RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/342689 / HA ZA 23-430 Vonnis van 17 april 2024 in de zaak van REGGESTEDE PROJECTEN B.V., te Enter, gemeente Wierden, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen: Reggestede, advocaat: mr. B. Martens te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde 1], te [plaats],2. [gedaagde 2], beherend vennoot van [gedaagde 1], te [plaats], gedaagden in conventies, eisers in reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden], advocaat: mr. W.T.G. Beekhuijzen te Waalre. 1De zaak in het kort [gedaagden] heeft van Reggestede een winkelruimte gekocht. De winkelruimte moest nog gebouwd worden en is door Reggestede verhuurd aan Ahold ten behoeve van een Albert Heijn XL-supermarkt. In de koopovereenkomst is bepaald dat de koopprijs wordt geïndexeerd tot de huuringangsdatum, waarbij is verwezen naar de huurprijsindexatie in de huurovereenkomst. [gedaagden] stelt dat Reggestede de koopprijsindexatie onjuist heeft berekend, omdat de huurprijsindexatie te hoog is vastgesteld. Volgens [gedaagden] heeft Reggestede daardoor een te hoge koopprijs in rekening gebracht. Wat [gedaagden] volgens hem teveel heeft betaald, wil hij verrekenen met de laatste termijn van de koopprijs die hij nog aan Reggestede moet betalen. De rechtbank is van oordeel dat de koopovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat voor de berekening van de koopprijsindexatie de daadwerkelijk met Ahold vastgestelde (en aan [gedaagden] betaalde) geïndexeerde huurprijs bepalend is. De vorderingen van Reggestede tot betaling van de laatste termijn van de koopprijs worden toegewezen. De vorderingen van [gedaagden] worden afgewezen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 22 november 2023, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken; de akte eisvermindering eis in reconventie met productie 5 van [gedaagden]; de akte overleggen bescheiden met producties 19 tot en met 24 van Reggestede; de door Reggestede in het geding gebrachte aanvullende productie 25; de akte wijziging van eis van Reggestede; de mondelinge behandeling van 11 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden en waarbij namens Reggestede pleitaantekeningen zijn overgelegd. 2.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. Reggestede was de eigenaar van een stuk grond ter grootte van in totaal 28.660 m2 in de gemeente [gemeente] (hierna: de grond) en heeft daarop een casco-winkelruimte met parkeerplaatsen en buitenruimte (hierna: de winkelruimte) gerealiseerd ten behoeve van een Albert Heijn XL-supermarkt. 3.2. Op 11 januari 2022 heeft Reggestede de grond en de - op dat moment nog te realiseren - winkelruimte verkocht aan [gedaagden]. In de koopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald: “2.3 De door Koper verschuldigde Koopprijs voor de Grond en het Project wordt door Partijen vastgesteld op in totaal € 13.407.500,- (…), te verhogen met de daarover verschuldigde BTW, zulks vrij op naam. De Koopprijs bestaat uit twee componenten: een koopprijs voor de Grond ter grootte van € 6.750.000,- (…) te verhogen met de daarover verschuldigde BTW. een resterende koopprijs voor het Project ter grootte van € 6.657.500,- (…) te verhogen met de daarover verschuldigde BTW, en te verhogen met de indexering volgens artikel 2.5. Dit is inclusief de afbouwbijdrage aan de Huurder zoals gemeld in artikel 3.7 van deze Overeenkomst. (…) 2.5 De resterende koopprijs als bedoeld onder artikel 2 lid 3 onder b wordt verhoogd met een bedrag dat wordt bepaald volgens het prijsindexcijfer conform Huurovereenkomst, berekend vanaf de prijspeildatum te weten 1 juli 2021 tot huuringangsdatum waarbij de verhoogde huur minus de huurprijs wordt vermenigvuldigd tegen de geldende factor van 17,3.” 