← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2024:5508

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaandam Zaaknr./rolnr.: 10842726 \ CV EXPL 23-4133 Uitspraakdatum: 30 mei 2024 Verstekvonnis in de zaak van: de stichting [eiser] te [plaats] de eisende partij procederend bij [gemachtigde], werkzaam bij [eiser] tegen [gedaagde] te [plaats] de gedaagde partij niet verschenen 1De verdere procedure 1.

  1. Op 11 april 2024 heeft de kantonrechter een tweede tussenvonnis gewezen en daarin de eisende partij – opnieuw, voor de laatste keer - in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen en zich uit te laten over eventuele oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden die verband houden met de vordering. Bij akte van 25 april 2024 heeft de eisende partij de toepasselijke algemene voorwaarden overgelegd. 2De vordering 2.
  2. De eisende partij vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van de huurachterstand (van september tot en met november 2023) en de afrekening servicekosten 2022, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft en de proceskosten. 2.
  3. De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. 3De beoordeling Ambtshalve toetsing van: de Huurovereenkomst en het Huurreglement Woonruimte [eiser] mei 2018 3.
  4. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst met de gedaagde partij algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is. 3.
  5. De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of bedingen, waaraan een consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken – en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen. 3.
  6. De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat het gaat om een beoordeling van de bedongen afspraken, die de rechten en plichten van partijen over en weer vastleggen en waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant. De omstandigheid dat een eisende partij alleen een beroep doet op wettelijke bepalingen ontslaat de kantonrechter namelijk niet van de verplichting om ambtshalve te toetsen. In dat laatste geval heeft de eisende partij ook geen recht op de gevorderde wettelijke vergoeding. Dat geldt voor de gevorderde hoofdsom, maar ook voor bijkomende vorderingen, zoals de gevorderde vergoedingen voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten of rente. 3.
  7. Samenvattend moet de kantonrechter in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak). Huurprijswijzigingsbeding 3.
  8. In de huurovereenkomst staat een huurprijswijzigingsbeding. Dit beding luidt als volgt: ‘
  9. Huurprijswijziging 5.1 De huurprijs kan op voorstel van de verhuurder voor het eerst per 1 juli van het jaar van ondertekening van het huurcontract en vervolgens jaarlijks per 1 juli worden gewijzigd met een percentage dat maximaal gelijk is aan het op de ingangsdatum van die wijziging wettelijk toegestane percentage voor woonruimte met een niet-geliberaliseerde huurprijs (…).’ 3.
  10. Ook in de algemene voorwaarden staat een huurprijswijzigingsbeding. Dit beding luidt als volgt: ‘Artikel 5 Huurprijs Lid
  11. De huurprijs kan worden gewijzigd volgens de daarvoor geldende regels, weergegeven in artikel 7:248 en verder van het Burgerlijk Wetboek. (…)’ 3.
  12. Omdat voornoemde bedingen verwijzen naar de wettelijke regels omtrent het wijzigen van de huurprijs, is de kantonrechter van oordeel dat deze bedingen als niet oneerlijk kunnen worden beschouwd. Servicekosten 3.
  13. Artikel 6 van de algemene voorwaarden betreft een servicekostenbeding. Omdat de eisende partij op grond van het beding slechts de werkelijke servicekosten in rekening kan brengen, is de kantonrechter van oordeel dat voornoemd artikel als niet oneerlijk kan worden beschouwd. Conclusie 3.
  14. De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Er is sprake van een huurachterstand van meer dan drie maanden. 3.
  15. De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat de eisende partij zonder professioneel gemachtigde is verschenen, worden de reis-, verblijf- en verletkosten tot en met vandaag aan haar kant ambtshalve vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50,
  16. 4De beslissing De kantonrechter: 4.
  17. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst; 4.
  18. veroordeelt de gedaagde partij om het perceel aan de [adres] [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken (voor zover deze laatste niet het eigendom van de eisende partij zijn) en onder afgifte van de sleutels aan de eisende partij; 4.
  19. veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 2.841,63; 4.
  20. veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 726,99 per maand, voor iedere maand dat de gedaagde partij het gehuurde vanaf 1 december 2023 in gebruik houdt; 4.
  21. veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op: € 131,58 wegens dagvaardingskosten, € 487,00 wegens griffierecht en € 50,00 wegens reis-, verblijf- en verletkosten; 4.
  22. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Het Huurreglement Woonruimte van [eiser] van mei
  23. Dat volgt uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) en 8 december 2022 (ECLI:EU:C:2022:971).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.