RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11021366 \ VV EXPL 24-59 Uitspraakdatum: 17 mei 2024 Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van: [eiser] te [plaats 1] eiser verder te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen tegen [gedaagde] wonende te [plaats 2] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] procederend in persoon 1Het procesverloop 1.1. [eiser] heeft [gedaagde] op 16 en 17 april 2024 gedagvaard. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2024. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. 2Feiten 2.1. [eiser] verhuurt aan [gedaagde] een woonruimte aan de [adres] in [plaats 2]. De huurprijs bedraagt momenteel € 1.129,12 per maand. 2.2. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Sinds mei 2023 heeft hij, ondanks sommaties, de huur niet meer voldaan. Partijen hebben meermaals contact gehad over het inlopen van de huurachterstand en/of het vertrek van [gedaagde] uit de woning, maar dat heeft uiteindelijk tot niets geleid. 2.3. [gedaagde] heeft aan [eiser] geen toestemming verleend om in het kader van artikel 2 van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening (vroegsignalering) de contactgegevens van [gedaagde] aan de gemeente te verstrekken. 3De vordering 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de huurachterstand en ontruiming van het gehuurde. De gevorderde huurachterstand bedraagt € 12.264,71 althans € 11.136,87. Verder vordert [eiser] betaling van de lopende huur tot aan het einde van de huurovereenkomst althans tot aan de ontruiming van het gehuurde. Subsidiair vordert [eiser] voorwaardelijke ontruiming van het gehuurde. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] sinds mei 2023 geen huur meer heeft betaald. Ondanks beloftes en afspraken blijft betaling uit. [gedaagde] gedraagt zich daarmee niet als een goed huurder en schiet te kort in de nakoming van de huurovereenkomst. 4Het verweer 4.1. [gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Wel heeft hij verweer gevoerd tegen de gevorderde ontruiming. Hij voert aan dat de Belastingdienst hem ten onrechte had aangemerkt als mogelijk fraudeur (FSV) met als gevolg dat zijn vermogensrekening werd geblokkeerd. Ook kon hij zijn werkzaamheden als specialistisch verpleegkundige niet uitvoeren omdat hij door deze registratie niet over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) kon beschikken. Als gevolg van deze omstandigheden had hij geen inkomsten en was hij niet in staat de huur te betalen. [gedaagde] voert aan dat hij inmiddels over een VOG beschikt en zijn werkzaamheden weer kan uitvoeren, zodat hij op korte termijn voldoende inkomen heeft om de huur te betalen. Verder hoopt hij zo snel mogelijk weer over zijn vermogensrekening te kunnen beschikken. Deze rekening zal volgens [gedaagde] echter pas worden vrijgegeven als hij aan de Belastingdienst een bedrag van € 60.000,00 heeft betaald. 5De beoordeling 5.1. De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om een huurschuld die steeds verder is opgelopen en nog steeds oploopt. 5.2. Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. ambtshalve toetsing 5.3. De huurovereenkomst die in deze procedure centraal staat, is gesloten met een consument. Omdat er voldoende aanknopingspunten zijn dat [eiser] als handelaar moet worden aangemerkt (verhuur van meer dan één pand; de verhuurinkomsten vormen een aanzienlijk deel van zijn inkomsten; vermelding van een zakelijk e-mailadres in de huurovereenkomst), dient de kantonrechter de vordering ambtshalve te toetsen aan het dwingende consumentenrecht, in het bijzonder aan de Richtlijn 93/13 EG (hierna: de Richtlijn). 5.4. Deze toets geeft geen aanleiding om de primaire vordering tot betaling van € 12.264,71 af te wijzen. Artikel 5.1 van de algemene huurvoorwaarden bepaalt dat de huurprijs jaarlijks zal worden verhoogd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.