RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/346893 / HA RK 23-163 Beschikking van 9 februari 2024 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. S.R. Effting te Arnhem, 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, met bijlagen 1-4, tot heropening van de vereffening van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] Beheer B.V. (hierna: [naam] Beheer); - de brieven van 7 en 8 december 2023 van de griffier aan mr. Effting, met daarin het voornemen afwijzend te beslissen op het verzoekschrift, - de e-mail van 29 december 2023 van mr. Effting, waarin hij de rechtbank verzoekt een afwijzende beslissing te nemen op het verzoekschrift. 2Het verzoek 2.
- [verzoeker] verzoekt tot heropening van de vereffening en hem te benoemen als vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), omdat na het tijdstip waarop [naam] Beheer is opgehouden te bestaan nog van het bestaan van een bate is gebleken. 2.
- Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [verzoeker] dat [naam] Beheer door de Kamer van Koophandel per 7 juni 2017 is ontbonden ingevolge artikel 2:19a BW vanwege het niet openbaar maken van jaarrekeningen van [naam] Beheer. Na de vereffening is gebleken dat een winkelpand met bovenwoning, ondergrond en erf te ( [postcode] ) [woonplaats] (hierna: het winkelpand) nog tot het vermogen van [naam] Beheer behoort. [verzoeker] heeft er daarom belang bij dat er over de onroerende zaak kan worden beschikt en het vermogen van [naam] Beheer kan worden vereffend. 3De beoordeling 3.
- Uit de overgelegde stukken blijkt dat [naam] Beheer sinds 30 maart 2000 eigenaar is van het winkelpand. Blijkens de stukken is daarin geen verandering getreden zodat [naam] Beheer ten tijde van haar ontbinding en uitschrijving uit het handelsregister op 7 juni 2017 nog steeds eigenaar was van het winkelpand. Uit artikel 2:19 leden 4 en 5 BW volgt dat als er nog baten zijn in de te ontbinden rechtspersoon, de rechtspersoon blijft bestaan totdat de vereffening heeft plaatsgevonden. Artikel 2:23c lid 1 BW geldt alleen in de situatie dat, na een vereffeningsprocedure van een ontbonden rechtspersoon, alsnog van het bestaan van een bate is gebleken. Van het bestaan van een bate is in dit geval echter niet gebleken, de bate was er namelijk al ten tijde van de ontbinding van [naam] Beheer. Dit heeft tot gevolg dat de vereffening van [naam] Beheer niet op 7 juni 2017 is beëindigd en dat [naam] Beheer ook niet per die datum is beëindigd. 3.
- De griffier heeft [verzoeker] bij brief van 8 december 2023 gewezen op het voornemen van de rechtbank om afwijzend op het verzoek te beslissen omdat [naam] Beheer naar haar oordeel is blijven voortbestaan. [verzoeker] heeft de rechtbank daarop verzocht een afwijzende beschikking op het verzoekschrift te wijzen. 3.
- De conclusie van de rechtbank is dan ook dat het verzoek wordt afgewezen. 4De beslissing De rechtbank 4.
- wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2024.