Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 23/3295 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2024 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [plaats] , eiser (gemachtigde: B.F. Schoenmaker), en de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.592. Bij beschikking is een bedrag van € 280 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2024 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Eiser heeft, als ondernemer, gedurende het jaar 2018 [werkzaamheden 1] ( [werkzaamheden 1] ) en [werkzaamheden 2] ( [werkzaamheden 2] ) verricht. 2. Daarnaast was eiser gedurende het jaar 2018 als [functie 1] in dienstbetrekking bij [stichting] en [instelling 1] (hierna: [instelling 1] ). De inkomsten uit deze dienstbetrekkingen bedroegen respectievelijk € 28.109 en € 6.894. 3. In de aangifte IB/PVV over het jaar 2018 heeft eiser een bedrag van € 32.735 als belastbare winst uit onderneming aangegeven. In dit bedrag zijn de voordelen behaald met de [werkzaamheden 1] en de [werkzaamheden 2] en de genoten lonen uit de dienstbetrekkingen met [stichting] en [instelling 1] begrepen. Tevens is een bedrag van € 12.905 aan kosten in aftrek gebracht, waaronder een bedrag van € 5.147 aan ‘huisvestingskosten’. 4. Verweerder heeft op 27 juli 2022 vragen aan eiser gesteld over de ingediende aangifte. In navolging hiervan hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd waarbij eiser stukken heeft overgelegd. 5. Verweerder heeft eiser bij brief van 2 november 2022 medegedeeld dat hij van de aangifte zal afwijken. 6. Verweerder heeft met dagtekening 24 november 2022 de aanslag IB/PVV 2018 aan eiser opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.592, bestaande uit (onder meer) een belastbare winst uit onderneming van € 7.119. Verweerder heeft de genoten lonen van [stichting] en [instelling 1] aangemerkt als loon uit dienstbetrekking en de aftrek van kosten beperkt tot een bedrag van € 7.717. 7. Op 30 december 2022 heeft eiser (pro forma) bezwaar gemaakt tegen de aanslag. In het bezwaarschrift is vermeld dat een nadere motivering wordt nagestuurd. 8. Op 1 maart 2023 heeft verweerder eiser per e-mailbericht verzocht het bezwaarschrift binnen twee weken nader te motiveren. Eiser heeft hier niet op gereageerd. 9. Met dagtekening 21 maart 2023 heeft verweerder de voorgenomen uitspraak op bezwaar naar eiser gestuurd. Verweerder heeft eiser daarbij nogmaals in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaarschrift nader te motiveren en heeft hiervoor een termijn van twee weken gegeven. Ook heeft hij eiser verzocht om binnen (diezelfde) twee weken aan te geven of hij gehoord wenst te worden. Eiser heeft hier niet op gereageerd. 10. Met dagtekening 13 april 2023 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. 11. Op 13 april 2023 om 17:01 uur heeft eiser per e-mailbericht een nadere motivatie (van zijn bezwaar) aan verweerder gestuurd. Als bijlage bij het e-mailbericht zijn bewijsstukken van huurkosten gevoegd. 12. Verweerder heeft hier op 17 april 2023 op gereageerd en aangegeven de motivering niet meer mee te kunnen nemen bij de beoordeling van het bezwaar, omdat al uitspraak op bezwaar is gedaan op 13 april 2023. Verweerder heeft eiser verzocht aan te geven of hij wenst dat de nadere motivering wordt doorgezonden naar de rechtbank als beroepschrift gericht tegen de uitspraak op bezwaar of dat de nadere motivering in behandeling zal worden genomen als verzoek om ambtshalve vermindering (door verweerder). 13. Op 16 mei 2023 heeft eiser verweerder per e-mail bericht dat de uitspraak op bezwaar op 24 april 2023 is ontvangen en dat hij hiertegen zelf beroep zal instellen. Geschil 14. In geschil is het antwoord op de vraag of het uit dienstbetrekking bij [instelling 1] genoten loon (€ 6.864) voor de inkomstenbelasting behoort tot de winst uit onderneming. Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend. 15. Op de zitting heeft eiser de in het beroepschrift aangevoerde gronden ten aanzien van de inkomsten van [stichting] ingetrokken. 16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, naar aanleiding van in de beroepsfase overgelegde betalingsbewijzen, (alsnog) een bedrag van € 3.900 aan huurkosten ten laste van de winst mag worden gebracht. Op de zitting heeft eiser aangegeven hiermee akkoord te gaan, en voor het meerdere zijn gronden in te trekken. Het beroep is reeds daarom gegrond. Partijen houdt nog wel verdeeld of recht bestaat op een proceskostenvergoeding in beroep. 17. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Vooraf 18. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser winst uit onderneming geniet met de [werkzaamheden 1] en de [werkzaamheden 2] en dat deze werkzaamheden tezamen één onderneming (hierna: de onderneming) vormen. [instelling 1] 19. Eiser betoogt dat het loon genoten uit de dienstbetrekking bij [instelling 1] (€ 6.864) door de absorptietheorie behoort tot de winst uit onderneming. De werkzaamheden voor [instelling 1] en de onderneming betreffen soortgelijke activiteiten en de daarvoor benodigde vaardigheden zijn vergelijkbaar. Eiser is [functie 2] en voor alle verrichte werkzaamheden speelt dit een belangrijke rol. Ook nemen de werkzaamheden voor [instelling 1] een ondergeschikte plaats in, aldus eiser. 20. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het genoten loon niet opgaat in de winst uit onderneming van eiser. 21. Volgens vaste jurisprudentie kan loon uit dienstbetrekking (zoals in de onderhavige situatie ontvangen van [instelling 1] ) winst uit onderneming vormen, indien sprake is van een situatie waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.