RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer en Alkmaar (sluiting onderzoek) Meervoudige strafkamer Parketnummers: 15/247200-21, 15/150320-22, 15/259357-22 en 15/025523-23 (P) Uitspraakdatum: 27 mei 2024 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8, 11, 12, 14, 15, 19, 20, 25, 27 en 29 maart 2024 en 13 mei 2024 (sluiting onderzoek ter terechtzitting) in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn, hierna te noemen: de verdachte of [verdachte] . De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd onder het hoofdparketnummer 15/247200-21. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. A.E.M. van Loon, A.F. Hof en A.M.H.G. Peters (hierna in enkelvoud: de officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadslieden, mrs. M. Hoekzema en S. de Korte, advocaten te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 1Inleiding Aanleiding van het onderzoek Ararat-Geul Op 14 juni 2021, omstreeks 13:55 uur, werd het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) aangetroffen in zijn woning aan het [adres 1] in Berkhout. Uit onderzoek bleek dat het slachtoffer is overleden door een schot in de borst. Onder de naam Ararat werd een Team Grootschalige Opsporing (hierna: TGO) opgestart. Na onderzoek ging de politie uit van het scenario dat sprake is geweest van een mislukte woningoverval. Op basis van de zogenoemde modus operandi (werkwijze) legde de politie een link tussen de gewelddadige dood van [slachtoffer 1] en andere gewelddadige overvallen die zich hadden voorgedaan in de regio West-Friesland. De politie zag overeenkomsten op het gebied van het type slachtoffers, het aantal daders, de wijze van verschaffen van toegang tot de woning, het gebruik van (extreem) geweld en vuurwapens en de buit. Naar aanleiding van meldingen bij het Team Criminele Inlichtingen en Meld Misdaad Anoniem kwamen verschillende personen in beeld als mogelijke betrokkenen bij deze overvallen. Een aantal van die personen was ook al aangemerkt als verdachte in TGO Ararat. Gezien de overeenkomsten in zowel de werkwijze als de mogelijk betrokken personen ging de politie ervan uit dat de overvallen door één dadergroep zijn gepleegd. In juli 2021 werd onder de naam Geul een overkoepelend onderzoek naar de reeks gewelddadige overvallen gestart. Uit politieonderzoek bleek dat een connectie bestond tussen slachtoffers van een gewelddadige woningoverval in Dreumel, Gelderland, en één van de verdachten die in het onderzoek Geul in beeld was gekomen. Om die reden werd dit onderzoek overgedragen aan het politieteam in Noord-Holland en ook onderdeel van het onderzoek Geul. In januari 2022 werden TGO Ararat en onderzoek Geul samengevoegd. Binnen het onderzoek Ararat-Geul is onderzoek gedaan naar zeven overvallen en de deelname aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De incidenten zijn ondergebracht in zaaksdossiers met een eigen onderzoeksnaam. In onderstaande tabel wordt – samengevat – een overzicht gegeven van de acht zaaksdossiers en de namen van de verdachten die hiervoor door het openbaar ministerie worden vervolgd. Onderzoeksnaam Datum Plaats van het delict Slachtoffers Verdachten Zaaksdossier 1Mainz 8 augustus 2020 [adres 2] in De Goorn [slachtoffer 2] [slachtoffer 3] [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] [verdachte][medeverdachte 3] Zaaksdossier 2Oberhof 9 augustus 2020 [adres 3] in Nieuwe Niedorp [slachtoffer 4] Tankstation [slachtoffer 5] [medeverdachte 4] [verdachte][medeverdachte 3] Zaaksdossier 3Millet 30 december 2020 [adres 4] in Dreumel (Gelderland) [slachtoffer 6] [slachtoffer 7] [medeverdachte 2] [medeverdachte 4] [verdachte][medeverdachte 3] Zaaksdossier 4Zwenkau 7 januari 2021 [adres 5] in Avenhorn [slachtoffer 8] [slachtoffer 9] [medeverdachte 2] [medeverdachte 4] [verdachte][medeverdachte 3] Zaaksdossier 5 Zulpich 4 juni 2021 [adres 6] in Heerhugowaard [slachtoffer 10] [slachtoffer 11][slachtoffer 12] [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] Zaaksdossier 6Ararat 14 juni 2021 [adres 1] in Berkhout [slachtoffer 1] [medeverdachte 5] [medeverdachte 2] [medeverdachte 4] [verdachte] [medeverdachte 3] Zaaksdossier 7Willich 22 juli 2021 [adres 7] in Noord-Scharwoude [slachtoffer 13] [slachtoffer 14] [medeverdachte 2] [medeverdachte 4] [verdachte] Zaaksdossier 8Artikel 140 Sr Periode van 8 augustus 2020 t/m 22 juli 2021 Diverse plaatsen in Nederland [medeverdachte 2] [medeverdachte 4] [verdachte][medeverdachte 3] Gedurende het politieonderzoek ontstond de verdenking dat ook een Belgische minderjarige jongen – ook wel aangeduid als ‘de Belg’ – betrokken was bij zaaksdossier Oberhof. De politie heeft deze persoon geïdentificeerd als [medeverdachte 6] en hem op 23 maart 2023 aangehouden. Het openbaar ministerie heeft [medeverdachte 6] voor zaaksdossier Oberhof vervolgd en op 1 augustus 2023 heeft de sectie Familie & Jeugd van deze rechtbank [medeverdachte 6] veroordeeld voor het medeplegen van de gewapende overval op het tankstation. In meerdere zaaksdossiers wordt ook de naam van [naam 1] (bijnamen: Slootje, Handje) genoemd. Omdat hij in juni 2021 is overleden, is tegen hem geen strafvervolging ingesteld. Het onderzoek naar zijn dood heeft de onderzoeksnaam Waltrop gekregen. Zijn dood wordt door de politie beschouwd als een suïcide. Algemene inleiding met betrekking tot het dossier en de werkwijze van de rechtbank Het onderzoek Ararat-Geul bestaat dus uit diverse deelonderzoeken (zaaksdossiers). Omdat alle stukken in de procesdossiers van alle verdachten zijn gevoegd, is het procesdossier voor ieder van de verdachten gelijk. Echter, verklaringen die de verdachten ter terechtzitting hebben afgelegd hebben zij uitsluitend afgelegd in hun eigen zaak en worden door de rechtbank niet gebruikt als bewijs in een zaak tegen een medeverdachte. De rechtbank is van oordeel dat het dossier in zijn geheel moet worden beschouwd en dat de ten laste gelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Dit betekent onder meer dat bij de waardering van het bewijs in het kader van een bepaald zaaksdossier ook stukken uit andere zaaksdossiers kunnen worden betrokken. Dit neemt echter niet weg dat voor ieder ten laste gelegd feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank heeft geen gebruik gemaakt van zogenoemd schakelbewijs. Hierna volgt eerst een samenvatting van de beschuldiging die het openbaar ministerie tegen [verdachte] heeft geformuleerd. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De rechtbank zal daarna steeds per zaaksdossier vaststellen wat er uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en ingaan op de verklaring van de verdachte en de standpunten die het openbaar ministerie en de verdediging hebben ingenomen. Vervolgens zal de rechtbank concluderen in hoeverre zij het tenlastegelegde bewezen acht, en – in geval van een bewezenverklaring – beoordelen welk strafbaar feit dat oplevert, of de verdachte daarvoor strafbaar is, welke straf passend is en beslissen op de vorderingen tot schadevergoeding die zijn ingediend door de benadeelde partijen. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging en na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ten laste gelegd dat hij zich – samengevat en op chronologische volgorde weergegeven – heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1 (Mainz) – 15/150320-22 - medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in De Goorn op 8 augustus 2020; en/of- medeplegen van afpersing van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in De Goorn op 8 augustus 2020;Feit 2 (Oberhof) – 15/025523-23 - medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 4] in Nieuwe Niedorp op 9 augustus 2020; en/of- medeplegen van afpersing van [slachtoffer 4] in Nieuwe Niedorp op 9 augustus 2020;Feit 3 (Millet) – 15/025523-23 - medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in Dreumel op 30 december 2020; en/of- medeplegen van afpersing van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] in Dreumel op 30 december 2020; Feit 4 (Zwenkau) – 15/025523-23 - medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 9] in Avenhorn op 7 januari 2021; Feit 5 (Zwenkau) – 15/025523-23 - medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Avenhorn op 7 januari 2021; en/of- medeplegen van afpersing van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Avenhorn op 7 januari 2021;Feit 6 (Ararat) – 15/247200-21- medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] in Berkhout op 14 juni 2021; Feit 7 (Ararat) – 15/247200-21 - medeplegen van poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 1] , met de dood ten gevolge, in Berkhout op 14 juni 2021; en/of- medeplegen van poging tot afpersing van [slachtoffer 1] , met de dood ten gevolge, in Berkhout op 14 juni 2021;Feit 8 (Willich) – 15/259357-22- medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 13] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021; en/of- medeplegen van afpersing van [slachtoffer 13] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021; Feit 9 (Willich) – 15/259357-22 - medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 14] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021; Feit 10 (Willich) – 15/259357-22 - medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 14] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021; en/of- medeplegen van afpersing van [slachtoffer 14] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021. Feit 11 (criminele organisatie) – 15/025523-23 - deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (overvallen) in de periode van 8 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021. 3 3. Voorvragen De wet schrijft in artikel 348 Sv voor dat de rechtbank eerst onderzoekt of aan een viertal voorwaarden is voldaan voordat zij zich richt op de inhoud van de strafzaak. De rechtbank stelt daarom vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Beoordeling van het bewijs 4.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle overvallen en van de deelneming aan de criminele organisatie. In zaaksdossier Ararat zou volgens de officier van justitie ook de gekwalificeerde doodslag en in zaaksdossiers Zwenkau en Willich de poging daartoe bewezen moeten worden verklaard. 4.2 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak van alle beschuldigingen bepleit. Volgens de verdediging kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de overvallen. Voorts heeft de verdachte volgens de verdediging geen deel uitgemaakt van een criminele organisatie. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, steeds per zaaksdossier bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 4.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn vervat. De rechtbank zal dat oordeel hierna per zaaksdossier toelichten. 4.3.1 Zaaksdossier Mainz Zaaksdossier Mainz gaat over een woningoverval in De Goorn op 8 augustus 2020. Voor dit feit worden naast de verdachte ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vervolgd. 4.3.1.1 Bewijsoverweging Door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. Verklaringen van de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] Op 8 augustus 2020 tussen 03:08 uur en 03:20 uur heeft een woningoverval plaatsgevonden in de vrijstaande woning aan de [adres 2] in De Goorn, waarbij telefoons, sleutels en een envelop met een geldbedrag van € 3.000,00 zijn weggenomen. Vier mannen met bivakmutsen hebben de woning betreden. Zij hebben daartoe een ruit van de woning ingeslagen. Drie van hen hadden een breekijzer en de vierde dader had een vuurwapen. Aangever [slachtoffer 2] is tegen zijn lichaam en hoofd geslagen met een breekijzer en is tegen zijn hoofd geschopt. Toen hij zich wilde verdedigen is door de dader met het vuurwapen twee keer een schot gelost in de richting van het hoofd van [slachtoffer 2] . Aangeefster [slachtoffer 3] is bedreigd met het vuurwapen. Toen zij probeerde te vluchten, is zij door een vijfde dader uit het naast de woning gelegen weiland teruggehaald en teruggeleid naar de woning. Deze vijfde dader kwam uit de richting van het toegangshek van het perceel en droeg ook een bivakmuts. Op dat moment was [slachtoffer 2] in gevecht met de andere vier daders. De daders zijn uiteindelijk in een auto weggereden in de richting van Berkhout. Koeienriem Op 12 augustus 2020 werd door de aangevers in dit onderzoek een koeienriem afgegeven bij de politie. Deze koeienriem zat voor de overval bevestigd om het toegangshek. De aangevers hadden de koeienriem aangetroffen op het erf nabij de sloot. Op deze koeienriem is een DNA-mengprofiel aangetroffen met celmateriaal van minimaal vier personen. