Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 23/2218 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2024 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.774. Tevens is bij gelijktijdige beschikking een bedrag van € 59 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2024 te Haarlem. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft op 6 maart 2021 aangifte IB/PVV 2020 gedaan. In deze aangifte zijn inkomsten aangegeven van inhoudingsplichtige [bedrijf 1] B.V. (de werkgever), te weten een loon van € 69.128. 2. Eiseres is vanaf 1 mei 2012 in dienst bij de werkgever. 3. De werkgever heeft voor zijn werknemers een collectieve ongevallenverzekering afgesloten bij [verzekeringsagentschap] S.A. ( [verzekeringsagentschap] ). 4. Eiseres heeft een ongeval gehad op 17 mei 2017. Dit ongeval vond plaats toen eiseres op weg naar huis was van een privéafspraak. In verband met dit ongeval heeft eiseres een bedrag van € 1.485,39 toegekend gekregen uit de door de werkgever afgesloten collectieve ongevallenverzekering bij [verzekeringsagentschap] . In 2020 heeft [verzekeringsagentschap] - na inhouding van loonheffing – een bedrag van € 930,60 via een bemiddelaar uitgekeerd aan eiseres. 5. In een e-mail van 10 januari 2020 van [verzekeringsagentschap] aan de bemiddelaar is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld over de afhandeling van de uitkering: “Hiermee refereer ik aan eerder gevoerde correspondentie m.b.t. deze zaak. Ik kan deze zaak inmiddels afwikkelen Whiplash dekking Conform de polis keren wij maximaal 8% van het verzekerd bedrag uit voor de gevolgen van een cervicale acceleratie of deceleratie trauma zonder medisch geobjectiveerde afwijkingen. Dit is een aanvullende dekking onder onze ongevallenverzekering. Onze medisch adviseur heeft het percentage op 1% vastgesteld. Verzekerd bedrag Conform de polis is bij blijvende invaliditeit als gevolg van een ongeval tweemaal het jaarloon verzekerd. Onder jaarloon wordt verstaan het loon van verzekerde, zoals dat aan de belastingdienst wordt opgegeven, over de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval. (…) Verzekerd bedrag : € 74.269,60 x 2 jaar = € 148.539,20 Begunstigde Conform de algemene voorwaarden van deze verzekering is de begunstigde voor deze uitkering verzekerde, [eiseres] . Berekening van de uitkering Er is hier sprake van een collectieve ongevallen verzekering welke door [bedrijf 2] B.V. gesloten is. De uitkering wordt berekend op basis van het volgende percentage: 1% Whiplash Onderstaand volgt de berekening van de uitkering op basis van het percentage zoals deze is vastgesteld door onze medisch adviseur. € 148.539,20 x 1% whiplash = € 1.485,39 De Belastingdienst beschouwt uitkeringen uit hoofde van deze verzekering als "een uitkering uit hoofde van dienstverband" waardoor er loonheffing op de uitkering moet worden ingehouden.” 6. Eiseres woonde samen met haar partner de heer [naam 3] (de partner). De partner was in 2020 zelfstandig ondernemer (rijschoolhouder). In verband met de lockdown als gevolg van COVID-19 was de partner in 2020 gedwongen zijn werkzaamheden enige tijd stop te zetten. 7. Verweerder heeft op 2 september 2022 aan de toenmalige gemachtigde van eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om van de aangifte IB/PVV 2020 af te wijken. Verweerder heeft van inhoudingsplichtigen de volgende loongegevens ontvangen met betrekking tot eiseres: - € 2.517 ( [organisatie] ), ingehouden loonheffing € 263 - € 69.128 ( [bedrijf 1] B.V.), ingehouden loonheffing € 24.490 - € 1.485 ( [verzekeringsagentschap] ), ingehouden loonheffing € 555. 8. Het aan eiseres toegerekende bedrag van € 2.517 van [organisatie] betreft een uitkering toegekend op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers voor de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 (hierna: de Tozo 1-uitkering). De in totaal toegekende Tozo 1-uitkering bedroeg € 5.034. De andere helft (€ 2.517) van de Tozo 1-uitkering is bij de partner in aanmerking genomen. 9. Verweerder heeft met dagtekening 21 oktober 2022 een aanslag IB/PVV 2020 opgelegd en heeft daarbij genoemde loongegevens in aanmerking genomen. Geschil 10. In geschil is of de uitkeringen van [verzekeringsagentschap] en van [organisatie] (de Tozo 1-uitkering) terecht bij eiseres in aanmerking zijn genomen als belastbaar inkomen. 11. Eiseres stelt dat de uitkering van [verzekeringsagentschap] niet is belast met inkomstenbelasting omdat de uitkering volgens haar niet voortvloeit uit haar arbeidsovereenkomst. Volgens eiseres was haar werkgever niet aansprakelijk voor de schade uit het ongeval. Ten aanzien van het aan eiseres toegerekende deel van de Tozo 1-uitkering van [organisatie] stelt eiseres dat dit ten onrechte bij haar in aanmerking is genomen als belastbaar inkomen. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.772. 12. Verweerder stelt dat de uitkering van [verzekeringsagentschap] en de Tozo 1-uitkering op tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiseres moeten worden gerekend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil De uitkering uit de ongevallenverzekering 14. Volgens artikel 3.81 Wet IB 2001 wordt in de inkomstenbelasting onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Ingevolge artikel 10, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. In het door partijen aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439, aangeduid als het zogenoemde Smeerkuil arrest, is het volgende overwogen: “dat door een werkgever in verband met diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst - niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt;”. 15. In het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:444, is voorts overwogen: “4.2 In het (…) arrest van 29 juni 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat door een werkgever in verband met diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval betaalde vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht - behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst - niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Met de woorden “zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst” heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat op de hoofdregel - vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht worden niet als loon aangemerkt - een uitzondering kan worden gemaakt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever niet zo’n hogere vergoeding aan die erkenning verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Dan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld. Indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich daarom niet voor.” 16. Vaststaat dat de uitkering van [verzekeringsagentschap] voortvloeit uit de door de werkgever ten behoeve van eiseres afgesloten collectieve ongevallenverzekering. De verzekering maakt kennelijk deel uit van afspraken in de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en de werkgever. Met verweerder gaat de rechtbank ervan uit dat deze ongevallenverzekering is afgesloten ingevolge goed werkgeverschap (vgl. artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek) en dat het gebruikelijk is dat een dergelijke verzekering door werkgevers wordt afgesloten ten behoeve van hun werknemers. De uitkering houdt aldus rechtstreeks verband met de tussen eiseres en de werkgever gesloten arbeidsovereenkomst. De rechtbank is gelet op dit een en ander van oordeel dat de uitkering voldoende grond vindt in de dienstbetrekking om als loon te worden aangemerkt. Het door partijen aangehaalde Smeerkuilarrest en het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2022 (zie hierboven), brengen hierin geen verandering. Het gaat om een door de verzekeraar aan eiseres betaalde uitkering uit een ingevolge de arbeidsovereenkomst door de werkgever gesloten ongevallenverzekering. Uit de gedingstukken volgt dat de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.