RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/2144 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] en [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekers gemachtigde: J.B. Tanke, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer, het college gemachtigde: mr. K. Rahimian, werkzaam voor de Omgevingsdienst IJmond (hierna: de Omgevingsdienst). Als derde-partij heeft de voorzieningenrechter aangemerkt: [derde-partij] uit [plaats] (derde-partij). Inleiding 1.1 In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit om handhavend op te treden tegen het bouwwerk in de achtertuin van hun woning op het adres [adres 1] te [plaats] (het bouwwerk). 1.2 Het college heeft verzoekers bij besluit van 28 maart 2024 gelast om de gestelde overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-. Deze beslissing maakt onderdeel uit van de beslissing op het bezwaar van eveneens 28 maart 2024, waarmee het bezwaar van de derde-partij tegen de afwijzing om handhavend tegen het bouwwerk op te treden (het primaire besluit van 31 augustus 2023) gegrond is verklaard en dat besluit is herroepen. 1.3 Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, 1.4 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college. De derde-partij is met bericht van verhindering niet verschenen 1.5 Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het bestreden besluit tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan verzoekers moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekers. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. 3.1 De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Daarnaast weegt de voorzieningenrechter het belang van verzoekers bij de gevraagde voorlopige voorziening af tegen het belang dat het college verweerder of derden hebben bij de onmiddellijke uitvoering van de in het bestreden besluit opgenomen last onder dwangsom. 3.2 Aangezien de derde-partij het verzoek om handhaving, dat heeft geleid tot het bestreden besluit, voor 1 januari 2024 heeft ingediend, is niet de nieuwe Omgevingswet, maar het voordien geldende recht op de beoordeling in deze zaak van toepassing. 4.1 Bij de boordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. 4.2 Verzoekers en de derde-partij wonen beiden in een rijtjeswoning en zijn buren. Verzoekers wonen op het adres [adres 1] te [plaats] en de derde-partij op [adres 2] . 4.3 Verzoekers hebben achter in hun achtertuin, tegen de muur van een garage die zich over de gehele achterzijde van het perceel aan het einde van de achtertuin uitstrekt, een bouwwerk gebouwd. Dit bouwwerk grenst voorts met een zijde aan de tuinmuur die de erfgrens vormt tussen de achtertuinen van verzoekers en de derde-partij. De andere zijden van het bouwwerk zijn open, maar de naar de tuin en het huis gerichte voorkant van het bouwwerk kan wel worden afgesloten met een horizontaal uitrolbaar scherm dat aan die zijde aan een van de palen is bevestigd. De bovenzijde bestaat momenteel uit balken, maar met (grote) openingen daartussen. 4.4 Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van de derde-partij is het bouwwerk bezocht en bekeken door de Omgevingsdienst op 30 mei 2023. Van dat bezoek is een rapport opgemaakt, dat is gedateerd 30 juni 2023. Op basis van dat bezoek heeft verweerder geconcludeerd dat het bouwwerk, toen nog met een gesloten dak (van 2,80 meter breed x 2,40 meter lang x 2,30 meter hoog) dient te worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk in de zin van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor), en dat dit bijbehorende bouwwerk ter plaatse niet is toegestaan, omdat de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het achtererf is gemaximeerd en dit maximum door de aanwezigheid van het bouwwerk met 5,66 m2 wordt overschreden. Het college heeft verzoekers daarom op 12 juli 2023 bericht voornemens te zijn om handhavend op te treden tegen het bouwwerk. 4.5 Nadat toezichthouders van het college op 22 augustus 2023 hadden geconstateerd dat het dak van het bouwwerk was verwijderd en alleen de balken met de (grote) openingen daartussen nog aanwezig waren, concludeerde verweerder dat de resterende constructie niet meer is aan te merken als bijbehorend bouwwerk maar als pergola. Omdat daarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, heeft het college in afwijking van zijn voornemen besloten om toch van handhaving af te zien. Dit is aan partijen meegedeeld bij besluit van 31 augustus 2023 (het primaire besluit). 4.6 De derde-partij heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en bestreden dat het bouwwerk als een pergola kan worden aangemerkt waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist. 4.7 In bezwaar heeft de bezwaaradviescommissie geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, omdat het bouwwerk volgens de commissie niet zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Daarbij heeft de commissie in zijn advies van 10 januari 2024 overwogen dat uit artikel 2, Bijlage II Bor weliswaar volgt dat voor het plaatsen van tuinmeubilair geen omgevingsvergunning is vereist, en dat uit de toelichting volgt dat een pergola ook als tuinmeubilair in deze zin kan worden aangemerkt, maar dat het bouwwerk van eisers bedoeld is om ter plaatse te functioneren, terwijl meubilair in de regel verplaatsbaar is. Bij de conclusie dat geen sprake is van vergunningsvrij tuinmeubilair heeft de bezwaaradviescommissie voorts in aanmerking genomen dat de constructie voorzieningen bevat waarmee het bouwwerk, dat al twee wanden heeft, helemaal kan worden afgesloten (door een doek dat als dak zou worden gebruikt en uitrolbare zijwanden). De uiterlijke verschijningsvorm in volle omvang lijkt, aldus de bezwaaradviescommissie, dus ook niet op een pergola. Verweerder heeft dit advies in het bestreden besluit overgenomen en daarbij aangegeven niet te willen meewerken aan afwijking van het bestemmingsplan om het bouwwerk mogelijk te maken, omdat vrees bestaat dat dit zal leiden tot precedentwerking. Juridische beoordeling 5.1 Voor de voorzieningenrechter staat nog niet vast dat het bouwwerk geen pergola en daarmee geen tuinmeubilair in de zin van (de toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.