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat het DNA-profiel verkregen uit de bemonstering van de koeienriem, meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA van [medeverdachte 1] en drie willekeurige onbekende personen bevat dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen. De rechtbank gaat er op basis van deze onderzoeksresultaten van uit dat er DNA-materiaal van [medeverdachte 1] op de koeienriem aanwezig is. Verklaring van de getuige [getuige 1] Een ex-vriendin van [medeverdachte 1] genaamd [getuige 1] heeft een voor [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] belastende verklaring afgelegd. Samengevat heeft zij verteld dat zij door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] thuis is opgehaald en dat zij vervolgens naar het chalet van [medeverdachte 1] zijn gereden. Daarna zijn zij naar Obdam gereden waar [medeverdachte 3] een auto ophaalde, een Opel Astra met kenteken [kenteken 1] . Hierna zijn zij naar de woning van [verdachte] in Noord-Scharwoude gereden. Er waren wel een stuk of tien mensen, waaronder [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en een minderjarige jongen die ‘de Belg’ werd genoemd. Er werd heen en weer gelopen om te praten op de parkeerplaats. Er was een aparte sfeer. Iedereen was onrustig. [medeverdachte 1] bracht haar naar huis. Er reden toen drie andere personen mee van wie twee personen een donkere huidskleur hadden. Op 9 augustus 2020 is [getuige 1] met [medeverdachte 1] naar Berkhout gereden. Zij stonden op een parkeerplaats tegenover de kerk in Berkhout. Toevallig kwam er ook nog politie langs en die heeft met [medeverdachte 1] gesproken. Daarna vertelde [medeverdachte 1] aan [getuige 1] dat hij wat ergs had gedaan en hij liet haar artikelen zien over de overval in De Goorn. Hij vertelde dat hij daarheen is geweest, dat zij naar binnen waren gegaan, dat er een raam was ingeslagen en dat hij buiten was gebleven en die mevrouw had tegengehouden die naar de buren wilde gaan. [medeverdachte 1] heeft haar toen verteld dat hij daarheen is gegaan met [verdachte] en [medeverdachte 3] en anderen die [getuige 1] niet kent. Volgens [getuige 1] heeft [medeverdachte 1] gezegd dat [verdachte] een pistool bij zich had en dat er in het plafond is geschoten. Er zou € 300,00 per persoon buit zijn gemaakt. Verder vertelde [medeverdachte 1] haar dat de Opel Astra enkele dagen voor de overval was gestolen met de sleutels er nog in, terwijl er boodschappen of zoiets werden uitgeladen. Betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] De rechtbank gaat om de volgende redenen uit van de juistheid van de verklaringen van [getuige 1] . Ten eerste lijkt [getuige 1] geen belang te hebben bij het afleggen van een valse verklaring. Ten tweede zijn haar verklaringen steeds consistent en gedetailleerd geweest. En ten derde zijn details uit haar verklaringen gecontroleerd en bevestigd. Zo blijken details die zij noemde omtrent de diefstal van de auto uit Obdam (sleutels nog in het voertuig, diefstal terwijl eigenaar spullen uit de auto naar zijn woning bracht) overeen te komen met de aangifte van de eigenaar van de auto. De rechtbank ziet ook verankering van de verklaring van [getuige 1] in het proces-verbaal van de politie waarin staat dat [medeverdachte 1] en zijn voertuig op 9 augustus 2020 om 01:11:36 uur zijn geraadpleegd via politiesysteem MEOS. De opsporingsambtenaar die deze controle verrichtte kon zich nog herinneren dat hij toen en daar een voertuig heeft gecontroleerd met een man en een vrouw erin. De verklaring van [getuige 1] wordt ook ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de hierna te noemen verklaring van [medeverdachte 6] (‘de Belg’) en historische verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] . Verder acht de rechtbank een afgeluisterd telefoongesprek tussen [getuige 1] en [naam 2] (ex-vriendin van [medeverdachte 1] ) van 17 mei 2022 van belang. Hierin zegt [getuige 1] tegen [naam 2] dat zij op de avond dat de overval werd voorbereid, met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij de camping is geweest, dat de overval door zes personen is gepleegd, dat de buit drie à vierhonderd euro per man was en dat [medeverdachte 1] de vrouw tegen had gehouden. [getuige 1] zegt vervolgens tegen [naam 2] : “Toen vroeg ik nog aan hem zeg van kon die vrouw je niet, toen zei hij nee die man heb ik wel een keer gezien maar die vrouw niet.” [getuige 1] vertelde dus aan [naam 2] hetzelfde als wat zij aan de politie heeft gezegd en haar verklaringen zijn dus consistent. Verklaring van [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij in augustus 2020 in de woning van [verdachte] verbleef. Op foto’s herkende hij [medeverdachte 2] , [naam 3] (een vriend van [medeverdachte 2] ), [verdachte] en [medeverdachte 3] . Zij hielden zich volgens [medeverdachte 6] bezig met onder andere overvallen. [medeverdachte 6] vertelde dat [medeverdachte 2] , [naam 3] en [verdachte] naar de camping van [medeverdachte 1] zijn gegaan en dat [medeverdachte 3] de bestuurder was. [medeverdachte 1] was eerder die dag langs geweest en sprak met [verdachte] over de “camper” van [medeverdachte 1] . Nadat [medeverdachte 1] was vertrokken, kwamen [medeverdachte 2] en [naam 3] naar de woning van [verdachte] en vertelde [verdachte] aan hen dat hij een tip had gehad en dat hij ook een camper had waar ze konden schuilen. Die nacht gingen zij met elkaar op pad. Verklaring van [medeverdachte 1] is bij de politie meerdere keren als verdachte gehoord. Hij heeft aanvankelijk ontkend dat hij wetenschap had van de woningoverval en heeft zich in de volgende verhoren op zijn zwijgrecht beroepen. Pas vanaf zijn vijfde verhoor, meer dan twee jaar na de overval, is hij gaan verklaren over zijn betrokkenheid daarbij. In die verhoren heeft hij ook belastend verklaard over de verdachte en de medeverdachten. Ook heeft hij, zowel in hoedanigheid als getuige als in hoedanigheid van verdachte, verklaringen afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. Samengevat komen zijn verklaringen op het volgende neer.Op 7 augustus 2020 rond 21:00 uur is hij via Facebook Messenger benaderd door [medeverdachte 3] met de vraag om te komen chillen met een meisje. [medeverdachte 1] heeft toen [medeverdachte 3] opgehaald bij [verdachte] thuis en samen hebben zij het meisje, [getuige 1] , opgehaald in Hoorn. [medeverdachte 1] heeft ’s avonds met [getuige 1] bij [verdachte] in de tuin gezeten. Daar waren een hoop mensen, een stuk of tien. Sommigen waren buiten de poort, anderen in het huis en anderen in de tuin. Er hing niet echt een leuke sfeer en daarom heeft hij [getuige 1] naar huis gebracht. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij daarna is doorgereden naar zijn chalet op camping [camping] in Berkhout. Hij had met [medeverdachte 3] afgesproken dat hij daar ook heen zou komen . [medeverdachte 3] had met anderen het plan gemaakt om een inbraak te plegen en heeft [medeverdachte 1] gevraagd of ze daarna weer terug mochten komen naar het chalet. Toen [medeverdachte 1] bij de camping aankwam, was [medeverdachte 3] daar al. Zij hebben een tijdje in het chalet van [medeverdachte 1] gezeten en gesproken over hetgeen zij van plan waren. Volgens [medeverdachte 1] waren ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [naam 3] en [verdachte] daarbij. Op de parkeerplaats van de camping is [medeverdachte 1] in de kofferbak van de auto van [medeverdachte 3] gestapt en meegereden naar De Goorn. [medeverdachte 3] heeft zijn auto in een inham voorbij de woning geparkeerd, waarna [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [naam 3] en [verdachte] zijn uitgestapt. [medeverdachte 1] is ook uitgestapt en heeft aan één van deze mannen een breekijzer aangegeven. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [naam 3] en [verdachte] zijn over het weiland naar de woning gelopen. [medeverdachte 3] heeft de auto doorgereden naar het toegangshek en [medeverdachte 1] heeft daar met [medeverdachte 3] staan wachten op de anderen. Ze zijn uiteindelijk samen weer naar het chalet van [medeverdachte 1] gereden. [medeverdachte 1] heeft toen gehoord dat [verdachte] had geschoten. De anderen waren daar boos over. [medeverdachte 1] heeft het een dag later aan [getuige 1] verteld. Betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat hij op diverse punten wisselend, inconsistent en/of in strijd met de waarheid heeft verklaard. Dit maakt de verklaringen van [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar, aldus de verdediging. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank heeft oog voor het feit dat [medeverdachte 1] op verschillende punten wisselend en inconsistent heeft verklaard en dat hij zijn verklaring heeft aangepast na confrontatie met nieuwe onderzoeksbevindingen van de politie. De rechtbank noemt in dat verband – zonder daarbij uitputtend te willen zijn – de volgende punten:- de reden waarom hij die avond (toch) in de auto is gestapt en is meegegaan met de medeverdachten;- zijn wetenschap omtrent het feit dat het de woning van (goede) bekenden van zijn ex-vriendin betrof;- de oorzaak van het aantreffen van zijn DNA-materiaal op een in de loods in Hoogwoud aangetroffen breekijzer;- de locatie waar hij tijdens de overval heeft gestaan en/of gelopen;- de wijze waarop zijn DNA-materiaal op de koeienriem terecht is gekomen. Verder heeft [medeverdachte 1] gezegd dat hij niet heeft gezien dat zijn mededaders bivakmutsen droegen, terwijl de aangevers verklaarden dat de vijf daders die zij hebben gezien allemaal een bivakmuts droegen. De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij na de overval afstand heeft genomen van de dadergroep en is gaan lopen totdat zij weg waren, past niet bij de registraties van de stappenteller op zijn telefoon. Door de stappenteller zijn namelijk geen stappen geregistreerd van 02:41 uur tot 04:07 uur. De verdachten moeten echter al rond half vier zijn terug gekomen bij het chalet. Dat volgt uit de camerabeelden van de vluchtauto, de reistijd van de plaats van het delict tot camping [camping] en uit de omstandigheid dat de telefoon van [medeverdachte 3] om 03:38 uur een zendmast aanstraalde die dekking geeft aan het chalet van [medeverdachte 1] . De rechtbank stelt vast dat de onderwerpen waarover [medeverdachte 1] inconsistent of ongeloofwaardig heeft verklaard uitsluitend betrekking hebben op zijn eigen betrokkenheid bij het feit die hij kennelijk – gelet op de andere onderzoeksbevindingen in het dossier – heeft geprobeerd te minimaliseren. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet dat zijn verklaring in het geheel niet betrouwbaar zou zijn. Wel betekent dit dat de verklaringen van [medeverdachte 1] die zien op de betrokkenheid van de medeverdachten met de nodige voorzichtigheid moeten worden gewaardeerd. De rechtbank stelt in dat verband vast dat [medeverdachte 1] telkens gelijkluidend heeft verklaard ten aanzien van de strafrechtelijke betrokkenheid van zijn mededaders bij de woningoverval. [medeverdachte 1] heeft gedetailleerd, concreet en consistent verklaard over wie betrokken waren bij de overval, wat de onderlinge rolverdeling was, waar zij zich voorafgaand aan de overval hebben verzameld, waar zij na de overval naartoe zijn gegaan en wie er tijdens de overval zou hebben geschoten. De verklaring van [medeverdachte 1] vindt in zoverre ook op belangrijke onderdelen en in relevante mate steun in ander (objectief) bewijsmateriaal, dat de rechtbank hierna uiteen zal zetten. Ondersteuning voor de verklaring van [medeverdachte 1] Uit Snapchatgegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat hij op 7 augustus 2020 om 21:10 uur een bericht heeft verzonden vanaf een locatie in de nabije omgeving van de woning van [verdachte] aan de [adres 8] in Noord-Scharwoude. Dat bevestigt dat hij in de uren voor de overval bij de woning van [verdachte] was. Verder wordt dit deel van de verklaring van [medeverdachte 1] in belangrijke mate ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [medeverdachte 6] . Dat ook [medeverdachte 3] daar aanwezig was wordt bevestigd door diens telefoongegevens. Van 21:16 uur tot 21:27 uur maakte die telefoon verbinding met een zendmast die dekking geeft aan de woning van [verdachte] . De telefoon van [medeverdachte 3] maakte daarna een reisbeweging in de richting van Heerhugowaard, waarna de telefoon om 23:34 uur weer onder de dekking van een zendmast in Noord-Scharwoude valt. Dit past bij de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij samen met [medeverdachte 3] , [getuige 1] in Hoorn heeft opgehaald, waarna zij weer zijn teruggegaan naar de woning van [verdachte] . De telefoongegevens van [medeverdachte 3] bevestigen ook de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] aanwezig is geweest bij de woningoverval, dat zij vanaf het chalet van [medeverdachte 1] zijn vertrokken en daar na de overval ook weer zijn teruggekeerd. De telefoon van [medeverdachte 3] straalt immers vanaf 02:27 uur de zendmast aan die dekking geeft aan het chalet van [medeverdachte 1] . Om 03:13 uur, dus gedurende de periode dat de overval in De Goorn werd gepleegd, maakt de telefoon van [medeverdachte 3] verbinding met de zendmast aan de Wieder 23 in De Goorn. Deze mast geeft dekking aan de plaats van het delict. Om 03:38 uur, dus zo’n 18 minuten na afloop van de overval, straalt de telefoon van [medeverdachte 3] weer aan bij de zendmast die dekking geeft aan het chalet van [medeverdachte 1] . De verklaring van [medeverdachte 1] dat [verdachte] zou hebben geschoten wordt ondersteund door forensisch bewijs. De linker onder- en bovenarm en de linkerzijde van het gelaat en oor van aangever [slachtoffer 2] zijn bemonsterd. Uit het rapport schotrestenonderzoek van 26 april 2022 volgt dat de deskundige het zeer veel waarschijnlijker acht dat op die bemonsteringen schotresten aanwezig zijn, dan dat op die bemonsteringen geen schotresten aanwezig zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat op het lichaam van [slachtoffer 2] schotresten aanwezig waren. Na het overlijden van [naam 1] is bij zijn lichaam een vuurwapen aangetroffen. Dit betrof een zilverkleurige revolver, type .357 Magnum van fabrikant Smith & Wesson. In het vergelijkend schotrestenonderzoek van 26 april 2022 is de aangetroffen verzameling deeltjes in het onderzoek Mainz, vergeleken met de verzamelingen deeltjes die zijn aangetroffen in het onderzoek Ararat (de woningoverval met dodelijke afloop in Berkhout) en het onderzoek Waltrop (het onderzoek naar het overlijden van [naam 1] ). De deskundige rapporteerde dat de bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek veel waarschijnlijker zijn als hypothese V1 (de verzameling deeltjes hebben dezelfde bron van herkomst) waar is, dan als hypothese V2 (de verzameling deeltjes hebben een andere bron van herkomst) waar is. Bron van herkomst is hierbij gedefinieerd als schoten met dezelfde vuurwapen-munitie combinatie. De rechtbank heeft de opsteller van het rapport, dr. ir. A. Knijnenberg, ter terechtzitting als deskundige gehoord. De rechtbank begrijpt de inhoud van het rapport, in samenhang met de door de deskundige ter terechtzitting gegeven toelichting, als volgt. Onder hypothese V1 (dezelfde bron van herkomst) kan zowel worden begrepen dat is geschoten met hetzelfde wapen met dezelfde munitie, als met eenzelfde soort (merk en type) wapen met dezelfde soort munitie. De aangetroffen verzamelingen deeltjes in de onderzoeken Mainz, Ararat en Waltrop zijn zeldzaam te noemen. Hierover is in het rapport opgemerkt dat alle drie de verzamelingen deeltjes voornamelijk worden gekenmerkt door deeltjes met elementsamenstellingen PbSbSn (lood, antimoon, tin), waarbij de elementen Sb en Sn in deze deeltjes veelal op spoorniveau aanwezig zijn. Daarnaast zijn in alle drie de verzamelingen deeltjes aanwezig gelijkend op BaAl (barium, aluminium) met (een spoor van) de elementen Pb en Sb. Deze deeltjes worden volgens de deskundige zelden in zaakonderzoek aangetroffen in combinatie met deeltjes als extra element Sn. Deze deeltjes kunnen afkomstig zijn van het zogeheten memory-effect, wat een aanwijzing kan zijn dat de verzamelingen deeltjes dezelfde bron van herkomst hebben. Weliswaar heeft de deskundige ter zitting toegelicht dat niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld dat het zogenaamde memory-effect hier speelt, maar het lijkt er wel sterk op, omdat de aangetroffen verzamelingen deeltjes anders alleen kunnen worden aangetroffen in de situatie dat in alle gevallen is geschoten met eenzelfde (soort) wapen, waarmee dezelfde (soorten) munitie is geschoten en waarbij de munitie dan ook in dezelfde volgorde moet zijn verschoten. Dat de deskundige vervolgens op basis van zijn beschouwing, beschikbare literatuur en de ervaring op het NFI in eerdere onderzoeken tot de bewijskracht “veel waarschijnlijker” komt, wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat in de onderzoeken Mainz, Ararat en Waltrop is geschoten met hetzelfde vuurwapen. De theoretische mogelijkheid dat is geschoten met eenzelfde soort wapen acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk, omdat dan dezelfde (verschillende) soorten munitie in dezelfde volgorde moeten zijn verschoten. De rechtbank neemt hierbij ook het volgende in ogenschouw. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in zes bemonsteringen op het wapen dat bij [naam 1] is aangetroffen, DNA-materiaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [verdachte] . De bewijskracht van de overeenkomsten met het profiel van [verdachte] ligt telkens tussen circa 1,3 miljoen tot meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat DNA van [verdachte] in de bemonsteringen aanwezig is, dan de kans dat het DNA betreft van een willekeurige, niet aan hem verwante persoon.Dit vormt in beginsel een sterke aanwijzing dat [verdachte] het vuurwapen heeft vastgehouden. [verdachte] heeft ter terechtzitting de mogelijkheid geopperd dat zijn DNA-materiaal op het vuurwapen is gekomen doordat hij wel eens een tasje aan [naam 1] heeft uitgeleend. De rechtbank is van oordeel dat de enkele suggestie van secundaire overdracht – bij gebrek aan enige concretisering en onderbouwing en mede in het licht bezien van de overige bewijsmiddelen – onvoldoende is om de sterke aanwijzing te ontzenuwen. Hierbij acht de rechtbank ook de exacte locatie van het DNA-materiaal van [verdachte] op het wapen van belang, namelijk op de binnenkant van de trommelashouder van het wapen. Op dit wapen is ook DNA-materiaal aangetroffen (in bemonstering #27) dat van [medeverdachte 6] afkomstig kan zijn. Uit deze bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren verkregen. Het DNA-profiel van [medeverdachte 6] komt overeen met dit DNA-mengprofiel. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – [medeverdachte 6] één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. [medeverdachte 6] heeft in zijn getuigenverhoor bij de rechtercommissaris hierover verklaard dat het wapen van [verdachte] is en dat hij in de woning van [verdachte] een foto van dit wapen heeft gemaakt, wat deze DNA-match zou kunnen verklaren. [medeverdachte 6] heeft slechts kort bij [verdachte] verbleven in de periode rondom de woningoverval in De Goorn in augustus 2020, zodat zijn DNA toen op dat wapen terecht moet zijn gekomen. De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat bij de woningoverval in De Goorn is geschoten met hetzelfde wapen als in de onderzoeken Ararat en Waltrop, dat er DNA-materiaal van [verdachte] op dit wapen is aangetroffen en dat [verdachte] in augustus 2020 over dit vuurwapen beschikte. Conclusie betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] De Snapchatgegevens van [medeverdachte 1] , de zendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] , de verklaringen van de aangevers, [getuige 1] en [medeverdachte 6] en het forensisch bewijs bevestigen de verklaring van [medeverdachte 1] in die mate, dat de rechtbank zijn verklaring – voor zover deze voor het bewijs wordt gebruikt – betrouwbaar en geloofwaardig acht. Conclusie ten aanzien van het bewijs De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen tot de conclusie dat de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de woningoverval in De Goorn. Medeplegen Voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in en afzonderlijke bewijsmotivering – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit de bewijsmiddelen en met name de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] leidt de rechtbank af dat de verdachte één van de vier daders is geweest die de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] binnen is gegaan. De verdachte is de dader geweest die de schoten heeft gelost. De verdachte heeft dus een actieve rol gehad bij de woningoverval en hij kan om die reden als medepleger van de woningoverval worden aangemerkt. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld. 4.3.1.2 Vrijspraak van het medeplegen van afpersing Uit het bewijs volgt dat van de aangevers geld, telefoons en sleutels zijn weggenomen. Niet gebleken is dat zij door (bedreiging met) geweld zijn gedwongen om geld of goederen af te geven aan de daders. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van (het medeplegen van) afpersing. 4.3.2 Zaaksdossier Oberhof Zaaksdossier Oberhof gaat over een overval op een tankstation in Nieuwe Niedorp op 9 augustus 2020, dus één dag na de overval in De Goorn (onderzoek Mainz). Naast de verdachte zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] als verdachten van deze overval aangemerkt. [medeverdachte 6] is al eerder door de rechtbank veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij deze overval. De getuige [getuige 2] , een ex-vriendin van [verdachte] , heeft een voor deze drie verdachten en [medeverdachte 6] belastende verklaring afgelegd. De verdediging van [verdachte] heeft bepleit dat haar verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Daar zal de rechtbank eerst op beslissen. Vervolgens zal de rechtbank onder 4.3.2.2 bespreken welk bewijs er tegen de verdachte is en tot welke conclusie dat leidt. 4.3.2.1 Ten aanzien van het verzoek tot bewijsuitsluiting De verdediging heeft primair betoogd dat de verklaringen van de getuige [getuige 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat tijdens het verhoor van deze getuige bij de rechtercommissaris het ondervragingsrecht van de verdediging dusdanig is ingeperkt dat sprake is van een inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces ex artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat:
- a)de rechter-commissaris niet de bevoegdheid had om het stellen van bepaalde vragen door de verdediging te beletten,
- b)de rechter-commissaris de vragen van de verdediging niet had mogen beletten omdat deze vragen ertoe strekten informatie te verkrijgen die van belang was voor de waardering van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige. In het geval dat de verklaringen van [getuige 2] wel door de rechtbank voor het bewijs worden gebruikt verzoekt de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld de belette vragen alsnog aan de getuige te stellen.De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. De beslissing van de rechter-commissaris In het proces-verbaal van 14 september 2023 heeft de rechter-commissaris haar beslissing tot het beletten van bepaalde vragen van de verdediging aan te verhoren getuigen als volgt gemotiveerd: “Inleidende vragen over voorbereiding op het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris zal de rechter-commissaris toestaan. Inhoudelijke vragen over de verhoren van de getuige bij de politie die in het dossier zitten zal zij eveneens toestaan. Vragen over sfeer van verhoor/contacten, duur, waar het plaatsvond, wie erbij aanwezig waren etc. zal de rechter-commissaris beletten. Ook de volgende vragen zal zij beletten: of een getuige zich vrij voelt om te verklaren, hoe vaak een getuige met de politie heeft gesproken (en vervolgvragen daarover: hoe die gesprekken verliepen, waar en hoe deze plaatsvonden, wie daarbij aanwezig waren etc.) en of er door politie of justitie afspraken met een getuige zijn gemaakt (over bijvoorbeeld beveiliging, de wijze van verhoren, tipgeld en/of anonimiteit), of vragen van die aard of strekking. De rechter-commissaris overweegt dat het haar taak is om uiterste voorzichtigheid te betrachten in verband met de bedreigde getuige. Zij is van oordeel dat het laten stellen van de voornoemde vragen al gevolgen zou kunnen hebben voor de bedreigde getuige. Met de officieren van justitie is zij van oordeel dat een getuige door mimiek of snel antwoord geven namelijk al iets kan prijsgeven waardoor de bedreigde getuige in gevaar kan komen . Om die reden zal de rechter-commissaris op voorhand het stellen van voornoemde vragen beletten. Zij verzoekt de raadslieden voorafgaand aan een getuigenverhoor, vragen aan haar te overleggen zodat zij deze op voorhand kan beoordelen. De rechter-commissaris zal per getuige in een proces-verbaal van bevindingen vastleggen welke vragen zij op voorhand heeft belet.” In het proces-verbaal van 23 oktober 2023 heeft de rechter-commissaris melding gemaakt van haar beslissing tot het (op voorhand) beletten van bepaalde vragen van de verdediging aan specifiek de getuige [getuige 2] in verband met de bescherming van de bedreigde getuige. ad a): Bevoegdheid tot het beletten van bepaalde vragen Op grond van artikel 187b, eerste lid, Sv kan – voor zover hier van belang – de rechtercommissaris ambtshalve beletten dat aan enige vraag door de verdachte of diens raadsman gedaan, gevolg wordt gegeven. Hoewel in artikel 187b, eerste lid, Sv staat dat de rechter-commissaris kan beletten dat ‘aan een vraag gevolg wordt gegeven’ volgt de rechtbank de verdediging niet in haar standpunt dat de rechter-commissaris niet de bevoegdheid had om ‘het stellen van bepaalde vragen’ (op voorhand) te beletten. De rechtbank is van oordeel dat de opvatting van de verdediging een te formalistische benadering oplevert van de wettelijke bevoegdheden van de rechtercommissaris, die geen recht doet aan de omstandigheden in de onderhavige zaak. Uit voornoemd proces-verbaal van 23 oktober 2023 blijkt dat de verdediging de vragen die zij aan de getuige [getuige 2] wenste te stellen voorafgaand aan het verhoor aan de rechtercommissaris heeft voorgelegd. De beoordeling van de vragen door de rechtercommissaris heeft hierdoor op voorhand kunnen plaatsvinden en niet pas nadat de verdediging de vragen feitelijk aan de getuige had gesteld. Een gang van zaken waarbij de rechter-commissaris telkens zou toestaan dat de verdediging de vraag aan de getuige stelt, maar vervolgens direct de getuige belet om op die vraag antwoord te geven, is naar het oordeel van de rechtbank een nutteloze exercitie die geen enkel redelijk doel dient. Daar komt bij dat een dergelijke gang van zaken het risico met zich brengt dat de getuige na het stellen van de vraag al antwoord geeft – zij het verbaal of non-verbaal – voordat de rechtercommissaris kans ziet dit te beletten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de rechter-commissaris niet slechts kon beletten dat door de getuige gevolg werd gegeven aan een (gestelde) vraag, maar ook de bevoegdheid had om op voorhand het stellen van bepaalde vragen door de verdediging te beletten. Mogelijkheid van dubbeltelling De rechtbank begrijpt de motivering van de rechter-commissaris zo dat bepaalde vragen zijn belet om te voorkomen dat de identiteit van de anonieme bedreigde getuige (hierna: getuige X) bekend zou (kunnen) worden. De beslissing komt dus voort uit het idee dat door het stellen van de vragen aan ‘gewone’ getuigen de kans bestaat dat informatie over de identiteit van getuige X wordt achterhaald. Dit kan het geval zijn in de situatie dat getuige X óók onder eigen naam een verklaring heeft afgelegd. De rechtbank zal daarom eerst onderzoeken of in de onderhavige zaak sprake zou kunnen zijn van een (inhoudelijke) dubbeltelling van verklaringen en overweegt daartoe als volgt. In artikel 226c, eerste lid, Sv staat dat de rechter-commissaris zich voorafgaand aan het verhoor van een bedreigde getuige op de hoogte stelt van diens identiteit en in het procesverbaal vermeldt dit te hebben gedaan. De rechtbank stelt vast dat in de wet geen regels of voorschriften zijn opgenomen omtrent het vermijden van dubbeltelling. Uit de wetgeschiedenis (Kamerstukken II 1992/93, 22483, 6, p. 22) en de literatuur (Corstens, Borgers & Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht 2021/X.9) komt wel naar voren dat de rechter-commissaris door middel van de controle ex artikel 226c Sv dient te voorkomen dat een getuige die reeds op eigen naam in het procesdossier voorkomt, nogmaals, maar nu anoniem, een verklaring aflegt. Hiermee wordt vermeden dat ten onrechte de indruk ontstaat dat het om twee verschillende getuigen gaat. Redelijke wetsuitleg brengt dan ook mee dat de rechter-commissaris in ieder geval in het proces-verbaal melding maakt te hebben getoetst dat van dubbeltelling geen sprake is. De rechtbank kan op basis van de stukken in het onderhavige dossier niet met zekerheid vaststellen dat de rechter-commissaris voorafgaand aan het verhoor van de bedreigde getuige heeft getoetst dat van dubbeltelling geen sprake is. Dat een dergelijke controle is uitgevoerd (en wat het resultaat hiervan was), staat niet expliciet vermeld in de door de rechtercommissaris opgemaakte processen-verbaal. De rechter-commissaris heeft in haar proces-verbaal van 12 oktober 2022 (statusverhoor) volstaan met de mededeling dat zij zich op de hoogte heeft gesteld van de identiteit van de persoon. Ook uit andere stukken in het dossier volgt niet dat is gecontroleerd of van dubbeltelling sprake is. In de jurisprudentie heeft de rechtbank uitspraken gelezen waarin het vraagstuk van dubbeltelling aan de orde is gekomen. In die gevallen kon dubbeltelling worden uitgesloten op grond van (nader toegevoegde) processtukken. In de onderhavige zaak beschikt de rechtbank echter niet over bijvoorbeeld een nadere toelichting van (het kabinet van) de rechter-commissaris met betrekking tot de (standaard)procedure in dergelijke getuigentrajecten noch over een aantekening van de rechter-commissaris in het proces-verbaal van het verhoor dat zich in het procesdossier geen verklaring op naam van de anonieme getuige bevindt. Verder is van belang dat in deze zaak alle betrokkenen – de zaaksrechter-commissaris, de zaaksofficieren van justitie, de verdediging en de officier van justitie van het Team Beschermde Getuigen – rekening houden met de mogelijkheid dat er sprake zou kunnen zijn van een (inhoudelijke) dubbeltelling van verklaringen. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat in de onderhavige zaak niet kan worden uitgesloten dat sprake is van dubbeltelling. Dit betekent dat de rechter-commissaris er terecht rekening mee heeft gehouden dat door het stellen van bepaalde vragen aan ‘gewone’ getuigen’, informatie kon worden achterhaald over de identiteit van getuige X. De rechter-commissaris heeft tijdens de getuigenverhoren dus terecht voorzichtigheid betracht. Bewijsrechtelijke toelaatbaarheid van de verklaring van getuige XDe rechtbank is van oordeel dat het niet kunnen uitsluiten van dubbeltelling gevolgen heeft voor de bewijsrechtelijke toelaatbaarheid van de verklaring van getuige X. In geval van dubbeltelling kunnen de strafvorderlijke bewijsminimaregels worden omzeild en wordt de toetsing van de betrouwbaarheid gefrustreerd, omdat discrepanties tussen beide verklaringen niet ter discussie kunnen komen . Dit zijn bezwaren die voor de rechtbank zwaar wegen, gezien de handicaps waarmee de verdediging bij dergelijke verklaringen te maken heeft en de bijzondere motiveringsplicht die de wet (artikel 360 Sv) voorschrijft bij het gebruik daarvan als bewijsmiddel. De rechtbank zal om die reden de verklaring van getuige X niet voor het bewijs gebruiken. ad b): Gegronde reden voor het beletten van bepaalde vragen De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de bescherming van getuige X een gegronde reden is voor het beletten van de vragen aan ‘gewone’ getuigen. Artikel 187b Sv stelt geen eisen aan de vragen die de rechter-commissaris mag beletten. Met artikel 187b, eerste lid, Sv is voor de rechter-commissaris een gelijke voorziening getroffen als voor de zittingsrechter geldt op grond van artikel 293, eerste lid, Sv. Laatstgenoemd artikel heeft tot doel te voorkomen dat een getuige moet antwoorden op vragen die overbodig zijn, hem nadeel kunnen berokkenen of waardoor diens goede naam wordt aangetast en is van belang bij getuigen wier (beperkte) anonimiteit dient te worden gewaarborgd. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande niet alleen van toepassing is op de getuige die op dat moment wordt verhoord, maar ook op andere getuigen die in de strafzaak een rol spelen. Ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat het voorkomen van de onthulling van de identiteit van een anonieme getuige en de daarmee samenhangende veiligheidsrisico’s voor die getuige redenen kunnen zijn om bepaalde vragen aan (andere) getuigen te beletten. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de rechter-commissaris de vragen van de verdediging aan ‘gewone’ getuigen heeft mogen beletten met het oog op de bescherming van getuige X. Nu de rechter-commissaris de vragen heeft belet ter waarborging van de anonimiteit van de bedreigde getuige, bestond er geen ruimte voor een verdere (inhoudelijke) beoordeling van de vraag, in die zin of deze vraag van belang kon zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. Gebruik van de verklaringen voor het bewijs De rechtbank volgt de verdediging niet in haar standpunt dat door het beletten van de vragen het ondervragingsrecht dusdanig is ingeperkt dat sprake is van een (ontoelaatbare) inbreuk op het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat het beletten van de vragen door de rechter-commissaris niet tot gevolg heeft dat de verdediging geen voldoende behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van de getuige heeft gehad. Van een significante inperking van het ondervragingsrecht is in dit geval geen sprake. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen enerzijds de aard van de vragen die door de rechtercommissaris zijn belet en anderzijds de mogelijkheden die de verdediging wél heeft gehad om de getuige te bevragen op de belastende onderdelen uit diens verklaring en de mate waarin de getuige de vragen heeft beantwoord. Dat er tijdens de ondervraging van de getuige bepaalde vragen zijn belet, heeft daarom niet tot gevolg dat de verklaringen van de getuige niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De rechtbank acht de verklaringen van de getuige [getuige 2] wel bruikbaar voor het bewijs. Het verweer van de verdediging tot bewijsuitsluiting wegens onbetrouwbaarheid van de verklaringen zal bij de inhoudelijke bespreking van de verklaring van de getuige worden beoordeeld. Voorwaardelijk verzoek Nu de rechtbank de verklaringen van de getuige [getuige 2] wel bruikbaar acht voor het bewijs, is de aan het subsidiaire verzoek verbonden voorwaarde voldaan. De rechtbank wijst – onder verwijzing naar bovenstaande overwegingen die kort samengevat inhouden dat de rechtercommissaris mocht beletten dat bepaalde vragen aan [getuige 2] werden gesteld – het verzoek af. 4.3.2.2 Bewijsoverweging Door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. Op 9 augustus 2020 omstreeks 15:45 uur heeft er een gewapende overval plaatsgevonden op een tankstation in Nieuwe Niedorp. De overvallers hebben daarbij de medewerker van het tankstation bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en er zijn geld en sigaretten weggenomen. De overval op het tankstation is gepleegd door vier mannen. De vier mannen kwamen vanuit de richting van de rotonde aanrijden in een personenauto van het merk Opel voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Deze auto is op 4 augustus 2020 gestolen in Obdam en is ook gebruikt bij de woningoverval in De Goorn, die een dag voor de overval op het tankstation heeft plaatsgevonden. De auto reed met opvallend hoge snelheid in de richting van de ingang van de winkel. Voordat de auto volledig tot stilstand was gebracht, werd de deur aan de passagierszijde geopend. Drie mannen stapten één voor één uit de auto en gingen achter elkaar aan de winkel van het tankstation binnen. Zij droegen allen gezichtsbedekking. Eén man bleef in de auto achter het stuur zitten. Hij droeg ook gezichtsbedekking en had een lichte huidskleur. De drie mannen renden direct naar de medewerker die achter de balie stond. De mannen zeiden op harde toon tegen de medewerker dat hij de kassa moest openmaken. Nadat de medewerker de kassa had geopend, pakte de eerste man (hierna: overvaller 1) geld uit de lade. De tweede man (hierna: overvaller 2) voegde zich bij overvaller 1 achter de balie en richtte een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de medewerker. Overvaller 2 droeg een trainingsbroek. Tegen de medewerker werd op harde toon gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen. De medewerker hield zijn handen omhoog en bewoog zich naar de grond. Ook overvaller 2 haalde geld uit de kassa. De derde man (hierna: overvaller 3) vroeg de medewerker naar de kluis. Overvaller 3 droeg een vest of jas met op de achterkant een afbeelding van een doodshoofd met daaronder in witte letters geschreven “Philipp Plein”. Overvallers 1 en 2 liepen door naar het magazijn. In het magazijn stond overvaller 1 bij de Marlboro sigaretten met een volle plastic tas in zijn hand, waaruit een slof sigaretten stak. Overvaller 2 richtte weer het (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de medewerker die op de grond moest gaan liggen. Overvaller 1 sloeg bij vertrek met een slof sigaretten op het hoofd van de medewerker. Overvaller 2 droeg een (met geld gevulde) geldcassette. De overvallers verlieten de winkel en stapten in de auto die klaar stond, waarna de chauffeur met hoge snelheid wegreed. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte één van de vier overvallers is geweest. Verklaring van [medeverdachte 6] [medeverdachte 6] heeft bekend dat hij één van de vier overvallers op het tankstation is geweest. [medeverdachte 6] heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over de wijze waarop het tankstation is overvallen en met wie hij de overval heeft gepleegd. De rechtbank vat de verklaringen van [medeverdachte 6] zo samen dat hij de overval op het tankstation heeft gepleegd met [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] was de bestuurder van de auto. [medeverdachte 6] ging met [verdachte] en [medeverdachte 4] de winkel van het tankstation binnen. [medeverdachte 6] heeft zichzelf op de camerabeelden aangewezen als de man met de trui van het merk Philipp Plein met op de achterkant een afbeelding van een doodshoofd (overvaller 3). [medeverdachte 4] droeg de trainingsbroek (overvaller 2). [verdachte] was overvaller 1, aldus [medeverdachte 6] . Na de overval hebben de verdachten bij eetgelegenheid [bedrijf] in Opmeer de kassalades opengemaakt en de buit onder hen verdeeld. Vervolgens zijn zij allen teruggekeerd in de woning van [verdachte] , waar de pakjes sigaretten zijn “uitgehaald”. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 6] bij de politie aanvankelijk niet heeft verklaard over de identiteit van de vierde man met wie hij de overval heeft gepleegd. Op 9 oktober 2023 heeft [medeverdachte 6] bij de rechter-commissaris alsnog een verklaring afgelegd over de identiteit van deze man. [medeverdachte 6] was ten tijde van dit verhoor reeds onherroepelijk veroordeeld voor de overval op het tankstation, waardoor hij zich niet (langer) op het verschoningsrecht kon beroepen. [medeverdachte 6] heeft – als beëdigd getuige – verklaard dat de vierde man klein was en dat hij hem zonder bivakmuts heeft gezien in de woning van [verdachte] . Na het tonen van een foto van [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 6] stellig verklaard dat hij ( [medeverdachte 4] ) degene was die samen met hen in de auto zat. De rechtbank begrijpt de verklaring van [medeverdachte 6] dus zo dat [medeverdachte 4] de vierde man was met wie hij de overval heeft gepleegd. Op de vraag waarom hij eerder alleen [verdachte] en [medeverdachte 3] noemde en pas bij de rechter-commissaris over de betrokkenheid van [medeverdachte 4] heeft verklaard, heeft [medeverdachte 6] geantwoord: “ik ben bang voor die mensen” en “op dit moment bescherm ik liever mezelf dan hem”. De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat [medeverdachte 6] pas later de naam van [medeverdachte 4] heeft genoemd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Ook anderszins ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 6] . De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 6] dan ook geloofwaardig en betrouwbaar. Verklaring van de getuige [getuige 2] De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van de getuige [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat zij op belangrijke onderdelen inconsistent heeft verklaard. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank vat de verklaringen die [getuige 2] aflegde bij de politie over deze overval als volgt samen. [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] hebben het tankstation overvallen. [medeverdachte 3] was de bestuurder van de auto. [getuige 2] heeft de andere verdachten herkend op de camerabeelden van de overval. [getuige 2] heeft [verdachte] herkend als de man die als eerste bij de kassa stond (overvaller 1), [medeverdachte 4] als de man met het vuurwapen (overvaller 2) en [medeverdachte 6] als de man met de trui met een afbeelding van een doodshoofd op de rug (overvaller 3). Toen [getuige 2] die avond – de dag van haar moeders verjaardag – thuiskwam in de woning van [verdachte] , waren de vier verdachten daar ook. [getuige 2] zat erbij toen zij de berichtgeving over de overval bekeken en (met elkaar) bespraken dat zij zichzelf daarop herkenden. De rechtbank acht de verklaring van [getuige 2] – voor zover deze voor het bewijs wordt gebruikt – betrouwbaar, omdat deze voldoende gedetailleerd en concreet is en op essentiële onderdelen steun vindt in de (betrouwbaar geachte) verklaring van [medeverdachte 6] . De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 6] en [getuige 2] gelijkluidend hebben verklaard over de identiteit en de rol van de betrokken personen bij de overval en elkaar om die reden in relevante mate (over en weer) ondersteunen. Ook over andere wezenlijke onderdelen hebben zij eenduidig verklaard. Zo hebben zij beiden verklaard dat [medeverdachte 6] tijdens de overval een trui droeg die van [verdachte] was, dat na de overval alle verdachten (uiteindelijk) zijn teruggekeerd in de woning van [verdachte] en dat daar toen allemaal pakjes sigaretten lagen. De verklaring van [getuige 2] vindt tevens steun in objectief bewijsmateriaal, namelijk in de historische verkeersgegevens van telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Daaruit blijkt dat hun mobiele telefoons die avond een zendmast hebben aangestraald die dekking geeft aan de woning van [verdachte] . De rechtbank heeft oog voor het feit dat [getuige 2] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [verdachte] degene was die het vuurwapen vasthield. De rechtbank acht deze inconsistentie in haar verklaring echter niet onverklaarbaar, nu [getuige 2] tijdens de verhoren bij de politie telkens haar herkenningen heeft uitgesproken na het bekijken van de bewegende beelden van de overval (eerste verhoor) dan wel de stills van die beelden (tweede verhoor). Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris – ongeveer één jaar na de verhoren bij de politie – heeft [getuige 2] enkel vanuit haar herinnering geantwoord, zonder dat haar daarbij film- en/of fotomateriaal is voorgehouden. [getuige 2] heeft wel nogmaals bevestigd dát [verdachte] en [medeverdachte 4] beiden betrokken waren bij de overval op tankstation. Voornoemde omstandigheid doet naar het oordeel van de rechtbank daarom op zichzelf geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die zij aflegde bij de politie. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de verklaring die [getuige 2] aflegde bij de politie voor het bewijs gebruiken. Conclusie ten aanzien van het bewijs De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen tot de conclusie dat de verdachte één van de vier overvallers is geweest van de overval op het tankstation. Hij is overvaller 1, de overvaller die als eerste bij de kassa stond. Medeplegen Uit de verklaring van [medeverdachte 6] volgt dat hij in de woning van [verdachte] al instructies kreeg ten aanzien van de uitvoering van de overval (“we gaan die tankstation” en “jij gaat achter de kassa sigaretten pakken”). De verdachten droegen (
