RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9040604 \ CV EXPL 21-1096 Uitspraakdatum: 13 maart 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de stichting Stichting Achmea Rechtsbijstand gevestigd te Tilburg eiseres hierna te noemen: Achmea gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.) tegen de buitenlandse vennootschapEmirates gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.) 1Het procesverloop 1.1. Achmea heeft bij dagvaarding van 11 november 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. Achmea heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.1. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: de passagiers) hebben op 11 oktober 2018 bij TUI een pakketreis geboekt. Onderdeel van de pakketreis was een retourvlucht Amsterdam – Denpasar (Indonesië) via Dubai. In de boekingsbevestiging is opgenomen dat dat de passagiers op 27 november 2018 om 14.30 uur lokale tijd zouden vertrekken vanaf Amsterdam-Schiphol Airport om vervolgens op 28 november 2018 om 14.30 uur lokale tijd aan te komen in Denpasar (Indonesië). De boekingsbevestiging vermeldt het vluchtnummer EK450. 2.2. De passagiers zijn uiteindelijk op 27 november 2018 met vlucht EK150 om 22.00 uur lokale tijd van Amsterdam-Schiphol Airport vertrokken en zijn op 28 november 2018 om 07.21 uur lokale tijd in Dubai aangekomen, van waar zij met vlucht EK398 om 09.01 uur lokale tijd zijn vertrokken en om 22.06 uur lokale tijd in Denpasar zijn aangekomen. 2.3. De passagiers hebben hun vermeende vorderingsrecht door middel van cessie overgedragen aan Achmea. 2.4. Achmea heeft compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.5. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering en het verweer 3.1. Achmea vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 november 2018, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van de betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 181,50 dan wel € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. Achmea heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Achmea stelt dat de vervoerder vanwege een schemawijziging dan wel annulering dan wel omboeking gehouden is tot compensatie conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier. 3.3. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt, voor zover relevant, bij de beoordeling ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. Achmea heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de passagiers bij TUI een pakketreis hebben geboekt, waarbij ze door de vervoerder op 27 en 28 november 2018 vervoerd zouden worden van Amsterdam-Schiphol Airport via Dubai Airport, Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) naar Ngurah Rai Airport, Denpasar (Indonesië), met de vluchtcombinatie EK148 en EK450. De passagiers zijn zes dagen voor de vlucht geïnformeerd over een schemawijziging, waardoor de vlucht voor de passagiers als geannuleerd beschouwd kan worden, aldus Achmea. Hiertoe heeft Achmea onder meer een boekingsbevestiging van TUI overgelegd. 4.3. De vervoerder heeft hiertegen aangevoerd dat tussen de passagier en de vervoerder geen vervoersovereenkomst bestaat voor vlucht EK148 en vlucht EK450 op 27 en 28 november 2018. Ter onderbouwing verwijst de vervoerder naar het “Passenger Name Record” (PNR) uit zijn eigen systeem (productie 1 bij de Conclusie van Antwoord), waaruit volgens hem volgt dat de reservering voor vlucht EK148 niet is voltooid en voor vlucht EK450 geen reservering is gemaakt. Uit dit systeem blijkt voorts dat de reservering voor vlucht EK148 is geannuleerd en stoelen zijn geboekt aan boord van vlucht EK150 en EK398, aldus de vervoerder. Voorts betwist de vervoerder dat uit de door Achmea overgelegde boekingsbevestiging volgt dat de passagiers een bevestigde boeking hadden voor vlucht EK148 en vlucht EK450. 4.4. Achmea stelt dat de door TUI afgegeven boekingsbevestiging als een bevestigde boeking voor vlucht EK148 en EK450 moet worden gezien. De boekingsbevestiging omvat de inhoud van de overeenkomst zoals deze met TUI is gesloten, aldus Achmea. Er is dus, (mede) gelet op het arrest van het Hof van 21 december 2021 (Azurair e.a., gevoegde zaken C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20), sprake van een bevestigde boeking in de zin van de Verordening. De vervoerder heeft hier tegenin gebracht dat uit het voornoemde arrest (ook) volgt dat de passagiers moeten beschikken over een document waaruit volgt dat de reisorganisator een onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan om de passagiers op de betreffende vluchten te (doen) vervoeren. De boekingsbevestiging kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu TUI hierin duidelijk heeft aangegeven dat de vermelde tijden onder voorbehoud waren en de e-tickets op een later moment zouden worden toegezonden. Hiermee heeft TUI geen onvoorwaardelijke toezegging gedaan om de passagiers op vlucht EK148 en EK450 te vervoeren. Ook geeft de boekingsbevestiging op zich de passagiers geen recht op vervoer, aldus de vervoerder. 4.5. De kantonrechter overweegt dat uit artikel 3 lid 2 van de Verordening volgt dat voor de toepassing van de Verordening is vereist dat de passagiers beschikken over een bevestigde boeking voor de vluchten in kwestie, waarbij onder een boeking wordt verstaan: “het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator”. Het Hof heeft in het arrest van 21 december 2021 (Azurair e.a., gevoegde zaken C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20) een ruimere definitie aan het begrip ‘bevestigde boeking’ gegeven door te oordelen dat wanneer een touroperator die een overeenkomst met een passagier heeft gesloten en hem een ‘ander bewijs’ verstrekt in de zin van artikel 2, onder g van de Verordening, dit andere bewijs ook gelijkstaat aan een ‘bevestigde boeking’. De bewijslast met betrekking tot het voorgaande rust op Achmea. 4.6. De vervoerder heeft niet betwist dat TUI in dit geval als touroperator heeft gefungeerd. De door Achmea overgelegde boekingsbevestiging kan dan ook als een bevestigde boeking in de zin van de Verordening worden aangemerkt. De boekingsbevestiging is immers uitgegeven door TUI en vermeldt de luchthaven van vertrek en aankomst, een (van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.