uitgegaan van een schadeomvang van € 164.713 (winstderving over de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2022), waarop 20% in mindering is gebracht wegens de mogelijkheid dat er vervangende omzet is geweest en dat vennootschapsbelasting is uitgespaard (zie r.o 2.22 en 2.24). De helft van het totale schadebedrag, een bedrag van € 65.885,-, wordt aan H&S toegerekend (zie r.o 2.19). Verminderd met het bedrag van € 1.753,98 dat H&S al op 19 september 2023 aan Machinefabriek heeft betaald, komt het totaalbedrag dat H&S aan schadevergoeding moet vergoeden uit op (afgerond) € 65.000,-. Verbeurde boetes [gedaagde 1] Boetes op overtreding concurrentiebeding 2.26. Machinefabriek stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 1] wegens overtreding van het concurrentiebeding € 452.000 aan boetes heeft verbeurd, bestaande uit: 1 x € 5.000,- voor het vestigen van H&S; 1 x € 5.000,- voor het drijven van H&S; 442 dagen x € 1.000 voor iedere dag dat het beding is overtreden, van 14 januari 2021 – 1 april 2022. 2.27. De kantonrechter stelt het bedrag aan door [gedaagde 1] verbeurde boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding vast op € 429.000,-. Daarbij is in aanmerking genomen dat het concurrentiebeding zowel betrekking heeft op concurrerende activiteiten gedurende de arbeidsovereenkomst als daarna. Voor de oprichting van H&S, is een eenmalige boete verbeurd van € 5000,- . Voor de voortdurende overtreding van het concurrentiebeding zijn boetes verbeurd van € 1.000,- per dag over de periode van 1 februari 2021 tot 1 april 2022 (in totaal 424 dagen). De kantonrechter ziet geen aanleiding om daarnaast nog een afzonderlijke boete van € 5.000,- toe te wijzen wegens ‘het drijven van H&S’. Handelingen in de periode van 14 januari 2021 tot 1 februari 2021 zullen ook niet afzonderlijk worden beboet. In de periode vóór de oprichting van H&S per 1 februari 2021 zijn er alleen voorbereidende handelingen geweest (mailcontact met de notaris, volmachten, Wwft-verklaring), maar werd er feitelijk nog niet geconcurreerd. Boetes wegens overtreding nevenwerkzaamhedenbeding 2.28. Hiervoor is al vastgesteld dat het concurrentiebeding van [gedaagde 1] ook op concurrerende activiteiten tijdens dienstverband ziet. De nevenwerkzaamheden die door [gedaagde 1] zijn verricht zijn daardoor zowel op grond van het concurrentiebeding als het nevenwerkzaamhedenbeding verboden. Er bestaat geen aanleiding om diezelfde gedragingen dubbel te beboeten. Dat zou in strijd met het doel en de strekking van het beding zijn. Voor wat betreft de gedragingen in de periode tussen 14 januari en 1 februari 2021 geldt dat deze niet onder het verbod van het nevenwerkzaamhedenbeding vallen, nu in die periode nog geen sprake was van werkzaamheden voor derden of het doen van zaken voor eigen rekening. Boetes wegens overtreding geheimhoudingsbeding 2.29. Machinefabriek stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 1] wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding een bedrag van € 105.000,- aan boetes heeft verbeurd. Het verweer van Gedaagden is dat er meerdere boetes worden gevorderd voor dezelfde gebeurtenis; zo vordert Machinefabriek voor het sturen van één e-mail met acht lascertificaten acht boetes in plaats van één boete. De kantonrechter is van oordeel dat het niet zo kan zijn dat boetes op een geheimhoudingsbeding eenvoudig kunnen worden omzeild door de wijze waarop deze bestanden verzonden worden (bijvoorbeeld grote hoeveelheden bestanden in één zip-bestand). Het gaat erom dat een werknemer een (bewuste) keuze heeft gemaakt om door hem geselecteerde documenten van zijn werkgever, aan een derde (in dit geval het mailadres van zijn persoonlijke holding, tevens bestuurder en aandeelhouder van H&S) te sturen. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding het door Machinefabriek gestelde aantal overtredingen voor het doorsturen van de bedrijfsdocumenten naar beneden bij te stellen. Daarmee komt het aantal verbeurde boetes uit op € 90.000,- (18 bedrijfsdocumenten x € 5.000). 