- al)een bivakmuts op het moment dat zij in de auto zaten en naar het tankstation reden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachten voorafgaand aan de autorit overleg met elkaar hebben gehad en afspraken hebben gemaakt over het plegen van een overval. De rechtbank stelt dan ook vast dat sprake was van een vooraf voor alle verdachten duidelijk plan om het tankstation te overvallen en van een gezamenlijke uitvoering van dat plan. De verdachte was na de overval aanwezig bij het openbreken van de kassalades in eetgelegenheid [bedrijf] en hij heeft gedeeld in de buit. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. De rechtbank acht dus het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld wettig en overtuigend bewezen. 4.3.2.3 Vrijspraak van medeplegen van afpersing Uit het bewijs volgt dat geld en sigaretten zijn weggenomen. Niet gebleken is dat de medewerker van het tankstation door (bedreiging met) geweld is gedwongen om geld of goederen af te geven aan de daders. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van (het medeplegen van) afpersing. 4.3.3 Zaaksdossier Millet Zaaksdossier Millet gaat over een woningoverval in Dreumel op 30 december 2020. Naast de verdachte zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] als verdachten van deze overval aangemerkt. 4.3.3.1 Bewijsoverweging Door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. Verklaringen van de aangevers [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] Op 30 december 2020 heeft ‘s nachts een gewapende overval plaatsgevonden in een woning aan de [adres 4] in Dreumel (Gelderland). De bewoners lagen te slapen toen vier mannen hun slaapkamer betraden. De mannen droegen allen gezichtsmaskers en handschoenen. Twee mannen hadden een vuurwapen vast en richtten deze op de aangevers. Eén man dreigde met een hamer te slaan en een ander was in het bezit van een luchtbuks, die aangever [slachtoffer 6] herkende als de zijne. De mannen riepen telkens om geld. De mannen bonden de handen en de voeten van de aangevers vast met tiewraps. Aangever [slachtoffer 6] kreeg meermaals een vuurwapen tegen het hoofd gezet. Aangeefster [slachtoffer 7] werd aan haar haren van het bed getrokken en kreeg twee klappen in haar gezicht. De gehele woning werd overhoop gehaald en er is een ravage achtergelaten. Uiteindelijk werd – onder meer – een geldbedrag, een portemonnee, sieraden en een Audi A8 voorzien van het kenteken [kenteken 2] weggenomen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte (als medepleger) betrokken is geweest bij deze overval. DNA-match [verdachte] op tiewrap Tijdens het forensisch onderzoek zijn op het bed meerdere aan elkaar verbonden tiewraps aangetroffen. De tiewraps zijn bemonsterd op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA. Uit de bemonstering van een van deze tiewraps (het deel tussen het uiteinde en het slotje) is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen, waaruit een DNA-hoofdprofiel kon worden afgeleid. Het DNA-profiel van aangever [slachtoffer 6] komt overeen met dit hoofdprofiel. Daarnaast kon een DNA-nevenprofiel worden afgeleid. Het DNA van [verdachte] komt overeen met dit profiel. Het DNA-profiel uit de bemonstering is 13 miljoen keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – [verdachte] donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit – met inachtneming van het onderstaande en de rest van het dossier – dat [verdachte] donor is van het celmateriaal op het deel van de tiewrap tussen het uiteinde en het slotje. De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat het celmateriaal op de tiewrap geen daderspoor betreft. De verdediging heeft aangevoerd dat een tiewrap een makkelijk verplaatsbaar object is en dat sprake kan zijn van secundaire overdracht. De rechtbank is van oordeel dat het celmateriaal op de tiewrap niet met zekerheid als een zogenoemd daderspoor kan worden aangemerkt, in die zin dat de donor van dat celmateriaal de tiewrap tijdens de overval heeft gebruikt om de handen van aangever [slachtoffer 6] vast te binden. De rechtbank acht hierbij van belang dat alle overvallers tijdens de overval handschoenen droegen. Dit betekent echter niet dat de aanwezigheid van het celmateriaal op de tiewrap niet redengevend is voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte. Feit blijft immers dat celmateriaal van de verdachte is aangetroffen op een voorwerp dat is achtergebleven op de plaats van het delict. De rechtbank is van oordeel dat dit feit in beginsel een sterke aanwijzing oplevert dat de verdachte (fysiek) op de plaats van het delict aanwezig is geweest. De verdediging heeft slechts – in zeer algemene bewoordingen – de theoretische mogelijkheid van secundaire overdracht opgeworpen. De verdachte heeft ter terechtzitting niet meer verklaard dan dat zijn celmateriaal mogelijk via omgang met andere personen op de tiewrap terecht is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat de enkele suggestie van secundaire overdracht – bij gebrek aan enige concretisering en onderbouwing en mede in het licht bezien van de overige bewijsmiddelen – onvoldoende is om de sterke aanwijzing voor betrokkenheid van de verdachte te ontzenuwen. Ook anderszins is een alternatief scenario niet aannemelijk geworden. Route weggenomen Audi A8 met kenteken [kenteken 2] Op camerabeelden gemaakt op het terrein van de aangevers is te zien dat op 30 december 2020 omstreeks 02:36 uur de koplampen aangaan van een personenauto van het merk Audi die op het terrein staat geparkeerd en dat het portier aan de bestuurderszijde open staat. Vervolgens lopen drie personen in de richting van het voertuig. Eén van hen draagt twee boodschappentassen. De drie personen nemen plaats in het voertuig, waarna deze omstreeks 02:37 uur wegrijdt. De rechtbank begrijpt dat dit de Audi A8 van de aangevers voorzien van het kenteken [kenteken 2] betreft. Het kenteken [kenteken 2] is later die nacht twee keer vastgelegd door een ANPR-camera. Hieruit blijkt dat de Audi A8 zich om 03:26 uur bevond op de A27 ter hoogte van Nieuwegein en vervolgens om 03:47 uur op de kruising van de N702 met de Polderdreef in Almere-Buiten. Uit de ANPR-gegevens blijkt dat die nacht om 03:47 uur – tegelijkertijd met de Audi A8 van de aangevers – het kenteken [kenteken 3] is vastgelegd door de ANPR-camera op de kruising van de N702 met de Polderdreef in Almere-Buiten. Op de ANPR-foto is te zien dat het kenteken op de achterzijde van een personenauto is bevestigd, terwijl dat kenteken hoort bij een camper. De politie heeft de auto op de ANPR-foto herkend als een Audi A8 of S8. Het kenteken [kenteken 3] blijkt eerder die nacht om 03:18 uur door een ANPR-camera te zijn vastgelegd op de A15 ter hoogte van Deil Oost (Gelderland). Uit raadpleging van Google Maps volgt dat dit punt ligt op een van de rijroutes vanaf Dreumel in de richting van de A2. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat (in ieder geval) drie van de overvallers in de Audi A8 van de aangevers zijn weggereden van de plaats van het delict. Naast de weggenomen Audi A8 is er nog een tweede auto – een Audi A8 of S8 met valse kentekenplaten met het kenteken [kenteken 3] – betrokken geweest bij de woningoverval in Dreumel. De voertuigen zijn – uiteindelijk – samengekomen in Almere-Buiten. Link tussen de overval en [medeverdachte 3] Uit het dossier blijkt dat de aangevers (goede) bekenden zijn van de vader van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] is in het verleden meermaals bij de woning van de aangevers in Dreumel geweest. Uit de politiesystemen blijkt dat [medeverdachte 3] vanaf 12 december 2020 een Audi A8, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , op zijn naam heeft staan. Op 23 december 2020 werd [medeverdachte 3] als bestuurder van deze auto door de politie gecontroleerd. Op 15 december 2020 heeft de politie onder een persoon genaamd [naam 4] – een bekende van [medeverdachte 3] – een Volkswagen Transporter inbeslaggenomen. In dit voertuig werden twee kentekenplaten met het kenteken [kenteken 3] aangetroffen. De politie heeft de kentekenplaten toen niet inbeslaggenomen. [naam 4] is vervolgens door de politie in hechtenis genomen in verband met de tenuitvoerlegging van een openstaande vrijheidsstraf. Op 24 december 2020 heeft [medeverdachte 3] het voertuig met daarin de twee kentekenplaten met het kenteken [kenteken 3] opgehaald bij het beslaghuis. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [medeverdachte 3] (ongeveer) één week voor de overval de beschikking heeft gehad over zowel een voertuig van hetzelfde merk en type als de vluchtauto als de valse kentekenplaten die op de vluchtauto waren bevestigd. Zendmastgegevens van [medeverdachte 3] Uit het politieonderzoek is gebleken – en door de verdediging niet betwist – dat [medeverdachte 3] ten tijde van de overval de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Uit de historische verkeersgegevens van dat telefoonnummer blijkt dat de telefoon op 29 december 2020 van 20:54 uur tot 22:11 uur een zendmast heeft aangestraald die dekking geeft aan de woning van [verdachte] . Vervolgens heeft de telefoon een reisbeweging gemaakt naar Amsterdam. Van 23:23 uur tot 23:46 uur heeft de telefoon een zendmast aangestraald die (onder meer) staat gericht op de Bok de Korverweg en de [adres 9] in Amsterdam. Dit laatste adres betreft het adres waar [medeverdachte 2] ten tijde de overval woonachtig was. Hierna heeft de telefoon op 30 december 2020 om 00:52 uur een zendmast aangestraald in Lith (Gelderland). Tijdens de overval heeft de telefoon geen verbindingen geregistreerd. De telefoon heeft om 03:24 uur een zendmast aangestraald in Vianen en vervolgens om 03:52 uur in Almere. Beide zendmastlocaties zijn naar voren gekomen in de netwerkmeting uitgevoerd op de route Dreumel-Almere. Van 04:43 uur tot 04:58 uur heeft de telefoon een zendmast aangestraald in Lelystad. Vanaf 06:45 uur heeft de telefoon contact gemaakt met zendmasten in de regio West-Friesland. De rechtbank stelt op basis van de zendmastgegevens vast dat [medeverdachte 3] zich op 30 december 2020 om 00:52 uur – kort voor de overval – in de nabije omgeving van Dreumel (Gelderland) heeft bevonden, terwijl hij woonachtig is in West-Friesland (NoordHolland). De verbindingen om 03:24 uur in Vianen en 03:52 uur in Almere passen qua tijdstip en locatie bij de twee ANPR-registraties van de weggenomen Audi A8. De vader van [medeverdachte 3] heeft een autobedrijf aan de [adres 10] in Almere, gelegen op het industrieterrein De Vaart. De eerdergenoemde N702 is een aanrijroute naar dit industrieterrein. De verbindingen van 04:43 uur tot 04:58 uur in Lelystad sluiten aan bij de locatie – een vaart in Lelystad – waar de portemonnee van de aangeefster enige tijd na de overval is teruggevonden. Algemene overweging over de interpretatie van chatberichten De politie heeft onderzoek gedaan naar verschillende telefoons die onder de verdachte en onder de medeverdachten in beslag zijn genomen. De politie heeft uit het telefoontoestel van [medeverdachte 2] een groot aantal chatberichten uit de applicatie WhatsApp veiliggesteld. Een deel van de berichten was verwijderd van de telefoon. De politie heeft de verwijderde berichten kunnen herstellen, maar hierbij is wel de woordvolgorde ‘gescrambled’ (verwisseld). Niet betwist is dat de verdachte de door de politie aan hem toegeschreven chatberichten heeft verstuurd. De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de chatberichten gaan over (de voorbereiding en/of afhandeling van) de ten laste gelegde overval. Over de interpretatie van de chatberichten merkt de rechtbank in algemene zin het volgende op. De rechtbank kan meestal niet zonder meer aannemen dat geschreven chatberichten over bepaalde strafbare gedragingen gaan, als dat door de betrokkenen wordt ontkend. Dat kan alleen dan, als die gesprekken maar voor één uitleg vatbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdachte daarin zelf met zoveel woorden zegt dat hij die strafbare gedragingen heeft gepleegd. Als dat niet zo is, zijn die gesprekken dus voor meerdere uitleg vatbaar. Dat hoeft die gesprekken niet onbruikbaar te maken voor het bewijs, maar wel moet de rechtbank dan voorzichtig zijn bij het geven van een interpretatie van die gesprekken. Die voorzichtigheid brengt mee dat goed moet worden gekeken naar de inhoud en het onderling verband van die gesprekken en naar het verband met andere bewijsmiddelen. Bij dat onderzoek kan ook van belang zijn wat over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken ter sprake komen , nog meer is gebleken. Bijvoorbeeld als is gebleken dat zij op de één of andere manier bij het strafbare feit betrokken zijn, kan dat meewegen bij de interpretatie van de gesprekken. Verder kan het feit dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht ten aanzien van de betekenis van de chatberichten soms – afhankelijk van hoeveel bewijs er tegen hem in het dossier zit – in zijn nadeel werken. Dat kan ook zo zijn als hij een verklaring over de gesprekken aflegt die niet te verifiëren is. Geen aannemelijke verklaring voor de chatberichten van de verdachte(
