Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 22/1358, HAA 22/1359 en HAA 22/1358 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2024 in de zaken tussen [bedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma) en de inspecteur van de Douane, kantoor Eindhoven, verweerder. Procesverloop Zaaknummer HAA 22/1359 Verweerder heeft op 30 juli 2021 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 1) met nummer eindigend op [nummer 1] uitgereikt voor een bedrag van € 6.296,64 aan douanerechten en een bedrag van € 87,06 aan rente op achterstallen (in totaal € 6.383,70). Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 9 augustus 2021 door verweerder ontvangen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 januari 2022 het bezwaar afgewezen. Zaaknummer HAA 22/1358 Verweerder heeft op 5 oktober 2021 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 2) met nummer eindigend op [nummer 2] uitgereikt voor een bedrag van € 25.594,57 aan douanerechten en een bedrag van € 229,06 aan rente op achterstallen (in totaal € 25.823,63). Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 29 oktober 2021 door verweerder ontvangen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 januari 2022 het bezwaar afgewezen. Zaaknummer HAA 22/3543 Eiseres heeft op 11 augustus 2021 een verzoek tot ongeldigmaking dan wel wijziging gedaan (hierna: het verzoek) ten aanzien van vier aangiften gedaan in mei en juni 2021. Bij beslissing van 9 maart 2022 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek. Het tegen deze beslissing gemaakte bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 27 juni 2022 afgewezen. Alle zaaknummers Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar inzake de utb’s beroep ingesteld bij brief van 7 februari 2022. De rechtbank heeft dit beroep gesplitst in de zaaknummer HAA 22/1358 en HAA 22/1359. Bij brief van 11 juli 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar inzake het verzoek. Verweerder heeft één verweerschrift ingediend in de zaken met betrekking tot de utb’s en één verweerschrift ingediend in de zaak met betrekking tot het verzoek. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2024 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Feiten 1. Eiseres verricht onder de Douaneregeling Actieve veredeling (hierna: regeling AV) veredelingshandelingen, waarbij verschillende soorten fruitsappen en -concentraten worden gemengd, verdund en verpakt in vaten of bulk. 2. Eiseres heeft op 15 april 2019 een aanvraag ingediend voor een vergunning ‘actieve veredeling’. Op 18 juni 2019 is de vergunning (hierna: AV-vergunning) met [AV nummer 1] verleend met ingangsdatum 1 mei 2019. Naar aanleiding van een toevoeging op de aanvraag is deze vergunning gewijzigd op 20 juni 2019. 3. In de onder 2 vermelde (gewijzigde) vergunning is – voor zover van belang – onder meer het volgende vermeld: “6 Geldigheidsduur van de vergunning a Ingangsdatum1 mei 2019 b Vervaldatum1 mei 2020 7 Goederen die onder de douaneregeling mogen worden geplaatst […] GN-code 2009 4199 2007 9950 2008 9948 2009 8997 2007 9997 2009 1200 2009 7919 2009 8919” 4. Op 16 april 2020 is de AV-vergunning van [AV nummer 1] omgenummerd in [AV nummer 2] in verband met het opvoeren van de vergunning in het douanesysteem Customs Decision Management System (CDMS). Daarbij zijn de in de vergunning opgenomen goederen die onder de douaneregeling mogen worden geplaatst niet gewijzigd. De einddatum van de vergunning is 1 november 2020. 5. Naar aanleiding van een wijzigingsaanvraag door eiseres, is de AV-vergunning met ingang van 1 november 2020 gewijzigd. In de vergunning zijn de volgende GN-codes opgenomen die onder de douaneregeling mogen worden geplaatst:2009 4199, 2007 9950, 2008 9948, 2009 8997, 2007 9997, 2009 1200, 2009 7919, 2009 8919, 2007 9939, 2007 9993, 2008 2059, 2008 9949, 2009 1199, 2009 3111, 2009 3119, 2009 3931, 2009 4930, 2009 6110, 2009 6919, 2009 8973, 2009 8979, 2009 8999 en 2308 0040. De einddatum van de vergunning is 1 november 2021. 6. Eiseres heeft over de maanden oktober, november en december 2020 maandelijks aanzuiveringsafrekeningen ingediend. 7. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres in de maanden oktober 2020 tot en met december 2020 goederen met GN-codes 2009 1998 en 2009 9051 onder de regeling AV heeft geplaatst terwijl deze GN-codes niet in de op dat moment van toepassing zijnde AV-vergunning (onder 4 en 5) zijn opgenomen. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan utb 1 uitgereikt. 8. Eiseres heeft over de maanden januari tot en met juni 2021 ook maandelijks aanzuiveringsafrekeningen ingediend. 9. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres in de maanden januari 2021 tot en met juni 2021 goederen met GN-codes 2009 1998 en 2009 9051 onder de regeling AV heeft geplaatst terwijl deze GN-codes niet in de op dat moment van toepassing zijnde AV-vergunning(onder 5) zijn opgenomen. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan utb 2 uitgereikt. 