2.30. Voor wat betreft het aanvraagformulier verlof (1x boete gevorderd) en een e-mail aan [betrokkene 3] (1x boete gevorderd) geldt dat deze zijn gevonden op de gegevensdragers van [gedaagde 1]. Dit enkele feit levert echter geen overtreding van het geheimhoudingsbeding op, nu daarmee – anders dan het geval is bij de 18 doorgestuurde bedrijfsdocumenten – nog niet vaststaat dat [gedaagde 1] deze documenten ook met H&S heeft gedeeld. De voor deze twee documenten gevorderde boetes worden daarom afgewezen. Matiging verbeurde boetes [gedaagde 1] 2.31. Het totaal aantal door [gedaagde 1] verbeurde boetes komt gelet op het voorgaande neer op € 519.000,-. Gedaagden hebben een beroep gedaan op matiging, omdat toepassing van de boetebedingen in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. De kantonrechter zal de in totaal verbeurde boetes matigen tot een bedrag van € 195.000 (€ 120.000 wegens overtreding van het concurrentiebeding en € 75.000,- wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding). Daartoe wordt als volgt overwogen. 2.32. Op grond van artikel 6:94 lid 1 BW kan een boete wegens overtreding van een concurrentiebeding worden gematigd indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Aan deze voorwaarde kan voldaan zijn in het geval dat de bedongen boete in verhouding tot de schade als gevolg van de overtredingen buitensporig is. De maatstaf in art. 6:94 BW brengt mee dat de rechter pas van zijn matigingsbevoegdheid gebruik mag maken, als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter moeten letten op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding, de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen en de hoedanigheid van partijen. 2.33. Voor matiging van de boetes wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding geldt ook een matigingsbevoegdheid, die is vastgelegd in art 7:650 lid 6 BW, en waaruit volgt dat een boete kan worden gematigd als de opgelegde boete de kantonrechter bovenmatig voorkomt. 2.34. Voor wat betreft de matiging van de boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding zijn de volgende omstandigheden van belang: (
- i)het kortgeding vonnis, waarin is geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat tussen partijen is overeengekomen dat [gedaagde 1] zou worden ontheven van zijn concurrentiebeding. Hoewel dit slechts een voorlopig oordeel was en het voor rekening en risico van [gedaagde 1] komt dat hij op basis hiervan de keuze heeft gemaakt om door te gaan met H&S, kan de kantonrechter wel begrijpen dat [gedaagde 1] zich door dat oordeel gesterkt heeft gevoeld in zijn standpunt dat hij niet aan een concurrentiebeding gebonden was; (
- ii)de (wan-)verhouding tussen de gevorderde boetes en de werkelijke schade (vastgesteld onder r.o 2.25) en (iii) het feit dat H&S veroordeeld wordt tot vergoeding van die schade. Voor verdere matiging bestaat naar het oordeel van de kantonrechter echter geen aanleiding. [gedaagde 1] heeft weliswaar aangevoerd dat hij bij betaling van de boetes failliet zal gaan, maar hij heeft geen enkele inzage in zijn financiële positie gegeven, zodat dat verweer als niet onderbouwd wordt gepasseerd. Het argument van Gedaagden dat Machinefabriek voor dezelfde gedragingen separate boetes heeft gevorderd, treft geen doel. Uit hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen volgt dat voor dezelfde gedragingen niet meerdere boetes worden toegewezen. Het argument dat Machinefabriek in het verleden bij andere ex-werknemers nooit boetes heeft gevorderd terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had, wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Ook het verweer dat Gedaagden laaggeschoolde particulieren zijn die naïef waren, is geen reden tot verdere matiging. Zij hebben zich geprofileerd als ondernemers in spé, die tegen de achtergrond van een al lopend conflict