RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 10806679 \ CV EXPL 23-3881 Uitspraakdatum: 30 mei 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1. [eiser] 2. [eiseres] beiden wonende te [woonplaats] eisers verder samen te noemen: [eisers] en afzonderlijk te noemen: [eiser] en [eiseres] gemachtigde: mr. S.J. van der Aart tegen de stichting Stichting Parteon gevestigd te Wormerveer gedaagde verder te noemen: Parteon gemachtigde: mr. A. Ekkel De zaak in het kort Het gaat in deze zaak om de vraag of een dochter en haar partner de huurovereenkomst mogen voortzetten van de woning die haar overleden vader huurde. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is. De dochter en haar partner hebben hun hoofdverblijf in het gehuurde en voerden een duurzame en gemeenschappelijke huishouding met de vader. Ook bieden zij voldoende financiële waarborg om de huur te betalen. 1Het procesverloop 1.1. [eisers] hebben bij dagvaarding van 9 november 2023 een vordering tegen Parteon ingesteld. Parteon heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend. 1.2. Op 2 mei 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben [eisers] via een e-mail van 15 april 2024 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.1. Vanaf 1976 huurde de vader van [eiseres] sociale huurwoning aan de [adres] (hierna: de woning). Parteon is thans de verhuurder van deze woning. De woning betreft een eengezinswoning met drie slaapkamers. 2.2. [eisers] huren zelf ook een woning van Parteon. Deze woning betreft een flat en ligt vlakbij de door de vader gehuurde woning. 2.3. In 2020 is de moeder van [eiseres], die samen met de vader in de woning woonde, overleden. De vader is in 2023 overleden. 2.4. Op 8 juli 2022 hebben [eisers] Parteon verzocht hen het medehuurderschap toe te kennen. Na uitgebreide correspondentie met Parteon, heeft Parteon [eisers] op 14 september 2023 per brief laten weten dat dit verzoek wordt afgewezen en dat [eisers] de woning uiterlijk 21 september 2023 moeten verlaten. [eisers] hebben dit nagelaten. 3De vordering 3.1. [eisers] vorderen een verklaring voor recht dat zij medehuurder zijn geworden, dan wel dat zij de huurovereenkomst en hun woongenot voor de woning aan de [adres] voort mogen zetten na het overlijden van de hoofdhuurder. 3.2. Zij leggen aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij sinds het overlijden van de moeder van [eiseres] bij de vader zijn gaan wonen in de door hem gehuurde woning. Volgens [eisers] hebben zij sinds dat moment hun hoofdverblijf in die woning en was er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de vader. 4Het verweer en de tegenvordering 4.1. Parteon betwist de vordering. Zij voert allereerst aan dat [eisers] hun verzoek tot medehuurderschap niet tijdig hebben gedaan, waardoor [eisers] niet ontvankelijk zijn in dat verzoek. Verder voert Parteon aan dat [eisers] de huur niet kunnen voortzetten, omdat zij niet aan de vereisten van artikel 7:268 Burgerlijk Wetboek (BW) voldoen. Parteon betwist dat [eisers] hun hoofdverblijf in de woning hebben en dat zij met de vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad. De vordering van [eisers], moet daarom worden afgewezen en Parteon vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter [eisers] veroordeelt tot ontruiming van de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 4.2. Parteon legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de woning een schaarse grote eengezinswoning betreft in de sociale sector waarvoor lange wachtlijsten zijn. Parteon heeft er daardoor belang bij dat deze woning kan worden toegewezen aan iemand die daar naar de geldende wet- en regelgeving recht op heeft. De gevorderde dwangsom dient als prikkel om te bewerkstellingen dat [eisers] de woning vrijwillig ontruimen en kosten van een gedwongen ontruiming worden voorkomen. 5De beoordeling de vordering en de tegenvordering 5.1. De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 5.2. In deze zaak draait het om de vraag of [eisers] medehuurder zijn geworden dan wel dat zij gerechtigd zijn de huurovereenkomst voort te zetten nu de hoofdhuurder, de vader van [eiseres], is overleden. 5.3. 5.3. 5.3. Zowel voor het verkrijgen van het medehuurder schap als voor het mogen voortzetten van de huurovereenkomst geldt dat voor toewijzing van deze vorderingen is vereist dat de aanvrager zijn hoofdverblijf in de woning heeft en met de (overleden) huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft of heeft gehad. Indien aan deze vereisten is voldaan wordt het verzoek in beginsel toegewezen, tenzij de aanvrager vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur of de aanvrager, indien dat is vereist, geen huisvestingvergunning overlegt. Omdat het toetsingskader voor beide vorderingen gelijk is, gaat de kantonrechter voorbij aan het verweer van Parteon dat het verzoek tot medehuurderschap te laat is ingediend. Voor de uitkomst van deze procedure maakt dit immers geen verschil. Hoofdverblijf 5.4. [eisers] stellen zich op het standpunt dat zij sinds het overlijden van de moeder van [eiseres] hun hoofdverblijf in de woning hebben. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben [eisers] diverse schriftelijke verklaringen van onder andere familie, buren en de fysiotherapeut van de vader overgelegd. Parteon is ondanks deze verklaringen van mening dat [eisers] onvoldoende hebben aangetoond dat zij hun hoofdverblijf in de woning hebben. 5.5. De kantonrechter volgt Parteon niet in haar standpunt en oordeelt dat uit de verklaringen een overtuigend beeld naar voren komt [eisers] vanaf 2020 hun hoofdverblijf in de woning hebben. Zo verklaren verschillende getuigen dat [eisers] na het overlijden van de moeder van [eiseres] bij de vader zijn gaan wonen. De verklaringen zijn met elkaar in overeenstemming en komen overeen met de toelichting die [eisers] zelf op de zitting hebben gegeven. Anders dan door Parteon betoogt, heeft de kantonrechter geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de afgelegde verklaringen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eisers] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanaf 2020 hun hoofdverblijf in de woning hebben. Er zijn door Parteon onvoldoende gegevens of argumenten naar voren gebracht die een andere conclusie rechtvaardigen. Duurzame gemeenschappelijke huishouding 5.6. Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste rechtsspraak zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen, van belang. Uitgangspunt is wel dat slechts onder bijzondere omstandigheden een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind kan worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding, ook indien het gaat om een volwassen kind dat, na te zijn uitgevlogen, terugkeert naar de ouderlijke woning. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Of van een gemeenschappelijke huishouding sprake is, moet – zoals reeds hiervoor genoemd – volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld door waardering van alle omstandigheden van het geval in hun onderling verband bezien, zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.