10. Eiseres heeft verweerder op 11 augustus 2021 verzocht vier van de in de aanzuiveringsafrekeningen voor de maanden mei en juni 2021 begrepen aangifteregels inzake goederen met GN-code 2009 9051 ongeldig te maken op grond van artikel 174 van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) dan wel te wijzigen op grond van artikel 173 van het DWU. Voor de maand mei 2021 betreft dat de aangifteregels met referentienummers [referentienummers] . Voor de maand juni 2021 betreft dat de aangifteregels met referentienummers [referentienummers] . Geschil 11. In de zaken HAA 22/1358 en HAA 22/1359 is in geschil of de utb’s terecht aan eiseres zijn uitgereikt. Meer specifiek is daarbij in geschil: of er douaneschulden bij invoer zijn ontstaan omdat goederen onder de regeling AV zijn geplaatst terwijl de gehanteerde goederencodes niet in de op dat moment van toepassing zijnde vergunning waren opgenomen; indien er douaneschulden zijn ontstaan, of de douaneschulden zijn ontstaan op grond van artikel 77 of artikel 79 van het DWU; indien de douaneschulden zijn ontstaan op grond van artikel 79 van het DWU, of de douaneschulden teniet zijn gegaan op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder h van het DWU dan wel op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k van het DWU. In de zaak HAA 22/3543 is in geschil of verweerder het verzoek terecht heeft afgewezen. Verder is in geschil of sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. 12. Eiseres betoogt met betrekking tot de utb’s dat onder de gegeven omstandigheden geen douaneschuld is ontstaan. Dat de GN-codes niet in de AV-vergunning waren opgenomen, maakt niet dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor plaatsing van de goederen onder de regeling AV. Het plaatsen van de goederen onder de regeling AV heeft plaatsgevonden conform de vergunning inschrijving in de administratie. Verweerder heeft de betreffende aangiften aanvaard. Eiseres heeft aan alle verplichtingen voldaan. Eiseres betoogt verder dat als er al een douaneschuld is ontstaan, deze is ontstaan op grond van artikel 77 van het DWU en niet, zoals verweerder stelt, op grond van artikel 79 van het DWU. Indien er toch sprake is van een douaneschuld op grond van artikel 79 van het DWU is de schuld teniet gegaan op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder h, van het DWU. De onderhavige situatie is vergelijkbaar met de in artikel 103, onder a, van de Gedelegeerde Verordening DWU (hierna: GVo DWU) genoemde situatie, zodat sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen. Daarnaast is ook voldaan aan de voorwaarden van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU. Een eventuele douaneschuld gaat ook op die grond teniet. Met betrekking tot het verzoek betoogt eiseres dat de betreffende goederen ten onrechte onder de regeling AV zijn geplaatst. Zij hadden onder de regeling douane-entrepot moeten blijven, omdat zij niet zijn veredeld maar slechts een gebruikelijke behandeling hebben ondergaan. Verweerder heeft het verzoek ten onrechte en op onjuiste gronden afgewezen. Het juridisch kader biedt in dit specifieke geval een grondslag om de aangiften ongeldig te maken of aan te passen aan de situatie, aldus eiseres. 13. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en primair tot vernietiging van de utb’s en subsidiair tot toewijzing van het verzoek. Eiseres verzoekt tevens om vergoeding van de proceskosten en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 14. Verweerder betoogt dat er douaneschulden zijn ontstaan op grond van artikel 79, eerste lid, onder c, van het DWU. De voorwaarden waaronder de regeling AV mag worden gebruikt, zijn vastgesteld in de vergunning overeenkomstig artikel 211, eerste lid, tweede alinea, van het DWU. De GN-codes van de goederen maken daar deel van uit. Omdat eiseres goederen onder de regeling AV heeft geplaatst met GN-codes die niet in de vergunning zijn opgenomen, is niet voldaan aan de voorwaarden voor plaatsing van deze goederen onder de regeling AV (namelijk de aanwezigheid van een vergunning). Met betrekking tot de toepassing van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder h, van het DWU neemt verweerder het standpunt in dat geen sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen omdat de onderhavige situatie niet voorkomt in de limitatieve opsomming van artikel 103, GDWU.Ten aanzien van de toepassing van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU stelt verweerder zich op het standpunt dat de douaneschulden niet teniet zijn gegaan, omdat de goederen niet vielen onder de reikwijdte van de geldende AV-vergunning en aldus niet rechtsgeldig onder de regeling zijn geplaatst. Verweerder betoogt verder dat er geen grond is voor ongeldigmaking van de aangiften op grond van artikel 174 van het DWU of wijziging op grond van artikel 173 van het DWU. Ongeldigmaking is niet mogelijk omdat de (vrijgegeven) goederen niet meermaals zijn aangegeven (artikel 148, vierde lid, letter c, van het DWU) en niet zijn aangegeven voor een douaneregeling waarbij een douaneschuld bij invoer is ontstaan (artikel 148, eerste lid van het DWU). Voor wijziging van de aangiften is geen grond omdat niet duidelijk is welke verplichtingen eiseres inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling (AV) zou kunnen nakomen. Het ontbreken van een vergunning kan niet worden gerepareerd door de aangifte te wijzigen op het punt van de al gekozen regeling. 15. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. Beoordeling van het geschil Zaaknummers HAA 22/1358 en HAA 22/1359 (de utb’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.