3.3. In artikelen 3.1 en 3.3 van de koopovereenkomst is voorts bepaald dat de koopprijs voor de grond wordt betaald op de transportdatum (uiterlijk 20 weken na 23 december 2021). De resterende koopprijs, zoals vermeld in artikel 2.3 sub b, is verschuldigd in acht termijnen, waarvan de laatste termijn € 416.562,50 bedraagt en verschuldigd is na herstel van alle opleverpunten uit het proces-verbaal van oplevering. 3.4. Op 17 januari 2022 heeft Reggestede met Ahold Europe Real Estate & Construction B.V. (hierna: Ahold of de huurder) een huurovereenkomst gesloten voor de - op dat moment nog te realiseren – winkelruimte. In artikel 4.1 van de huurovereenkomst is het volgende bepaald: “4.1 De huurprijs van het gehuurde bedraagt op jaarbasis € 775.000,- excl. btw, zegge: zevenhonderdvijfenzeventig duizend euro, prijspeil 1 juli 2021. De aanvangshuurprijs wordt per huuringangsdatum berekend door een indexering over de periode vanaf 1 juli 2021 tot huuringangsdatum conform CPI index gedurende een maximale periode van 3 jaren (derhalve over de periode van 1 juli 2021 tot prijspeil huuringangsdatum of tot maximaal 1 juli 2024). Deze geïndexeerde huurprijs vormt de aanvangshuurprijs. Indien de huurovereenkomst na 1 juli 2024 ingaat, dan is de aanvangshuurprijs de huurprijs per prijspeil 1 juli 2024 en wordt deze vervolgens voor het eerst 1 jaar na de feitelijke huuringangsdatum geïndexeerd.” 3.5. Reggestede heeft bij brief van 12 april 2022 Ahold in kennis gesteld van de eerste jaarlijkse huurprijsindexering. Daarin is vermeld dat de huurprijs per 1 juli 2022 € 850.385,72 exclusief btw bedraagt. In de brief is toegelicht dat de bouw van de winkelruimte start op 1 september 2022 en dat de verwachte opleverdatum 1 mei 2023 is, zodat voor die oplevering nog éénmaal een jaarlijkse huurprijsindexatie zal plaatsvinden. 3.6. Per e-mail van 23 november 2022 heeft Reggestede deze brief van 12 april 2022 aan Ahold doorgestuurd aan een adviseur van [gedaagden]. 3.7. Op 9 februari 2023 heeft Reggestede per brief aan Ahold de berekening van de tweede (en laatste) huurprijsindexatie toegestuurd. Daarin is vermeld dat de huurprijs per 1 mei 2023 € 904.155,10 exclusief btw bedraagt. 3.8. In een e-mail van 14 februari 2023 heeft Ahold (de huurder) bericht dat zij instemt met de methodiek van de berekening van de aanvangshuurprijs, maar dat de definitieve aanvangshuurprijs nog afhankelijk is van het daadwerkelijke moment van oplevering. 3.9. Per brief van 17 februari 2023 heeft Reggestede aan Ahold (de huurder) een nieuwe berekening van de huurprijsindexatie toegestuurd, omdat de oplevering niet op 1 mei 2023 zou plaatsvinden, maar op 12 mei 2023. Daarin is vermeld dat de geïndexeerde huurprijs op 12 mei 2023 € 906.276,41 bedraagt. 3.10. Op 22 februari 2023 heeft een adviseur van [gedaagden] gesteld dat de indexering te vroeg komt en daarnaast een correctie voorgesteld op de berekening van de huurindexering, omdat één dag te veel was geïndexeerd. 3.11. Per e-mail van 1 maart 2023 heeft Reggestede Ahold een aangepaste berekening gestuurd van de geïndexeerde huurprijs, omdat één dag te veel was geïndexeerd. De geïndexeerde huurprijs vanaf de huuringangsdatum (12 mei 2023) is door Reggestede berekend op € 906.099,63 per jaar. 3.12. Op 25 april 2023 heeft Ahold (de huurder) op verzoek van Reggestede nogmaals bevestigd dat zij zich kan vinden in de door Reggestede gehanteerde methodiek voor het vaststellen van de aanvangshuur. 3.13. Voor de resterende koopprijs op grond van artikel 2.3 onder b en 2.5 van de koopovereenkomst heeft Reggestede een drietal facturen gestuurd: een factuur van 10 februari 2023 ter hoogte van € 1.750.000,-; een factuur van 10 februari 2023 ter hoogte van € 484.383,20; een factuur van 17 februari 2023 ter hoogte van € 36.698,66. 3.14. [gedaagden] heeft deze facturen voldaan. 3.15. Op 1 april 2023 heeft Reggestede een factuur gestuurd voor de laatste termijn van de koopsom, ter hoogte van € 416.562,50. [gedaagden] heeft die factuur niet betaald. 