- n)De rechtbank stelt vast dat de verdachte zowel tijdens de verhoren bij de politie als de behandeling ter terechtzitting is geconfronteerd met de chatberichten in het dossier en de uitleg die de politie daaraan heeft gegeven. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de chatgesprekken gingen over de oogst dan wel de verkoop van hennep (wiet). De rechtbank concludeert – bij gebrek aan enige concretisering en onderbouwing en mede in het licht bezien van de overige bewijsmiddelen – dat de verdachte hiermee geen aannemelijke verklaring voor of uitleg aan de inhoud en strekking van de door hem gevoerde chatgesprekken heeft gegeven. Ook de medeverdachten zijn met deze berichten geconfronteerd, maar hebben geen enigszins aannemelijke interpretatie van de chatberichten geboden. De rechtbank zal hierna de relevante chatgesprekken uit het dossier bespreken. Chatberichten over de aankoop van de Audi A8 Op 4, 11 en 13 december 2020 bespreken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met elkaar de aankoop van twee voertuigen. Op 4 december 2020 zegt [medeverdachte 2] dat een auto (“bak”) moet worden geregeld (“fixen”) en dat ze dan kunnen gaan “happen”. Op 11 december 2020 laat [medeverdachte 3] weten dat hij een A8 kan ophalen voor € 3.000,00 (“3k”). [medeverdachte 2] zegt even later dat hij “bang” heeft gesproken die met “denna” was en dat het een goede prijs (“goeie”) is. [medeverdachte 3] schrijft “laat ze daarom wat regelen”, waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat hij “bang” heeft gezegd “opschieten”. Op 13 december 2020 schrijft [medeverdachte 3] “die gaat nu naar m’n vader” en hij laat weten op een (andere) auto een aanbetaling te hebben gedaan, maar nog steeds een geldbedrag mist van “bang”. [medeverdachte 2] schrijft “we gaat dat regelen met die snotaap”. [medeverdachte 3] antwoordt “ja want dan hebben we 7 serie en a8”. [medeverdachte 2] zegt “we hadden nu gewoon twee waggie” en “gaan we het allemaal van hem afhalen”. De rechtbank merkt hierbij op dat “bang” een bijnaam van [verdachte] is en dat [medeverdachte 4] ook wel “Denna” wordt genoemd. De rechtbank leidt uit de inhoud van de gesprekken – bezien in de context van de rest van het dossier – af dat wordt gesproken over de aankoop van de Audi A8 en de BMW 735i (7 serie) die respectievelijk vanaf 12 december 2020 en 21 december 2020 op naam van [medeverdachte 3] hebben gestaan. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] initiërend en actief betrokken is geweest bij de aankoop van de twee voertuigen. De rechtbank begrijpt dat de afspraak was dat niet alleen [medeverdachte 3] de auto’s zou bekostigen, maar dat ook anderen hieraan zouden meebetalen. De auto’s waren niet alleen het eigendom van [medeverdachte 3] , zoals blijkt uit de gebezigde woordkeuze in de berichten (“we”). Die conclusie vindt steun in het chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 26 augustus 2021, waarin [medeverdachte 4] zegt – althans, zo begrijpt de rechtbank het bericht – dat de Audi A8 op naam van [medeverdachte 3] “van ons allemaal is”. De Audi A8 is specifiek gekocht om mee te “happen”, wat volgens de verklaring van [medeverdachte 2] bij de politie betekent het proberen bij te verdienen (van geld). Chatberichten vóór de overval Op 21 december 2020 vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] of iedereen klaar (“ready”) is voor volgende week (“next week”) en zegt hij dat hij “honger” heeft. [medeverdachte 3] antwoordt “ik ook”. Op 22 december 2020 laat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] weten dat [medeverdachte 3] (“crab”) “honger” heeft. [medeverdachte 4] antwoordt “jaa hij komt” en “die [voornaam 1] zit toch vast”. [medeverdachte 2] zegt “we vertrouwen op hem”, “ik weet het” en “had hij me gezegt”. Op 25 december 2020 schrijft [medeverdachte 2] naar [verdachte] dat maandag “aan” is, waarop [verdachte] antwoordt “zie je snel”. [verdachte] zegt “goede dingen”, wat [medeverdachte 2] bevestigt met dat hij “ready” is. [verdachte] zegt dan “nieuwe wagie ook daar”. Op 28 december 2020 chat [medeverdachte 4] met zijn vriend [getuige 3] . De politie heeft dit gesprek aangetroffen op de telefoon van [getuige 3] . Omdat deze berichten niet waren verwijderd, heeft de politie de oorspronkelijke berichten – dus zonder dat de woordvolgorde is veranderd – veiliggesteld. [getuige 3] schrijft dan “bigday”, waarop [medeverdachte 4] antwoordt “jaa we gaan in de avond” en “hoop goed daar”. Op 28 december 2020 schrijft [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] dat vandaag de “big day” is, wat [medeverdachte 3] bevestigt. Om 17:51 uur stuurt [medeverdachte 2] een locatie naar [medeverdachte 3] “bok de korverweg”, “grote parkeerplaats”. Om 18:52 uur zegt [medeverdachte 3] “morgen 100 procent”. De rechtbank leidt uit de inhoud van de gesprekken af dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 3] – in eerste instantie – op maandag 28 december 2020 met elkaar hebben afgesproken en dat deze afspraak in het teken stond van geld verdienen. De rechtbank begrijpt dat “honger hebben” het behoefte hebben aan geld betekent. Die interpretatie vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 2] bij de politie en in het feit dat [medeverdachte 2] de woorden “honger” en “happen” in één chatbericht gebruikt. De rechtbank begrijpt uit de chatberichten verder dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op de hoogte zijn van de detentie van [naam 4] en dat [verdachte] weet dat een nieuwe auto bij hun geplande afspraak aanwezig zal zijn. Uit het bericht van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] van 28 december 2020 (“morgen 100 procent”) leidt de rechtbank af dat de afspraak op 28 december 2020 niet is doorgegaan, maar is verplaatst naar een dag later. Dat blijkt ook uit de volgende berichten. Op 29 december 2020 schrijft [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] “vuurwerk vanavond”, wat [medeverdachte 2] bevestigt met “vanavond 100”. [medeverdachte 3] zegt “jackpot”. Om 17:19 uur kunnen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] “babous” niet bereiken. [medeverdachte 2] denkt dat hij misschien “bij zijn vrouwtje thuis” is. [medeverdachte 3] zegt dat “hij weet wat gaande is”. [medeverdachte 2] zegt “geen stress”. Om 21:07 uur laat [medeverdachte 2] weten dat hij nu naar Amsterdam gaat rijden. Om 23:05 uur geeft [medeverdachte 2] de locatie door “bok de korverweg”. Om 23:16 uur zegt [medeverdachte 3] “ben er”, waarop [medeverdachte 2] antwoordt “wacht effe op me ik ga nu komen ”. De rechtbank leidt hieruit af dat de afspraak op 29 december 2020 wel is doorgegaan. Chatberichten na de overval Op 30 december 2020 om 10:49 uur schrijft [medeverdachte 4] aan [getuige 3] “ben net ene uur terug maar lag er niet iedereen 2 kop per man” en “hij had het echt niet”. Om 18:20 uur stuurt [medeverdachte 4] een schermafbeelding van een chatgesprek met ‘Krpie’ ( [medeverdachte 3] ), waarin staat geschreven “ik moet zo met me pa naar die man dus niemand moet me appen tot gehoor van mij snap je”. [medeverdachte 4] schrijft “die man heeft vermoedens”. [getuige 3] vraagt “kende hij jullie”, waarop [medeverdachte 4] antwoordt “neee”. Op 30 december 2020 vanaf 18:34 uur probeert [medeverdachte 2] contact te leggen met zijn vriend [naam 3] . [medeverdachte 2] schrijft “die crabs heeft ons nodig man” en “we moeten deze man gaan helpen”. Op 30 december 2020 om 23:27 uur stuurt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] een locatie “aalbersestraat” en “lidl”, waarop [medeverdachte 3] om 23:31 uur antwoordt “ben er”. Op 2 januari 2021 om 14:34 uur laat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] weten dat de afspraak is om vanavond met zijn vader te gaan. [medeverdachte 2] zegt te willen bespreken “hoe we dit moeten aanpakken”. [medeverdachte 3] schrijft “ben ik op anpr gehit” en zegt “moet straks andere nummerborde klemmen”. [medeverdachte 2] zegt “doe dat” en “laat me weten”. Op 2 januari 2021 om 18:46 uur schrijft [medeverdachte 4] aan [getuige 3] “hele gedoe met deze torrie man”. Als [getuige 3] vraagt “hoezo”, antwoordt [medeverdachte 4] “Krabz ze vader is bedreigt met gannu” en “die vader van krabz zeg hij heeft daar ligge”. Interpretatie van de chatberichten Naar het oordeel van de rechtbank staat buiten kijf dat de chatberichten die zijn verzonden na de overval betrekking hebben op de woningoverval in Dreumel. Het berichtenverkeer sluit immers naadloos aan op wat zich na de overval heeft afgespeeld. Hiertoe overweegt de rechtbank dat aangever [slachtoffer 6] direct na de overval aan de politie ter plaatse heeft verteld dat hij vrijwel zeker wist wie één van de verdachten was. De volgende dag heeft aangever [slachtoffer 6] aan de politie laten weten dat dit vermoeden ziet op [medeverdachte 3] (“de zoon van [naam 5] ”). Aangever [slachtoffer 6] is in de avond van 30 december 2020 naar Noord-Holland gereden om zijn vermoeden met [naam 5] te bespreken en bij hun huisadres naar [medeverdachte 3] op zoek te gaan. Op 30 december 2020 om 21:56 uur vraagt [naam 5] via de chat aan [medeverdachte 3] om naar huis te komen , zodat zij samen naar aangever [slachtoffer 6] (“mijn naamgenoot”) kunnen gaan. [medeverdachte 3] antwoordt om 22:01 uur “morgen gaan we erheen”.De berichten van [medeverdachte 4] dat het “er niet lag” en “hij het echt niet had” passen bovendien bij de uitgesproken verwachting van de overvallers dat er een ton (€ 100.000,-) in de woning van de aangevers zou moeten liggen, maar dit niet het bedrag is dat uiteindelijk is weggenomen. In het verlengde hiervan komt de rechtbank – kijkend naar de inhoud en het onderling verband van de gesprekken en het verband met de overige bewijsmiddelen – tot de conclusie dat ook de chatberichten die de verdachten vóór de overval met elkaar hebben uitgewisseld, zoals hierboven beschreven, zien op (de voorbereiding van) de woningoverval in Dreumel. Hierbij weegt mee wat over de deelnemers aan de gesprekken nog meer bekend is geworden, zoals de reeds besproken DNA-match tussen de bemonstering van de tiewrap en het DNAprofiel van [verdachte] en de zendmastgegevens van [medeverdachte 3] . Verder weegt mee dat – zoals hiervoor in paragrafen 4.3.1.1 en 4.3.2.2 is overwogen – de verdachte enkele maanden eerder met (enkele van) de medeverdachten twee andere gewapende overvallen heeft gepleegd. Afreizen naar de plaats van het delict De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op 29 december 2020 is opgehaald door [medeverdachte 3] . De verdediging heeft de suggestie geopperd dat [medeverdachte 3] alleen bij de verdachte thuis was om benodigdheden (wapens en/of tiewraps) op te halen. De verdachte heeft hier zelf echter geen enkele verklaring over afgelegd. Het dossier bevat ook geen aanknopingspunten voor dit scenario. De rechtbank komt op basis van de bewijsmiddelen tot de conclusie dat de verdachte door [medeverdachte 3] is opgehaald en is meegereden naar de plaats van het delict. Conclusie ten aanzien van het bewijs De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat de verdachte het ten laste gelegde feit samen met de medeverdachten heeft gepleegd. Aan die conclusie draagt bij dat de verdachte voor geen van de bovenstaande feiten en omstandigheden een aannemelijke, ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Medeplegen Weliswaar kan niet exact worden vastgesteld wie tijdens de overval welke feitelijke handelingen heeft verricht, maar dit staat niet in de weg aan een bewezenverklaring van medeplegen. De chatgesprekken leveren bewijs dat de verdachten op voorhand met elkaar hebben afgesproken om de overval te plegen en daartoe de nodige voorbereidingen hebben getroffen. Er was dus sprake van een vooraf voor alle verdachten duidelijk plan en de verdachten hebben in die wetenschap gehandeld. De verdachte is samen met de medeverdachten vanuit Noord-Holland naar de plaats van het delict in Gelderland afgereisd. Na de overval zijn zij verspreid over twee voertuigen en met de buit weggereden. De verdachte heeft bovendien (op gelijke wijze) gedeeld in de buit (“iedereen 2 kop per man”). Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is van dusdanig gewicht geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen. De rechtbank acht daarmee het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld wettig en overtuigend bewezen. 4.3.3.2 Vrijspraak van medeplegen van afpersing Uit het bewijs volgt dat van de aangevers geld en een groot aantal goederen zijn weggenomen. Niet gebleken is dat zij door (bedreiging met) geweld zijn gedwongen om goederen af te geven aan de daders. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van (het medeplegen van) afpersing. 4.3.4 Zaaksdossier Zwenkau Een week na de overval in Dreumel wordt een woning overvallen in Avenhorn. Deze woningoverval op 7 januari 2021 heeft de onderzoeksnaam Zwenkau gekregen. Voor deze overval worden dezelfde vier verdachten vervolgd: de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. Verklaringen van de aangevers [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] In de nacht van 7 januari 2021 vond rond 01:30 uur in een woning aan [adres 5] in Avenhorn een gewapende woningoverval plaats, waarbij onder meer contant geld, een portemonnee met inhoud en autosleutels zijn weggenomen. Aangever [slachtoffer 8] is edelsmid van beroep en heeft een werkplaats aan huis. [slachtoffer 8] en zijn partner [slachtoffer 9] lagen te slapen toen drie mannen met bivakmutsen de woning betraden. Twee van de daders hadden een vuurwapen. [slachtoffer 8] heeft in zijn slaapkamer met de overvallers gevochten en is onder andere op zijn hoofd geslagen met een hard voorwerp. [slachtoffer 9] is haar partner komen helpen en heeft ook met de overvallers gevochten. Toen [slachtoffer 9] haar partner [slachtoffer 8] wilde helpen, is de derde overvaller die rechts naast het hoofdeinde van het bed stond, met een wapen op haar afgekomen. Hij heeft een vuurwapen tegen haar hals gedrukt en heeft geschoten. [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] zijn bij de overval gewond geraakt en naar het ziekenhuis gebracht. De daders zijn uiteindelijk in een auto weggereden. Letsel van aangeefster [slachtoffer 9] Gebleken is dat [slachtoffer 9] een groot gat in haar hals had en dat sprake was van een schotwond. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 9] tot op heden (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is en – onder meer – blijvende tinnitus heeft opgelopen, zodat de rechtbank vaststelt dat bij [slachtoffer 9] sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte een strafrechtelijke betrokkenheid heeft gehad als medepleger bij de ten laste gelegde woningoverval en de poging tot gekwalificeerde doodslag. Daarbij is het volgende relevant. Interpretatie van de chatberichten Uit het dossier en de bewijsmiddelen volgt dat er tussen de verdachte en de medeverdachten, en tussen de verdachten en anderen, berichten zijn uitgewisseld die verband lijken te houden met de woningoverval in Avenhorn. Door de verdediging is betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat deze chatberichten gaan over (de voorbereiding en/of afhandeling van) de ten laste gelegde overval. Aangevoerd is dat voorzichtig moet worden omgegaan met de interpretatie van de in het dossier aanwezige berichten. In dit verband verwijst de rechtbank allereerst naar hetgeen hiervoor inzake onderzoek Millet in het algemeen is opgemerkt over de interpretatie van chatberichten. Dit algemene kader is ook hier van toepassing. De rechtbank stelt ook met betrekking tot deze overval vast dat de verdachte zowel tijdens de verhoren bij de politie als de behandeling ter terechtzitting is geconfronteerd met de chatberichten in het dossier en de uitleg die de politie daaraan heeft gegeven. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat waar hij spreekt over gold of goldies dat hij spreekt over de in-/verkoop van hasj die ‘Ketama Gold’ wordt genoemd. De rechtbank concludeert – bij gebrek aan enige concretisering en verifieerbare onderbouwing en mede in het licht bezien van de overige bewijsmiddelen – dat de verdachte hiermee geen aannemelijke verklaring over of uitleg heeft gegeven aan de inhoud en strekking van door hem gevoerde chatgesprekken. Ook de medeverdachten hebben geen enigszins aannemelijke verklaring voor de chatgesprekken gegeven. De rechtbank zal hierna ingaan op de relevante berichten uit het dossier. Goud, Gol(d)(ies), Goudsmit Zoals gezegd is [slachtoffer 8] edelsmid van beroep en had hij een werkplaats aan huis, met een kluis met daarin zijn voorraad goud en zilver. Tussen de verschillende verdachten en ook met anderen worden er eind december 2020, begin januari 2021 berichten gewisseld, waarin gesproken wordt over goud, gol en goldies. Zo zegt [naam 6] (een bekende van de verdachten) tegen [medeverdachte 2] op 20 december 2020: “Morgen of overmorgen ga ik die ene” (…) “die Goud”. [medeverdachte 2] zegt dan “Is cool, check hem goed”. Op 23 december 2020 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 2] : “up ook niet wat goldies dan doen”. Op 3 januari 2021 zegt [medeverdachte 2] tegen [naam 3] : “Tamara gaan we die gol doen”. De rechtbank gaat ervan uit dat waar er in deze berichten wordt gesproken over ‘die Goud’, ‘Goldies’ en ‘Gol’, dat er dan wordt gesproken over ‘de goudsmid’, refererend aan het beroep van [slachtoffer 8] . Voor deze interpretatie is doorslaggevend dat [medeverdachte 4] op 6 januari 2021 expliciet de benaming goudsmid gebruikt. Hij zegt namelijk tegen [getuige 3] dat hij vanavond “een goeie torri heeft, bij goldies goudsmit in osso”. De rechtbank begrijpt dit bericht zo dat [medeverdachte 4] hier spreekt over een overval (torri) op een goudsmid in huis (in osso), welke overval dus ook daadwerkelijk die nacht heeft plaatsgevonden. De enkele niet nader onderbouwde en dus niet verifieerbare stelling van de verdachte dat deze chats over hasj gaan, wordt gelet hierop als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Vluchtauto Uit de bewijsmiddelen volgt dat op basis van onderzoek naar camerabeelden die zijn opgenomen in de omgeving van de plaats van het delict, de politie de vermoedelijke vluchtauto heeft geïdentificeerd. Uit onderzoek van de politie en navraag bij (twee ervaren medewerkers van) een BMW-dealer volgt dat de vluchtauto een BMW 7-serie van rond het bouwjaar 2000 betrof. Volgens RDW-gegevens had [medeverdachte 3] een dergelijke auto vanaf 21 december 2020 op zijn naam staan. Uit een vergelijking van de vluchtauto met de auto van [medeverdachte 3] , kan worden geconcludeerd dat dit dezelfde auto betreft. De rechtbank ziet steun voor die conclusie in de WhatsApp-berichten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] van 13 december 2020. De rechtbank heeft hiervoor in het onderzoek Millet overwogen dat deze berichten gaan over het aanbetalen en het inleggen van geld voor een BMW 7-serie en een Audi A8. Bij de woningoverval in het onderzoek Millet, waarbij de verdachte ook betrokken is geweest, was sprake van het gebruik van een Audi A8 als vluchtauto. In het onderhavige onderzoek is dus gebruik gemaakt van een BMW 7-serie, te weten de BMW van [medeverdachte 3] met kenteken [kenteken 5] . Op basis van deze gesprekken stelt de rechtbank vast dat in ieder geval [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] actief betrokken zijn geweest bij de aanschaf van de gebruikte vluchtauto. Ook gaat de rechtbank er op grond van de bewijsmiddelen van uit dat [medeverdachte 3] die avond de chauffeur is geweest van deze auto.[medeverdachte 2] in de nacht van 6 op 7 januari 2021 naar Noord-HollandUit in het dossier aanwezige ARS-gegevens is op te maken dat een voertuig (Audi A2) met kenteken [kenteken 6] , op 6 januari 2021 rond 23:40 uur (dus in de uren voorafgaand aan de overval in Avenhorn) over de N242, vanaf de Omval in Alkmaar in de richting van Heerhugowaard/Broek op Langedijk rijdt. Dit voertuig stond op naam van de moeder van [medeverdachte 2] , maar werd ook door hem gebruikt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [medeverdachte 2] die avond naar Noord-Holland is gekomen. Uit berichten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] van die avond tussen 19:40 uur en 20:00 uur leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 2] vraagt of hij hem kan ophalen. Als [medeverdachte 2] dan reageert dat dat lastig is, vraagt [medeverdachte 4] of [medeverdachte 2] hem daarna wel kan afzetten, omdat er dan geen bus meer rijdt. Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] van plan zijn om die avond samen iets te ondernemen. Dit kan ook worden afgeleid uit Telegram-berichten die zijn verzonden tussen [medeverdachte 2] en zijn ex-vrouw [naam 7] op 8 januari 2021. Uit deze berichten blijkt dat [naam 7] boos was op [medeverdachte 2] , omdat hij in de nacht van 7 januari 2021 weg is gegaan. [medeverdachte 2] zegt – onder meer – tegen [naam 7] : “Ma, ik heb gezegd ik ga iets doen maar het gaat niet laat worden” en “Ik heb je zelf sorry gezegd gisteren Ma”. [naam 7] reageert dan met: “Jij had tegen mij gezegd dat jij naar die kerels gaat. Jij had zelfs gezegd dat jij tegen ze gaat zeggen dat jouw kind alleen thuis is”. [medeverdachte 2] zegt dan: “ja daarom zijn we vroeg gegaan”. Ook hieruit volgt dat sprake was van een afspraak en een plan om iets te ondernemen. Daar komt bij dat [getuige 3] tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat [medeverdachte 4] hem heeft verteld over de overval in Avenhorn op een goudsmid, dat [medeverdachte 4] daarbij betrokken was, dat [medeverdachte 4] mee naar binnen is gegaan, dat er is geschoten en dat hij heeft gehoord dat er iemand in zijn vinger is gebeten. Deze verklaring van [getuige 3] wordt onderbouwd door chatgesprekken tussen [getuige 3] en [medeverdachte 4] uit die periode, zodat de rechtbank voorbij gaat aan de verklaring van [medeverdachte 4] dat [getuige 3] niet naar waarheid zou hebben verklaard. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 6 januari 2021 chatberichten hebben gestuurd over vervoer en het kunnen ophalen van [medeverdachte 4] , dat [medeverdachte 2] die avond naar Noord-Holland is gereden en dat [medeverdachte 4] bij de uitvoering van de overval een actieve rol had. DNA-match [verdachte] op schroevendraaier Na de overval is in de slaapkamer van [slachtoffer 8] naast het hoofdeinde van zijn bed, aan de rechterkant (gezien vanaf het voeteneinde), een schroevendraaier gevonden die niet van de bewoners was. Uit onderzoek is gebleken dat deze schroevendraaier is weggenomen bij de overval in onderzoek Millet, een week eerder (in de nacht van 30 december 2020 in Dreumel, Gelderland). De schroevendraaier is bemonsterd. Uit vergelijkend DNA-onderzoek aan de bemonstering van het heft van de schroevendraaier volgt dat een relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig kan zijn van [slachtoffer 8] , en dat een relatief kleine hoeveelheid DNA van [slachtoffer 7] (slachtoffer onderzoek Millet) en van [verdachte] afkomstig kan zijn. Voor bemonstering van het gehele heft rondom is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Het verkregen DNA-mengprofiel van deze bemonstering kan verklaard worden door een bijdrage van DNA van zowel drie als vier personen. De berekening van de bewijskracht is daarom zowel uitgevoerd onder de aanname dat er drie, als onder de aanname dat er vier niet-verwante personen DNA hebben bijgedragen aan deze bemonstering. Wat betreft het DNA-mengprofiel is, ongeacht of er drie of vier personen DNA hebben bijgedragen, het minimaal 150 duizend keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en twee of drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie of vier willekeurige onbekende personen. De rechtbank concludeert hieruit – met inachtneming van het onderstaande en de rest van het dossier – dat [verdachte] donor is van het celmateriaal op het heft van de schroevendraaier. De verdediging heeft ter zitting betoogd dat het celmateriaal op de schroevendraaier geen daderspoor betreft. De verdediging heeft ook aangevoerd dat een schroevendraaier een makkelijk verplaatsbaar object is en dat sprake kan zijn van secundaire overdracht. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het celmateriaal op de schroevendraaier niet met zekerheid als een daderspoor kan worden aangemerkt. De rechtbank acht hierbij van belang dat de overvallers tijdens de overval handschoenen droegen. Dit betekent echter niet dat de aanwezigheid van het celmateriaal op de schroevendraaier niet redengevend is voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte. Feit blijft immers dat celmateriaal van de verdachte is aangetroffen op een voorwerp dat is achtergebleven op de plaats van het delict. De rechtbank is van oordeel dat dit feit in beginsel een sterke aanwijzing oplevert dat de verdachte (fysiek) op de plaats van het delict aanwezig is geweest. De verdediging heeft slechts – in zeer algemene bewoordingen – de theoretische mogelijkheid van secundaire overdracht opgeworpen. De verdachte heeft ter terechtzitting niet meer verklaard dan dat zijn celmateriaal mogelijk via omgang met andere personen op de schroevendraaier terecht is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat de enkele suggestie van secundaire overdracht – bij gebrek aan enige concretisering en onderbouwing en mede in het licht bezien van de overige bewijsmiddelen – onvoldoende is om de sterke aanwijzing voor betrokkenheid van de verdachte te ontzenuwen. Daar komt nog bij dat de bewuste schroevendraaier zeer kort voor de onderhavige overval, een week eerder, is weggenomen bij een andere overval waarbij de verdachte betrokken is geweest. De genoemde theoretische mogelijkheid van overdracht moet in dat geval in deze week hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft niet concreet gemaakt wanneer, waar of hoe zijn DNA-materiaal in die korte periode op de schroevendraaier terecht kan zijn gekomen. Letsel van [verdachte] [slachtoffer 8] heeft verklaard dat hij wakker werd gemaakt met een hand op zijn keel en een pistool tegen zijn hoofd gedrukt. [slachtoffer 8] heeft toen de hand van de dader die naast hem stond gepakt, de hand waarmee de dader het wapen vasthield, en heeft heel hard in zijn vinger gebeten. De getuige [getuige 2] heeft tegenover de politie verklaard over letsel aan de vinger van [verdachte] . Zij heeft verklaard dat [verdachte] op een avond dat hij iets ging doen in zijn vinger is gebeten. Volgens haar waren zijn vinger en nagel kapot, de wijs- of middelvinger aan zijn rechterhand. Ze heeft verklaard dat de helft van zijn nagel eraf was gebeten, ze heeft het over een scheurachtige afdruk. Ook heeft [getuige 2] bij de politie gewezen op foto’s en een filmpje op haar Snapchat van respectievelijk 9 januari 2021 en 10 februari 2021, waarop volgens haar een verkleuring aan de vinger van [verdachte] is te zien. Bij de rechter-commissaris is [getuige 2] bij deze verklaring gebleven en heeft zij nog een nadere toelichting gegeven. Zij heeft verklaard dat zij de vinger heeft verzorgd en dat er bloeddruppels in de woning lagen. Zij heeft ook verklaard dat [verdachte] er lang last van heeft gehad. Betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van de getuige [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat zij op belangrijke onderdelen niet duidelijk, wisselend en inconsistent heeft verklaard. Dit verweer wordt om de navolgende redenen verworpen. Hoewel [getuige 2] over verschillende onderwerpen niet altijd eenduidig of consistent heeft verklaard, maakt dit niet dat haar verklaring in het geheel niet betrouwbaar zou zijn. De rechtbank acht de verklaring van [getuige 2] – voor zover deze voor het bewijs wordt gebruikt – betrouwbaar, omdat deze voldoende gedetailleerd en concreet is en op essentiële onderdelen steun vindt in ander bewijsmateriaal. Met betrekking tot deze overval geldt dat de verklaring van [getuige 2] voldoende ondersteuning vindt in de aangifte, als ook in het feit dat DNA van [verdachte] is aangetroffen op een schroevendraaier op de plaats van het delict. Daarnaast is van belang dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat, hoewel een forensisch arts vanwege de kwaliteit van de afbeeldingen niet kan vaststellen of sprake is van een bijtwond, de verbalisant wel heeft waargenomen dat op afbeeldingen uit januari en februari 2021 een verkleuring is te zien aan de rechter middelvinger van [verdachte] . Ook dit onderbouwt de verklaring van [getuige 2] . Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, dat [verdachte] bij de overval letsel aan zijn vinger heeft opgelopen. Telegram-berichten binnen geschoten Uit de aangifte van [slachtoffer 9] en het schotrestenonderzoek, als ook het forensisch onderzoek aan de woning volgt dat [slachtoffer 9] in de slaapkamer in de hals is geschoten. In Telegram-berichten tussen [medeverdachte 2] en [naam 7] van 8 januari 2021 valt te lezen dat [naam 7] boos is op [medeverdachte 2] omdat hij in de nacht van 7 januari 2021 weg was. Zij zegt samengevat dat ze het er niet mee eens is en dat ze moet nadenken. [medeverdachte 2] reageert dan als volgt:“Ma kijk wat je wilt doenMij nu laten vallenWat er ook gebeurd moet je mij door dik en dun steunenDaarin laat je mij al zienIk heb niet op iemand geschotenGewoon daarbinnen wat schoten gelostVanzelfsprekend moeten we rustig blijven nu.”Uit het vorenstaande blijkt dat [medeverdachte 2] een dag na de overval tegen zijn ex-vrouw zegt dat hij op niemand heeft geschoten, maar dat er gewoon daarbinnen wat schoten zijn gelost. Deze uitlatingen van [medeverdachte 2] passen bij hetgeen tijdens de overval heeft plaatsgevonden en passen bij het scenario dat [medeverdachte 2] één van de drie daders was die in de woning zijn binnengedrongen. Letsel van [medeverdachte 2] Uit de aangiftes van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] blijkt dat zij zich hevig hebben verzet tegen de overvallers. Zo beschrijft [slachtoffer 8] dat hij is gaan vechten en heeft geprobeerd te raken wat hij raken kon. [slachtoffer 9] geeft aan dat zij een man bij de deur van de slaapkamer zag staan, met de rug naar haar toe, en dat zij gigantisch op hem is gaan inbeuken. Uit verschillende chatberichten leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] omstreeks 7 januari 2021 letsel heeft opgelopen. Zo wenst [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] op 7 januari 2021 beterschap en zegt [medeverdachte 2] op dezelfde dag tegen [naam 3] dat hij “broko” (de rechtbank begrijpt: stuk) is en dat hij zeker zes weken thuis moet zitten. Met [naam 7] heeft [medeverdachte 2] het meerdere keren over gebroken ribben. Op 8 januari 2021 zegt [medeverdachte 2] tegen haar dat zijn lichaam eerst moet herstellen. Ook zegt [medeverdachte 2] tegen [naam 7] , na een bericht van [naam 7] dat zij nu van alles met de kinderen moet regelen: “ja, Ma ik weet wat je bedoelt. Je moet gewoon eerlijk zijn met ze, zeg gewoon tegen ze dat ik mijn ribben gebroken heb.” En ook: “als jij ze uitlegt dat ik mijn ribben heb gebroken, dan zullen ze het juist begrijpen”. Uit informatie van de huisarts is bovendien gebleken dat [medeverdachte 2] op 15 januari 2021 de uitslag heeft gekregen van een röntgenfoto over zijn letsel aan de ribben. Ook in zijn verhoor bij de politie heeft [medeverdachte 2] op 25 mei 2022 verklaard dat hij zijn ribben heeft gebroken. Uit de aangehaalde berichten en de verklaring van de huisarts blijkt dat [medeverdachte 2] letsel aan zijn ribben heeft opgelopen en met name uit de berichten met [naam 7] leidt de rechtbank af dat dit is gebeurd in de nacht dat [medeverdachte 2] weg was, te weten op 7 januari 2021. Dit past ook bij de berichten van [medeverdachte 3] en [naam 3] van die datum. Daar komt bij dat [getuige 2] tegenover de politie over de avond dat [verdachte] in zijn vinger was gebeten heeft verklaard dat die Rotterdammer (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) de volgende dag via videobellen vertelde dat hij zijn rug had bezeerd. Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, dat [medeverdachte 2] bij de overval letsel aan zijn ribben heeft opgelopen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit het gevolg is geweest van het felle verzet van de aangevers. Tussenconclusie ten aanzien van het bewijs De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de gewelddadige woningoverval in Avenhorn. Medeplegen Meer specifiek leidt de rechtbank uit de besproken bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, af dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] de drie daders zijn geweest die de woning zijn binnengegaan en dat [medeverdachte 3] de bestuurder van de vluchtauto is geweest. Uit de aangiftes volgt dat er één dader rechts naast het hoofdeinde van het bed (aan de kant van het raam) stond met een wapen. Dit is de dader die door [slachtoffer 8] in zijn vinger is gebeten en deze dader stond op de plek waar de schroevendraaier is gevonden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit [verdachte] was. Immers, hij is degene die letsel aan zijn vinger heeft opgelopen en op de schroevendraaier is zijn DNA-materiaal aangetroffen. Dit betekent dat [verdachte] ook de schutter is geweest die [slachtoffer 9] in haar hals heeft geschoten. Uit de aangiftes volgt verder dat één dader bij de deur stond. Deze dader is van achteren door [slachtoffer 9] aangevallen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit [medeverdachte 2] is geweest, omdat de verklaring van [slachtoffer 9] past bij het letsel dat hij heeft opgelopen. Dan blijft over de dader met het vuurwapen die in de hoek van de kamer onder de televisie stond. De rechtbank gaat ervan uit dat deze dader [medeverdachte 4] betreft. Dit past ook bij de beschrijving die [slachtoffer 9] van deze dader heeft gegeven. Zij heeft immers verklaard dat hij kleiner was dan zij, en dat zij 1,70 meter is. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 4] 1,66 meter is. Uit alles wat hiervoor is overwogen blijkt dus dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] samen het plan hebben opgevat om de woning te overvallen, dat zij naar de woning zijn toegegaan en dat zij vervolgens midden in de nacht met in ieder geval twee vuurwapens naar binnen zijn gegaan. Daarmee hebben zij nauw en bewust samengewerkt en hebben zij allen een rol van voldoende gewicht gehad bij de woningoverval en kunnen zij reeds om die reden als medepleger van de woningoverval worden aangemerkt. Zoals in het vonnis van [medeverdachte 3] is toegelicht, ziet de rechtbank hem als medeplichtige aan deze overval. Kwalificatie Aan de verdachten is het medeplegen van zowel een poging tot gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Sr) als diefstal met geweld/afpersing (artikel 312/317 Sr) ten laste gelegd. De rechtbank maakt eerst enkele algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag. Vervolgens licht de rechtbank toe waarom voor [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] aan die eisen is voldaan. Artikel 288 Sr stelt twee belangrijke voorwaarden. Ten eerste moet sprake zijn van (een poging tot) doodslag (in de zin van artikel 287 Sr), die is gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een ander strafbaar feit (ook wel het ‘oorsprongsfeit’ genoemd, in dit geval: diefstal met geweld/afpersing). Er moet zijn voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring wegens (poging tot) doodslag, en dat houdt kort gezegd in een ander opzettelijk van het leven (trachten
- te)beroven. Onder ‘opzettelijk’ wordt ook begrepen ‘voorwaardelijk opzet’ wat betekent dat voldoende is als de verdachten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer van het leven zou worden beroofd. Ten tweede moet de (poging tot) doodslag zijn gepleegd met het oogmerk om het oorsprongsfeit voor te bereiden, te vergemakkelijken of om – bij betrapping op heterdaad – aan zichzelf of anderen straffeloosheid of bezit van het wederrechtelijke verkregene te verzekeren. Anders verwoord: de (poging tot) doodslag wordt gepleegd met een specifiek doel. De rechtbank zoomt voor de verdachten in deze zaak hierna in op beide elementen (opzet en oogmerk). Opzet Uit de reeds vastgestelde feiten volgt dat [slachtoffer 8] wakker werd met een vuurwapen tegen zijn hoofd gedrukt. [medeverdachte 4] (de kleine dader in de hoek) en [verdachte] (naast het hoofdeinde) hadden een vuurwapen vast. [slachtoffer 8] heeft in de vinger van [verdachte] gebeten, waarna [verdachte] tegen [medeverdachte 4] heeft geroepen: ‘Schiet hem dood’. [slachtoffer 9] sliep op zolder, is wakker geworden en is haar partner komen helpen. Zowel [slachtoffer 8] als [slachtoffer 9] zijn in gevecht geraakt met de overvallers. Toen [slachtoffer 9] [slachtoffer 8] wilde helpen, kwam [verdachte] op haar af. Hij heeft een vuurwapen tegen haar hals gedrukt en geschoten. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 9] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en de inhoud van een kluis, geld en waardevolle goederen te bemachtigen. Dat blijkt uit de wijze van binnentreden, uit het feit dat zij (nadat met het vuurwapen is geschoten) de woning beneden nog hebben doorzocht en de verdachten voortdurend hebben geroepen: ‘Waar is het geld’, ‘We willen het grote geld’, ‘We willen geld van achteren’. Naar het oordeel van de rechtbank is dus geen sprake van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 9] . Voorwaardelijk opzet Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. De verdachten zijn de woning binnengedrongen terwijl twee van hen een vuurwapen in de hand hadden. De verdachte was één van de verdachten met een vuurwapen en wist dus van de aanwezigheid van het vuurwapen. Bij een woningoverval, zeker op een tijdstip in de nacht, bestaat de aanmerkelijke kans dat de bewoners thuis zijn en zich tegen dat binnendringen zullen verzetten. Reeds door een vuurwapen direct bij de hand te hebben waarbij het, gelet op de verklaring van [slachtoffer 9] over het moment waarop moet zijn geschoten, aannemelijk is dat dit wapen was doorgeladen, hebben de verdachten zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij verzet het vuurwapen zou worden gebruikt en (een) bewoner(
- s)daardoor zodanig ernstig gewond zou(den) raken dat de dood het gevolg zou kunnen zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schotwonden onder omstandigheden de dood tot gevolg kunnen hebben. [slachtoffer 9] is in de hals geschoten. Algemene ervaringsregels leren dat de hals een kwetsbaar deel van het lichaam is, omdat zich daarin de luchtpijp en (slag)aders bevinden, waar op vrij eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht. Door in de nacht de woning met vuurwapens (waarvan er ten minste één was doorgeladen) binnen te dringen, hebben alle drie de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij verzet het vuurwapen zou worden gebruikt. Oogmerk Tevens kan bewezen worden verklaard dat de verdachten deze poging tot doodslag hebben gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de overval gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemers straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Dit blijkt immers uit het feit dat het schot is gelost toen zij na het binnendringen van de woning op weerstand stuitten. Nadat deze weerstand was doorbroken door [slachtoffer 9] neer te schieten, zijn de verdachten blijven zoeken naar en roepen om waardevolle goederen en hebben zij onder meer de portemonnee en autosleutels van [slachtoffer 8] meegenomen. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag. De rechtbank komt op grond van al het voorgaande ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Ten aanzien van [medeverdachte 3] merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat wordt uitgegaan van medeplichtigheid aan de in vereniging gepleegde diefstal met (bedreiging met) geweld. De rechtbank merkt voorts op dat hierbij sprake is geweest van eendaadse samenloop. Dat betekent dat de gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar hem in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden. 4.3.4.2 Vrijspraak van medeplegen van afpersing Uit het bewijs volgt dat van de aangevers geld en goederen zijn weggenomen. Niet gebleken is dat zij door (bedreiging met) geweld zijn gedwongen om geld of goederen af te geven aan de daders. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van (het medeplegen van) afpersing. 4.3.5 Zaaksdossier Ararat Op maandag 14 juni 2021 is in een woning in Berkhout het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer 1] . Hierop is een opsporingsonderzoek gestart dat de naam Ararat kreeg. In het onderzoek Ararat zijn vijf personen als verdachte aangemerkt: de verdachte, [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . 4.3.5.1 Bewijsoverweging Door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. Aantreffen van het slachtoffer [slachtoffer 1] Op maandag 14 juni 2021 rond 13:55 uur kreeg de politie een melding dat in de woning aan het [adres 1] te Berkhout een overleden persoon lag. De politie is naar de woning gegaan en trof op de grond in de woonkamer, het levenloze lichaam aan van [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] ). [slachtoffer 1] lag op zijn buik, was op blote voeten en droeg alleen een onderbroek. Sporen in de woning van het slachtoffer De voordeur en het kozijn van de woning waren beschadigd door wrikken met een breekijzer en een schroevendraaier. De ruit van de voordeur was gebroken. Op de vloer van de woning was een bloedsporenpatroon te zien en zijn afdruksporen gevonden die zijn veroorzaakt door blote voeten. Deze sporen liepen van de gang, via de woonkamer en de keuken tot bij de achterdeur in de bijkeuken en vervolgens terug tot aan de plaats in de woonkamer waar het lichaam van [slachtoffer 1] is gevonden. In de bijkeuken is op de grond een hockeystick gevonden. Op de buitenzijde van de voordeur en op de vloer in de gang zijn schoenzoolafdruksporen gevonden met een profiel dat overeenkomt met dat van Nike-schoenen. Moeten (indrukken) in het kozijn van de deur tussen de gang en de woonkamer wijzen erop dat daar een worsteling is geweest waarbij een breekijzer en een hockeystick zijn gehanteerd. Op de grond in de woonkamer is de vaste telefoon gevonden. Gebleken is dat er om 02:56:43 uur en 02:57:29 uur met deze telefoon is geprobeerd om te bellen. Beide keren is er geen verbinding tot stand gekomen. Onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer Onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] toonde aan dat hij een schotletsel aan de borst had waardoor de rechterondersleutelbeenader en rechterlong waren geperforeerd. Dit heeft geleid tot ademhaling- en longfunctiestoornissen en bloedverlies op basis waarvan het overlijden wordt verklaard. [slachtoffer 1] had ook een schotwond aan zijn linker ellenboog; dit betrof een doorschot en dit letsel was op één lijn te brengen met het schotkanaal door de borst. Verder waren er meerdere bloeduitstortingen, waaronder één aan de borst die kan zijn opgelopen door een krachtinwerking met een langwerpig voorwerp. Het tijdstip van zijn overlijden werd door de schouwarts geschat op waarschijnlijk rond 03:00 uur. Geluidsopname camerasysteem [adres 11] Een camerasysteem bij de woning aan het [adres 11] heeft een video- en geluidsopname gemaakt. Op de geluidsopname is omstreeks 02:33 uur en 02:39 uur een auto te horen die een zwaar, sportief geluid maakt. Tussen 02:54 uur en 02:56 uur zijn meerdere dreunen te horen, en om ongeveer 02:55 uur is er een harde knal te horen die nog even na-echoot en waarna de schapen in het weiland beginnen te blaten. Om 02:59:21 uur is de eerder genoemde auto met zwaar, sportief geluid wederom te horen, die ditmaal in tegengestelde richting reed. Tussenconclusie ten aanzien van het overlijden van [slachtoffer 1] Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat één of meer personen door middel van braak de woning van [slachtoffer 1] zijn binnengedrongen en dat er een gewelddadige confrontatie is geweest tussen deze persoon/personen en [slachtoffer 1] . De rechtbank concludeert voorts dat [slachtoffer 1] op 14 juni 2021 omstreeks 03:00 uur is overleden als gevolg van een schotwond in de borst. Vuurwapen Sporen op de kogel die in het lichaam van [slachtoffer 1] is gevonden zijn vergeleken met sporen op proefkogels uit het zilverkleurige vuurwapen dat op 29 juni 2021 bij het levenloze lichaam van [naam 1] is gevonden. De deskundige heeft in het rapport wapen- en munitieonderzoek gerapporteerd dat de resultaten