met [gedaagde 2] sr (waarin sr zich door een advocaat liet bijstaan), willens en wetens bepaalde beslissingen hebben genomen die risico’s met zich meebrachten, waarover zij zich juridisch hadden kunnen laten adviseren of dat wellicht ook hebben gedaan. Tot slot geven ook de andere, door Gedaagden genoemde omstandigheden (dat er niet over de bedingen is onderhandeld, dat de boete geen mogelijkheid tot differentiatie biedt, dat Gedaagden na de sommatiebrief met hun concurrerende werkzaamheden zijn gestopt, dat de boetes niet in verhouding tot hun salarissen bij Machinefabriek staan, dat het causaal verband tussen schending van het beding en het weglopen van klanten ontbreekt, het consumentenrecht reflexwerking heeft en dat het grondrecht van vrije arbeidskeuze geldt) geen aanleiding tot verdere matiging. 2.35. De boetes wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding worden gematigd tot € 75.000,-. Van belang in dat verband is, zoals terecht is aangevoerd, dat het geheimhoudingsbeding heel ruim is geformuleerd. Verbeurde boete [gedaagde 2] 2.36. In r.o. 5.39 van het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde 2] het geheimhoudingsbeding heeft overtreden in verband met de salarisstrook van Van der Lugt. Het betreft hier een eenmalige overtreding, waardoor een boete van € 5.000,- is verbeurd. De kantonrechter zal deze boete matigen tot € 1.000,-, nu niet aannemelijk is geworden dat Machinefabriek als gevolg van de overtreding schade heeft geleden. Vorderingen Machinefabriek Verklaring voor recht met betrekking tot overtreding postcontractuele bedingen (I) 2.37. Gelet op hetgeen in het tussenvonnis is geoordeeld, zal de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] postcontractuele bedingen hebben geschonden, worden toegewezen. MF heeft ook gevorderd voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat niet is toegelicht welk afzonderlijk belang Gedaagden daarbij nog hebben naast de toegewezen verklaring voor recht dat postcontractuele bedingen zijn geschonden. Veroordeling [gedaagde 1] voor verbeurde boetes (II) 2.38. Gelet op wat onder r.o. 2.31 e.v. is overwogen, zal [gedaagde 1] worden veroordeeld tot betaling aan Machinefabriek van een bedrag van € 195.000,- aan verbeurde boetes, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd. Het beroep van [gedaagde 1] op het opschortingsrecht (wegens het niet betalen van de eindafrekening door Machinefabriek) slaagt niet, nu Machinefabriek terecht een beroep op verrekening heeft gedaan (zie ook r.o. 2.59 hierna). Veroordeling [gedaagde 2] voor verbeurde boetes (III) 2.39. Gelet op wat onder 2.36 is overwogen, zal [gedaagde 2] worden veroordeeld tot betaling aan Machinefabriek van een bedrag van € 1.000,- aan verbeurde boetes, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd. Verklaring voor recht dat H&S onrechtmatig heeft gehandeld (V) 2.40. Gelet op wat in het tussenvonnis is geoordeeld, zal de gevorderde verklaring voor recht dat H&S onrechtmatig jegens Machinefabriek heeft gehandeld, worden toegewezen. Veroordeling H&S terzake schadevergoeding (VI) 2.41. Gelet op wat onder 2.25 is overwogen, zal H&S worden veroordeeld tot betaling aan Machinefabriek van een bedrag van € 65.000,- aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd. Geen verbod op voeren subnaam ‘shiprepair and industrial services’ (VII) 2.42. Machinefabriek heeft een verbod voor H&S gevorderd om de subnaam ‘shiprepair and industrial services’ te voeren. Volgens Machinefabriek treedt onmiskenbaar verwarring op doordat H&S dezelfde handelsnaam (shiprepair and industrial services) als Machinefabriek gebruikt, terwijl deze woordcombinatie onlosmakelijk verbonden is met Machinefabriek en er geen andere bedrijven zijn met dezelfde subnaam. 