3.16. Op 11 mei 2023 heeft [gedaagden] aan Reggestede een factuur gestuurd voor onverschuldigd betaalde koopprijs, ter hoogte van € 498.233,60 exclusief btw. 3.17. De winkelruimte is op 12 mei 2023 in gebruik genomen door Ahold. Ahold voldoet sinds die datum de door Reggestede berekende geïndexeerde huurprijs van € 906.099,63 per jaar aan [gedaagden]. 4Het geschil In conventie 4.1. Reggestede vordert - samengevat en na wijziging van eis - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht verklaart dat [gedaagden] ten onrechte is overgegaan tot verrekening van de vordering van Reggestede die aan [gedaagden] is gefactureerd bij factuur van 1 april 2023 ter hoogte van € 416.562,50 (zijnde € 504.040,63 inclusief btw) met zijn gepretendeerde vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling; 2. [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 416.562,50 (zijnde € 504.040,63 inclusief btw) te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente; een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de rente. 4.2. Reggestede legt aan haar vorderingen – kort gezegd – ten grondslag dat zij en Ahold het er over eens zijn dat de geïndexeerde huurprijs op de huuringangsdatum € 906.099,63 bedroeg. Ook [gedaagden] heeft daarmee ingestemd. Die vastgestelde huurprijs is bepalend voor de koopprijsindexatie. De door [gedaagden] betaalde facturen voor de (geïndexeerde) koopprijs waren dus correct. Van onverschuldigde betaling is daarom geen sprake, zodat het beroep van [gedaagden] op verrekening van de laatste termijn van de koopprijs niet slaagt, aldus nog steeds het betoog van Reggestede. 4.3. [gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. In reconventie 4.4. [gedaagden] vordert - samengevat en na vermindering van eis - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Reggestede veroordeelt tot betaling aan [gedaagden] van € 498.223,60 exclusief btw (€ 602.862,65 inclusief btw) te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente; voor recht verklaart dat mocht lopende deze procedure de achtste slottermijn van de koopsom ter hoogte van € 416.562,- exclusief btw rechtsgeldig gefactureerd worden, nadat alle opleverpunten hersteld zijn, en voornoemde factuur opeisbaar zou zijn, dat [gedaagden], voor zover nog geen betaling van € 498.233,60 exclusief btw door Reggestede heeft plaatsgevonden, over mag gaan tot verrekening van dit bedrag met haar vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling van € 498.233,60 exclusief btw en Reggestede in dat geval veroordeelt tot betaling van het restantbedrag van € 81.671,- exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente; een en ander met veroordeling van Reggestede in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de rente en de nakosten. 4.5. [gedaagden] legt hieraan het volgende ten grondslag. Reggestede heeft een onjuiste koopprijsindexatie berekend, omdat die berekening gebaseerd is op een onjuiste geïndexeerde huurprijs. Op grond van artikel 4.1 van de huurovereenkomst had de huurprijs in één keer geïndexeerd moeten worden tot de huuraanvangsdatum en niet jaarlijks. Bovendien heeft Reggestede de huurprijs over twee maanden dubbel geïndexeerd. Dat Ahold (volgens Reggestede vanwege destijds lopende onderhandelingen over gedeeltelijke onderverhuur van de winkelruimte) met de berekening van de geïndexeerde aanvangshuur heeft ingestemd, bindt [gedaagden] niet tegenover Reggestede. Reggestede heeft tegenover Ahold over de huurprijsindexatie steeds het voortouw genomen zonder voorafstemming met [gedaagden]. Ahold kan terugkomen op de indexatie van de aanvangshuurprijs, gelet op de landelijke commotie rondom de grote inflatie en daardoor gestegen huurprijzen. Bovendien kan Ahold na de eerste huurperiode van tien jaar allicht succesvoller een nadere huurprijsvaststelling vorderen. Ook op grond van de partijbedoeling en de redelijkheid en billijkheid is de door Reggestede berekende geïndexeerde koopprijs onjuist. [gedaagden] heeft het bouwproject voorgefinancierd en de voornaamste risico’s van prijsstijgingen gedragen (alsmede de buitensporig verhoogde rentelast op de totale beleggingsinvestering), terwijl Reggestede door haar berekening van de geïndexeerde koopprijs bovenmatig wordt bevoordeeld, aldus [gedaagden]. 4.6. Reggestede voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling in conventie en in reconventie 5.1. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen zij in het navolgende gezamenlijk worden besproken. Uitleg van (artikel 2.5 van) de koopovereenkomst 5.2. Het geschil tussen partijen komt neer op de vraag of de geïndexeerde koopprijs door Reggestede juist is berekend. De hier relevante bepaling in artikel 2.5 van de koopovereenkomst luidt als volgt: “De resterende koopprijs als bedoeld onder artikel 2 lid 3 onder b wordt verhoogd met een bedrag dat wordt bepaald volgens het prijsindexcijfer conform Huurovereenkomst, berekend vanaf de prijspeildatum te weten 1 juli 2021 tot huuringangsdatum waarbij de verhoogde huur minus de huurprijs wordt vermenigvuldigd tegen de geldende factor van 17,3” 5.3. Reggestede voert primair (samengevat) aan dat voor de berekening van de geïndexeerde koopprijs uitgegaan moet worden van de daadwerkelijk vastgestelde geïndexeerde huurprijs per 13 mei 2023 van € 906.099,63 per jaar, die door Ahold wordt betaald aan [gedaagden]. Het betoog van [gedaagden] heeft tot strekking dat voor het vaststellen van de geïndexeerde koopprijs bepalend is op welk bedrag de geïndexeerde huurprijs per 12 mei 2023 had behoren te worden vastgesteld. Daarom moet de rechtbank volgens [gedaagden] toetsen of de door Reggestede berekende (en door Ahold geaccordeerde) geïndexeerde huurprijs per 12 mei 2023 in overeenstemming met artikel 4.1 van de huurovereenkomst is vastgesteld. 5.4. Bij de beoordeling van deze stellingen komt het (in de eerste plaats) aan op de uitleg van de tussen Reggestede en [gedaagden] gesloten koopovereenkomst. Daarbij is niet alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de koopovereenkomst van belang. Beoordeeld moet worden welke zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de koopovereenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 5.5. Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat de hoogte van de koopprijs voor de winkelruimte is bepaald door te genereren huuropbrengst van de winkelruimte, vermenigvuldigd met de factor 17,3. De in de huurovereenkomst met Ahold overeengekomen huurprijs per 1 juli 2021 van € 775.000,- was echter slechts een fictieve huurprijs, die niet daadwerkelijk werd betaald door Ahold, omdat de winkelruimte nog gebouwd moest worden. De aanvangshuur moest nog berekend worden door de fictieve huurprijs per 1 juli 2021 van € 775.000,- te indexeren tot de huuringangsdatum (welke datum bij het aangaan van de koopovereenkomst nog onbekend was). De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen verder af dat de bedoeling van artikel 2.5 van de koopovereenkomst was dat een stijging van de huuropbrengst op de huuringangsdatum verdisconteerd zou worden in de koopprijs, zodat naast [gedaagden] als (nieuwe) verhuurder vanaf de huuringangsdatum, ook Reggestede daarvan zou profiteren. 5.6. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat Reggestede artikel 2.5 van de koopovereenkomst aldus heeft mogen begrijpen, en [gedaagden] daartegenover die bepaling zo heeft moeten begrijpen, dat voor de berekening van de geïndexeerde koopprijs de daadwerkelijk met de huurder vastgestelde geïndexeerde huurprijs op de huuringangsdatum bepalend is. Dat is immers de huuropbrengst die met de winkelruimte wordt gegeneerd. De rechtbank zal dat oordeel hierna verder uitleggen en daarbij de tegenargumenten van [gedaagden] bespreken. 5.7. Vast staat dat de contractpartijen bij de huurovereenkomst die de afspraken hebben gemaakt over de (indexering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.