2.43. Gedaagden betwisten de vordering. Zij voeren aan dat Machinefabriek haar handelsnaam niet in het handelsregister heeft geregistreerd en dat een subnaam geen juridisch begrip is dat bescherming verdient. Gedaagden betwisten ook dat er verwarringsgevaar is. Volgens Gedaagden zijn er 83 bedrijven die het woord ‘shiprepair’ gebruiken, is sprake van een uitsluitend beschrijvende naam en wordt de subtitel uitsluitend gebruik in combinatie met het hoofdbestanddeel van de handelsnaam, te weten H&S. 2.44. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 5 van de Handelsnaamwet (Hnw) is het verboden een handelsnaam te voeren die, voordat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig werd gevoerd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard van beide ondernemingen en de plaats waar zij zijn gevestigd, bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen is te duchten. 2.45. In het arrest Dairy Partners heeft de Hoge Raad geoordeeld dat woorden die beschrijvend zijn voor de activiteiten van een onderneming door iedereen gebruikt moeten kunnen worden (de zogenaamde vrijhoudingsbehoefte). De lat voor het aannemen van verwarringsgevaar ligt bij beschrijvende handelsnamen (betrekkelijk) hoog. Daarbij geldt dat er alleen verwarringsgevaar, zoals bedoeld in de Handelsnaamwet, kan zijn als het publiek de oudere handelsnaam kent en die koppelt aan de onderneming die die naam gebruikt. Een volledig beschrijvende handelsnaam heeft geen onderscheidend vermogen en zal dus niet aan de onderneming worden gekoppeld, zodat ook geen sprake kan zijn van verwarringsgevaar. Dit is anders als de volledig beschrijvende handelsnaam intensief is gebruikt en het publiek daardoor die naam tóch koppelt aan de onderneming die deze naam gebruikt (inburgering), er tegenwoordig vaker beschrijvende handelsnamen worden gebruikt, het publiek daaraan gewend is geraakt en daardoor minder snel in verwarring raakt bij een beschrijvende handelsnaam. En ook dat een kleine variatie in een beschrijvende handelsnaam het verwarringsgevaar kan wegnemen. 2.46. In het licht van het voorgaande, heeft Machinefabriek - tegenover de betwisting door Gedaagden - onvoldoende onderbouwd dat sprake is van verwarringsgevaar. Daarbij is relevant dat de door partijen gevoerde handelsnamen van elkaar afwijken doordat zij de beschrijvende ‘subnaam’ beide uitsluitend gebruiken in combinatie met hun ‘hoofd’ handelsnaam (Machinefabriek Venus & De Waard versus H&S). De vordering van Machinefabriek terzake de subnaam zal worden afgewezen. Verbod op gebruik van bescheiden van Machinefabriek (VIII) 2.47. Gelet op het feit dat eerder door Gedaagden gebruik is gemaakt van raamovereenkomsten en offertes van Machinefabriek, ziet de kantonrechter voldoende aanleiding om H&S te veroordelen zich te onthouden van het direct en/of indirect gebruik maken en/of laten maken van modellen en/of overeenkomsten en/of zakelijke overeenkomsten en/of andere administratieve bescheiden en/of informatie van Machinefabriek, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-. Geen verbod voor [gedaagde 1], [gedaagde 2] en H&S voor het benaderen van relaties (X) 2.48. De vordering om Gedaagden te verbieden om gedurende een periode van 36 maanden na de datum van het vonnis zakelijke relaties van Machinefabriek te benaderen zal worden afgewezen. Met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is geen relatiebeding overeengekomen. Er waren wel andere contractuele bedingen, waaronder een concurrentiebeding van 12 maanden en voor de schade als gevolg van de overtreding daarvan wordt Machinefabriek reeds gecompenseerd. Er bestaat geen grond om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarnaast een relatiebeding van 36 maanden op te leggen. Gebod tot retourneren/vernietigen documenten van Machinefabriek (XI) 2.49. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij alle documenten van Machinefabriek al hebben verwijderd en vernietigd. Door Machinefabriek noch de kantonrechter is te controleren of dat inderdaad is gebeurd. De kantonrechter zal daarom de vordering van Machinefabriek toewijzen, voor zover Gedaagden hieraan nog niet hebben voldaan, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-. Buitengerechtelijke incassokosten (II, III, VI) 2.50. Machinefabriek maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagden hebben betwist dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Volgens Gedaagden is Machinefabriek vrijwel direct overgegaan tot beslaglegging en de onderhavige procedure. 2.51. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Voor zover de vordering is ingesteld tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt deze afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden. Voor zover de vordering is ingesteld tegen H&S wordt deze eveneens afgewezen. In het licht van de betwisting door Gedaagden heeft Machinefabriek onvoldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar. Geen opheffing conservatoire beslagen 2.52. Gedaagden hebben verzocht om opheffing van de conservatoire beslagen die Machinefabriek 4 augustus 2022 heeft gelegd op de woningen van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] en de derdenbeslagen die ten laste van H&S zijn gelegd onder diverse banken. De vordering zal worden afgewezen. Gelet op de uitkomst van deze procedure is geen sprake van ondeugdelijkheid van de vordering. Ook een belangenafweging noopt niet tot opheffing van de beslagen. Het belang van Machinefabriek bij het veiligstellen van haar verhaalsrechten is op grond van dit vonnis gegeven, zodat geen sprake is van een situatie waarin op grond van artikel 705 Rv een beslag kan worden opgeheven. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.53. Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen de door Machinefabriek gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling en daarbij gewezen op de verslechterde financiële situatie van Machinefabriek, waardoor een reëel restitutierisico ontstaat. Subsidiair hebben Gedaagden verzocht om aan een uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden (artikel 233 lid 3 Rv). 2.54. De kantonrechter overweegt dat het uitgangspunt is dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarheid bij voorraad te hebben. Dat het restitutierisico dusdanig is dat op deze hoofdregel een uitzondering moet worden gemaakt, is niet gebleken. Machinefabriek heeft weersproken dat sprake is van een dermate slechte financiële situatie dat een faillissement, of ander restitutierisico dreigt. Proceskosten en kosten bewijsbeslag (XII en IX) 2.55. Aangezien Gedaagden (overwegend) in het ongelijk worden gesteld, zullen zij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Machinefabriek worden begroot op € 6.546,52, te weten € 98,52 aan deurwaarderskosten, € 1.013,- aan griffierecht en € 5.435,- aan salaris gemachtigde (tarief van € 1.087,- x 5 punten). 2.56. De vordering jegens [gedaagde 1] en H&S met betrekking tot de beslagkosten is, gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv, ook toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op: - explootkosten € 1.485,11 - salaris gemachtigde € 563 (1 x tarief II) - kosten Digijuris € 6.566,32 Totaal € 8.614,43 2.57. Voor vergoeding van de werkelijke advocaatkosten terzake het gelegde beslag, zoals door Machinefabriek is gevorderd, bestaat geen aanleiding. Daarvoor is alleen plaats in buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemelijk hiervan als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op de toegang tot het recht tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Dergelijke omstandigheden zijn in dit geval niet gebleken. Tegenvorderingen van gedaagden Vernietiging concurrentiebeding [gedaagde 1] 2.58. Gelet op wat onder r.o. 2.9 hiervoor is overwogen, wordt de vordering tot vernietiging van het concurrentiebeding van [gedaagde 1] afgewezen. Eindafrekening [gedaagde 1] 2.59. [gedaagde 1] vordert dat Machinefabriek een deugdelijke eindafrekening verstrekt waaronder naar rato opgebouwd vakantiegeld en een salarisspecificatie, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Machinefabriek heeft - tegen de vordering van [gedaagde 1] tot uitbetaling van de eindafrekening - aangevoerd dat deze eindafrekening inmiddels aan [gedaagde 1] is verstrekt, zodat hij in zoverre geen belang meer bij zijn vordering heeft. Voor wat betreft de betaling van het uit de eindafrekening voortvloeiende bedrag van € 2.403,- heeft Machinefabriek een beroep gedaan op verrekening. Aangezien hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde 1] een (hoger) bedrag aan Machinefabriek verschuldigd is dan Machinefabriek aan [gedaagde 1], is terecht een beroep op verrekening gedaan en zal de vordering van [gedaagde 1] worden afgewezen. Proceskosten 2.60. Omdat Gedaagden (overwegend) in het ongelijk worden gesteld, zullen zij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De proceskosten van de zijde van Machinefabriek worden begroot op nihil aan salaris van de gemachtigde van Machinefabriek. 3De beslissing De kantonrechter: de vordering 3.1. verklaart voor recht dat [gedaagde 1] zijn concurrentie- nevenwerkzaamheden en geheimhoudingsbeding heeft geschonden en dat [gedaagde 2] zijn geheimhoudingsbeding heeft heeft geschonden; 3.2. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan Machinefabriek van een bedrag van € 195.000,- aan verbeurde boetes, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele betaling; 3.3. veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan Machinefabriek van een bedrag van € 1.000,- aan verbeurde boetes, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele betaling; 3.4. verklaart voor recht dat H&S onrechtmatig jegens Machinefabriek heeft gehandeld; 3.5. veroordeelt H&S tot betaling aan Machinefabriek van een bedrag van € 65.000,- aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele betaling; 3.6. veroordeelt H&S om zich te onthouden van het direct en/of indirect gebruik maken en/of laten maken van modellen en/of overeenkomsten en/of zakelijke overeenkomsten en/of andere administratieve bescheiden en/of informatie van Machinefabriek, op verbeurte van een aan Machinefabriek te betalen dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-; 3.7. gelast Gedaagden om alle in hun bezig zijnde documenten, zowel fysiek als digitaal, van Machinefabriek aan Machinefabriek te retourneren en deze zelf te verwijderen en verwijderd te houden van alle gegevensdragers en uit alle e-mailaccounts, de documenten te vernietigen en het gebruik daarvan te staken en gestaakt te houden, op verbeurte van een aan Machinefabriek te betalen dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-; 3.8. veroordeelt [gedaagde 1] en H&S hoofdelijk tot betaling van € 8.614,43 aan beslagkosten; 3.9. veroordeelt Gedaagden hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Machinefabriek worden vastgesteld op een bedrag van € 6.546,52, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele betaling en te vermeerderen met € 132,- aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Machinefabriek worden gemaakt, vermeerderd met de explootkosten in geval van betekening van het vonnis; 3.10. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.11. wijst het meer of anders verzochte af; de tegenvordering 3.12. wijst de vordering af; 3.13. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Machinefabriek worden vastgesteld op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. M.Y.H.G. Erkens, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken door mr. M.P.E. Oomens, kantonrechter, in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter art. 87 lid 6 Rv HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224 Rederij Van de Zwan, Parlevliet & van de Plas, Enci en Volker Rail € 429.000 + € 90.000,- HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4779, NJ 2000/277 HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, NJ 2007/262 e.a. ECLI:NL:HR:2021:269 HR 27 februari 1998, NJ 1998/512 Punt 21 pleitnota Machinefabriek van 17 februari 2023